In Tunesië bestaat dé salafist niet

Dat de salafisten een bedreiging zijn voor de democratie is een opvatting die steeds meer opgeld doet in Tunesië.

TUNIS - In Douar Hicher heerst een eeuwige zondagrust. In de straten van deze volkswijk aan de westkant van Tunis lopen opvallend veel kippen rond, vooral tussen het zwerfvuil op de vele braakliggende terreinen. Af en toe een oude vrouw met een boodschappentas. Af en toe spelende kinderen.


Op het terras van café Essaraya zitten jongens van begin 20 te roken en te praten over meisjes, muziek en voetbal. 'We zijn allemaal van Esperance Sportif Tunisien', zegt de 21-jarige Aymen Maghraoui, bijnaam 'Kamatchou'. Hij is student, zoals de meeste van zijn vrienden. Sommigen zijn werkloos. Niemand werkt. Zatla (cannabis) gebruiken ze niet, zeggen ze ongevraagd.


Dit soort jongens in deze verwaarloosde buurt van 75 duizend inwoners kan de Tunesische democratie maken en breken. Zij hielpen mee de dictator te verjagen, maar zij vormen ook de potentiële groeimarkt voor de salafisten in Tunesië. Veel baardmannen lezen slechts de Koran en maken zich nuttig in de wijk, maar er zijn er ook die geweld prediken.


Dat was bijvoorbeeld 100 meter verderop het geval, oktober vorig jaar in de Nour-moskee. Imam Nasreddine Aloui verklaarde voor een tv-camera de oorlog aan Nahda, de islamistische regeringspartij. Hij riep de jeugd op tot een gevecht tot de dood tegen 'deze lieden die Amerika als hun God hebben gekozen'. Kort daarvoor was Aloui's voorganger omgekomen bij een poging gedetineerde makkers uit een politiecel in Douar Hicher te bevrijden.


De verhouding tussen de Tunesische salafisten en Nahda was op dat moment al aan het kantelen.


In de eerste anderhalf jaar na de revolutie van januari 2011 hadden de moslimradicalen vooral beroering gewekt met aanvallen op culturele doelwitten. Voorstellingen van 'blasfemische' films werden verstoord, kunstexposities bedreigd. Het interieur van een café ging eraan. De acties waren irritant, maar nooit bloedig. De autoriteiten - lees: Nahda - reageerden meestal gelaten.


Een omslagpunt kwam in maart 2012, toen Nahda de sharia als grondslag voor wetgeving liet vallen. 'Verraad', volgens de salafisten. Een tweede kantelmoment was de bestorming in september van de Amerikaanse ambassade in Tunis (vier doden), een actie van de groepering Ansar al-Sharia.


En dan was er de moord in februari dit jaar op de linkse politicus Chokri Belaïd, ook met salafisten als daders.


Voor de Nahda-regering was dit alles aanleiding de omzichtige aanpak van de radicale geloofsbroeders te verharden. Honderden salafisten zitten inmiddels gevangen en in mei werd het congres van Anshar al-Sharia in de heilige stad Kairouan verboden. Leider Abou Ayadh, gezocht wegens 'terrorisme', houdt zich schuil. 'De regering pakt de salafisten sinds kort aan', zegt Amna Guellali, onderzoeker van Human Rights Watch (HRW) in Tunis. 'Voorheen waren de autoriteiten veel te laks, te lankmoedig. Inmiddels heeft men gezien wat daarvan komt.'


Dergelijke nuanceringen gaan aan de links-liberale oppositie voorbij. Daar heeft van het begin af aan diep wantrouwen geheerst in de bedoelingen van Nahda en de recente gebeurtenissen hebben daar niets aan veranderd. Ophef veroorzaakte vorig jaar een video-opname waarop te zien was hoe Nahda-leider Rached Ghannoushi salafisten bezwoer dat 'wij' geleidelijk het staatsapparaat overnemen.


Veel Nahda-tegenstanders denken dat het salafistisch geweld de islamisten goed uitkomt: des te gematigder lijken ze zelf. 'Er is op zijn minst overleg tussen Nahda en de salafisten', meent filmproducent Hisham ben Khamsa.


Michael Ayari, onderzoeker in Tunis van de International Crisis Group (ICG), denkt eerder dat Nahda wordt gemangeld tussen 'een soms gewelddadige salafistische uitdaging en een seculiere oppositie die klaar staat om elke foutje te bekritiseren'. Hoe dan ook wordt het salafistisch gevaar volgens hem wel eens aangedikt. 'Als een man met een baard in een volkswijk geweld gebruikt, hebben de media het meteen over een salafistische actie.'


In een recent rapport over het salafisme in Tunesië schrijft Ayari dat 'de jihadistische dreiging moet worden genegeerd noch overdreven'. Geregeld slaat de niet-islamitische oppositie 'buitensporig en voorbarig alarm, en uit ze ongegronde beschuldigingen'. Wat overigens niet betekent dat 'de angsten ongegrond zijn'.


Zo blijven ware aard en omvang van het salafistisch gevaar in nevelen gehuld.


Wel is duidelijk dat niet gesproken kan worden van 'dé salafisten'. Het is een verzamelterm voor vele organisaties, clubjes en individuen. Het is niet moeilijk in Tunesië vrome mannen te ontmoeten die zich salafist noemen, maar nergens bij zijn aangesloten en oprecht lijken te gruwen van politiek geweld.


Het afgelopen jaar was het beduidend stiller aan de culturele frontlinie; kunstenaars hadden nauwelijks meer last. Niettemin lijken de salafisten een groeiend fenomeen te zijn, al weet niemand hun aantal. Schattingen lopen uiteen van 10 duizend tot 50 duizend.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden