In wantrouwen gevangen

Nederland wordt op alle mogelijke manieren beveiligd tegen kwaadwillenden – met hekken, detectiepoortjes en andere obstakels. Dat gaat ten koste van onze vrijheid....

Vijfenzestig jaar geleden werden we bevrijd. Nu zijn we nog steeds vrij, zij het een beetje minder dan – zeg – 35 jaar geleden. Het verschil met toen is maar heel betrekkelijk. Onze grondwettelijke vrijheden zijn in graniet gebeiteld. Op 9 juni zijn alle stemgerechtigden uitgenodigd voor het feest van de democratie – voor de tweede keer dit jaar. Met de komst van digitale vriendennetwerken en blogs staan de mondige burger meer mogelijkheden ter beschikking om de publieke opinie te beïnvloeden. Iedereen die is aangesloten op het wereldwijde web, kan zijn eigen kranten en pamfletten produceren. En je moet het wel heel bont maken om van die uitwisseling van gedachten en nukkigheden te worden uitgesloten. En toch: per saldo genieten we minder vrijheid dan voorheen.

Wie ’s nachts na twaalven met de trein reist, kan dit aan den lijve ondervinden. Bijvoorbeeld op station Amsterdam CS. Het gebouw, dat toch al door nimmer eindigende renovatiewerkzaamheden en een staking van schoonmakers in een hoogst onaangenaam passantenverblijf is veranderd, is dan nog maar via één ingang bereikbaar. Dat weet de reiziger pas als hij eindeloos rondom het gebouw heeft gedoold. Als hij ten langen leste de entree heeft gevonden, wordt hij naar de perrons geleid via rood-witte linten en een kordon beveiligingsmensen die zichzelf niet als dienstverleners lijken te beschouwen. De trein die hem naar een prettiger oord zal vervoeren, is ook vergrendeld – op die ene deur na, waar een controleur die ook zijn werk maar doet, de kaartjes controleert, een handeling die overbodig zou moeten zijn omdat ze beneden, in de hal, ook al was uitgevoerd.

De passagiers onderwerpen zich lijdzaam aan dit beveiligingsregime. Zij voelen zich veiliger op het station dan toen iedereen er nog in en uit kon lopen, zegt een woordvoerder van de Nederlandse Spoorwegen. Het vervoerbedrijf heeft ongetwijfeld op goede gronden gemeend deze miljoenen verslindende voorzieningen te moeten treffen. Niet alleen in Amsterdam, maar ook op andere plaatsen die door randfiguren werden geterroriseerd.

Hufterproof
‘De goeden moeten onder de kwaden lijden’, heet het dan. En de maatregelen waarmee de samenleving meent zich tegen de kwaden te moeten verweren, hebben een voorlopig karakter. Alsof de status quo ante ooit zal worden hersteld. De ervaring leert inmiddels dat voorzorgsmaatregelen maar hoogst zelden worden opgeheven.

De uitzonderingstoestand in de openbare ruimte heeft een permanent karakter aangenomen. De hekken waarmee hofjes, portieken, stegen en zij-ingangen hufterproof worden gemaakt, staan er in de regel voor de eeuwigheid. Net als de kooien op de viaducten die moeten verhinderen dat voorwerpen op auto’s worden geworpen, de barricades in de voetbalstadions, de detectiepoortjes in musea en overheidsgebouwen.

Zij sluiten kwaadwillenden buiten, maar ze begrenzen tevens de bewegingsvrijheid van de bonafide burgers – die naar verluidt de overgrote meerderheid vormen. Om de massa zoveel mogelijk te vrijwaren van de misdragingen van de enkeling wordt iedereen door de zeef gehaald.

De ontwikkelingen in Nederland onderscheiden zich in dit opzicht niet noemenswaardig van die in landen waaraan we ons spiegelen. Na een verblijf van vijf jaar in Berlijn meen ik echter wel dat de ‘uitzonderingstoestand’ in Nederland grimmiger aanvoelt. Mogelijk hangt dit samen met het feit dat wij, Nederlanders, in het recente verleden de vrijheid in de betekenis van ‘we maken zelf wel uit aan welke regels we ons wensen te houden’ collectief hebben gekoesterd. De teugels knellen bij ons dus misschien wat meer dan bij de Duitsers, die keurig, zonder kenbare aanleiding, voor een rood voetgangerslicht bleven wachten terwijl wij, meer verlichte geesten, ons vrolijk maakten over de ‘kadaverdiscipline’ van de oosterburen.

Feestterrein
Bij ons golden ‘authenticiteit’ en ‘spontaniteit’ als grote deugden. De jaren negentig van de vorige eeuw waren bijna ongenietbaar door het grote aantal spontane Nederlanders. Zij hadden hun remmingen afgelegd, en maakten minder spontane Nederlanders deelgenoot van hun coming-out – of die wilden of niet. Zij stoven met z’n honderden op motorfietsen over de rivierdijken. Zij trokken in uitgelaten toestand door de steden. Zij gebruikten de openbare ruimte als particulier feestterrein. Zij etaleerden schaamteloos de weelde die zij als internetondernemer in een paar maanden tijd hadden vergaard. Zij maakten indringend duidelijk dat de hele wereld hun rug op kon.

Hun held heette André Hazes. Die mocht er dan geen voorbeeldige levenswandel op nahouden, maar hij was wel authentiek. Hij was een echt mens. En daar hield de vrije Nederlander van. De climax van zijn zelfverheerlijking werd bereikt in 1995 met het lied Vijftien miljoen mensen, een lofzang op mondigheid en zelfredzaamheid. ‘Vijftien miljoen mensen op dat hele kleine stukje aarde, die schrijf je niet de wetten voor, die laat je in hun waarde’ – alsof het een in strijd is met het ander.

De 15 miljoen mensen van weleer namen zichzelf waar als de natuurlijke vijanden van hun eigen overheid, die in hun perceptie uit was op de begrenzing en reglementering van hun persoonlijke vrijheid. En zij creëerden daarmee de overheid die zij vreesden. Een overheid die alle reden heeft om aan te nemen dat de belastingbetaler of de uitkeringsgerechtigde de kluit belazert. Een overheid die bij een vermoeden van fiscaal wangedrag de bewijslast omkeert. Een overheid voor wie iedereen gelijk is, en die dus geen onderscheid maakt tussen burgers die de schijn mee en burgers die de schijn tegen hebben. Een overheid die iederéén als potentiële wetsovertreder bejegent, en daarmee onbedoeld heeft bijgedragen aan de verharding van de onderlinge verhoudingen.

Ambtelijke molens
Dat verklaart, vermoed ik, het verschil in gevoelstemperatuur tussen Nederland en Duitsland. Nog afgezien van het feit dat een structurele afsluiting van het Hauptbahnhof in Berlijn ondenkbaar zou zijn, heerst er niet een gestaald wantrouwen tussen burger en overheid. De ambtelijke molens draaien er traag, maar ze draaien tenminste de goede kant op. Door de politie word je, ook als ze je tot haar leedwezen moet bekeuren, als partner bejegend. De burger spreekt in beginsel de waarheid, tenzij een ambtenaar gegronde reden heeft om aan te nemen dat dit vertrouwen ongegrond is. De mogelijkheid van beroep of bezwaar tegen een ambtelijke beslissing – in Nederland feitelijk een wassen neus – heeft in Duitsland nog een reële betekenis.

Als Nederlandse inwoner van Berlijn had ik meer last van de Sociale Verzekeringsbank, de goede gever van kinderbijslag, dan van de Duitse fiscus. Zeker één maal per jaar moesten wij met onze drie kinderen onder schooltijd naar de Nederlandse ambassade om tegen betaling een beëdigde verklaring af te halen waarmee we konden aantonen dat we geen uitkering inden voor ongeboren of overleden kinderen. Een ‘bewijs van in leven zijn’ heet dit curieuze testimonium van de waard die zijn gast allang niet meer vertrouwt.

Omdat er met kinderbijslag wordt gefraudeerd, moeten wij aantonen dat wij het níet doen. Dat is het onontkoombare gevolg van de ambtelijke gelijkheidsmoraal – ook als de burgers er een zeer ongelijke moraal op nahouden. Zo functioneert de overheid die zich bij de regelgeving richt op de zwakste schakels van de samenleving.

Wij hebben de overheid die we verdienen. Deze overheid is het product van een al te achteloze omgang met onze vrijheid in het verleden. Burger en overheid houden elkaar in wederzijds wantrouwen gevangen. Daarmee zijn niet direct grondrechten in het geding. Nederland is onverkort een van de aangenaamste plekken op aarde om te leven. Toch vraag ik mij af hoe een Nederlander uit het jaar 1975 zou reageren op de gebarricadeerde stations, de detectiepoortjes, de ID-kaarten en aanverwante tijdsverschijnselen van dit moment. Ik denk dat hij zich rot zou schrikken en zich zou afvragen hoe het zover heeft kunnen komen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden