In Rwanda wantrouwen Tutsi’s ook Tutsi’s

De onderdrukking door Hutu’s heeft in Rwanda plaatsgemaakt voor de heerschappij van Tutsi’s. Bij beide volken creëert dat onvrede...

‘Helaas’, zegt Jean-Pierre Sagahutu, ‘ik ben een Tutsi.’ Zijn achternaam doet de buitenstaander anders vermoeden. In vertaling uit het Kinyarwanda wordt het echter duidelijk: Sagahutu betekent volgens hem ‘Ik ben geen kleintje’. Geen Hutu dus. En wat velen daarbij denken: geen genocidair uit Rwanda.

Maar waarom dan ‘helaas’? Sagahutu, een wat gezette veertiger, kijkt met gespeelde verbazing om zich heen. ‘Wat dacht je? Omdat ik een Tutsi ben, heb ik het grootste deel van mijn familie door de genocide verloren. Mijn ouders, vier zussen, drie broers.’ In zijn stem klinkt onderdrukte emotie door.

Het verhaal van Sagahutu is het unieke verhaal van een individu en het overbekende verhaal van een volk. In Rwanda kwamen vijftien jaar geleden naar schatting 800 duizend Tutsi’s en gematigde Hutu’s bij de volkenmoord om het leven. Sagahutu hield zich twee maanden bij vrienden in een septic tank schuil. Hij overleefde.

Zijn ‘helaas’ duidt mogelijk op het complexe schuldgevoel dat ook opkwam bij andere overlevenden van een genocide, zoals de Holocaust op de Joden: ‘Waarom ben ik er nog wel, en zijn zo veel van mijn geliefden gestorven?’ Maar Sagahutu heeft nog een andere reden om ‘helaas’ te zeggen.

Na de zo bloedige en verwoestende honderd dagen van 1994, begonnen in de avond van 6 april, kwam in Rwanda het rebellenleger van Paul Kagame aan de macht. De onderdrukking door Hutu’s, geleid door de kliek rond president Juvénal Habyarimana, maakte plaats voor de heerschappij van voornamelijk Tutsi’s.

Vijftien jaar later is dat nog steeds zo, al is volgens Kagame, president sinds 2003, het onderscheid tussen de verschillende volken weggevallen en kan nog enkel van Rwandezen worden gesproken. Maar Tutsi’s als Sagahutu, zij die in 1994 al in Rwanda waren en het moorden dus aan den lijve ondervonden, voelen zich achtergesteld bij de nieuwe Tutsi-elite.

Dat is de groep mensen die na 1994 terugkeerde uit ballingschap. Mensen die woonden in landen als Oeganda, zoals Kagame zelf, of Tanzania. Niet Frans, maar Engels is hun eerste buitenlandse taal. ‘Engels betekent geld, betekent zaken, betekent macht’, zegt Sagahutu. ‘Wij, de Tutsi’s van binnen, eten de kruimels die bij hen van de borden vallen.’

Die kloof, die volgens hem groeit, is volgens Sagahutu ‘erg gevaarlijk’. Buitenlandse waarnemers in de hoofdstad Kigali vallen hem daarin bij. Gevaarlijk, ook omdat naast deze groep Tutsi’s, die zich achtergesteld voelt, ook sprake is van ontevredenheid die leeft bij Hutu’s – het volk dat ruim 80 procent van de bevolking vormt.

De afgelopen jaren zijn in Rwanda initiatieven ontplooid om het moeilijke proces van verzoening op gang te brengen. Zo was de gacaca, een traditionele vorm van rechtspraak, waarvan de zittingen dit jaar moeten eindigen, bedoeld om vooral op het platteland mensen weer tot elkaar te brengen.

Hutu’s die jaren, soms op basis van vage beschuldigingen, in de gevangenis hebben gezeten, sluiten zich langzaam weer aan bij hun vroegere dorpelingen. Maar het wantrouwen en het ongemak blijven groot.

Het is moeilijk hierop een uitzondering te vinden. In het dorpje Mbyo, zo’n 40 kilometer ten zuiden van Kigali, is het een aantal mensen gelukt. Zoals Félix Habiyamana (44), een Tutsi, en Frédérique Kazingwemo (41), een Hutu. Al als kinderen waren zij bevriend. Maar toen werd het april 1994.

‘Ik ben een moordenaar, ik beken het’, zegt Kazingwemo. Al snel na het uitbreken van de volkenmoord werden hem en andere dorpelingen de machetes, schoffels en andere ruwe wapens in handen geduwd. Militairen dwongen hen zich bij een militie aan te sluiten. ‘Stel geen vragen als je een Tutsi ziet. Je hoeft ze enkel te doden.’ Kazingwemo vermoordde twee kinderen.

Zijn vriend Habiyamana verloor het grootste deel van zijn familie. Zelf wist hij het bos in te vluchten. Na twee dagen lopen over sluipwegen bereikte hij het buurland Burundi. Pas na de genocide kwam hij in Mbyo terug. Kazingwemo zag hij niet meer: hij was opgepakt en zat negen jaar gevangen.

Na zijn vrijlating kwamen ze elkaar weer tegen. Kazingwemo bekende opnieuw, en vroeg Habiyamana om vergeving. ‘Ik stuurde hem weg’, zegt deze, ‘ik had na ons lange gesprek tijd nodig om na te denken.’ Maar na enkele dagen was hij eruit. Zij waren het eens: het moorden was niet de schuld van individuen. Iedereen was slachtoffer, van het systeem dat de toenmalige regering propageerde.

Sinds die tijd, nu bijna zes jaar geleden, zijn zij weer vrienden. Sterker nog, zij werken niet alleen samen op de akkers, Habiyamana heeft Kazingwemo onlangs zelfs een stuk van zijn land geschonken, zoals vroeger hun ouders elkaar een koe schonken: een gebaar dat in de Rwandese cultuur op bloedbroederschap duidt.

Het is een bijzonder stel, waarvan er vijftien jaar na de genocide in Rwanda nauwelijks een tweede te vinden is. Zij zeggen zich ‘veilig’ bij elkaar te voelen en kennen geen angst voor een nieuwe etnische scheuring. ‘Dit land heeft nu heel andere leiders’, zegt Habiyamana. ‘Ik voel geen enkel gevaar.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden