In oude luister

Reportage..

‘En hier is dan de melkkoe!’ De hoge deur zwaait open naar de Balzaal in het Wereldmuseum en directeur Stanley Bremer toont verrukt een van de hoogtepunten van de verbouwing. Dit was vroeger de ontmoetingsplek van de elite in Rotterdam, van de ‘Yachtclub’ die prins Hendrik ‘de zeevaarder’ in 1851 liet bouwen. De zaal is in oude luister hersteld. ‘We hebben al het spaanplaat van de muren gehaald.’ Het is geen museumzaal meer, maar een chique conferentiezaal in de verhuur, die veel geld moet opbrengen voor het museum.

Zelden heeft een museumdirecteur zo radicaal het roer omgegooid. Niet alleen het gebouw is een terugkeer naar de oude sfeer ‘van luxe en grandeur’, ook in de museumzalen zelf is een traditionele opstelling in ere hersteld. Hier moeten bezoekers rustig kunnen genieten van etnografische kunst met een spirituele lading uit Oceanië, Azië, Afrika en Latijns Amerika. In vitrines met goede verlichting (dat kan dankzij de moderne led-lampen), en in open opstellingen, beschermd door onzichtbare infrarood-stralen. Daar staat een Tibetaanse tempelinrichting te schitteren, in een andere zaal staan krachtige spijkerbeelden uit Congo, op de uitgebreide afdeling Oceanië maskers en schilden.

Vanaf de jaren tachtig is het interieur van het gebouw naar de knoppen geholpen, vindt Bremer, directeur sinds 2001. ‘Het moest toen eenvoudiger, want al die grandeur zou gewone mensen afschrikken; er kwamen glazen puien, voor de transparantie.’ De monumentale trappartij in het hart van de Yachtclub van prins Hendrik (de tweede zoon van koning Willem II) werd gesloopt. Bremer heeft die weer laten nabouwen. De gloednieuwe ‘oude’ trap wentelt nu om een Indonesische bisjpaal (voorouderpaal) van 12,5 meter hoogte.

Donderdag ging het museum na ruim twee jaar weer open voor publiek. Drie dagen daarvoor geven Bremer en zijn adviseurs alsvast een rondleiding. Er wordt nog geschilderd, er liggen nog schilderslappen bij de lift. Het restaurant moet nog worden ingericht, de winkel ook. Maar de prachtige herenclub (nu café/wijnbar) op de vierde verdieping, met een overdonderend uitzicht op de Maas, de Erasmusbrug, Hotel New York en architectuur van Renzo Piano en Rem Koolhaas, is klaar om gasten te ontvangen. Het restaurant biedt een menu geïnspireerd door de tijdelijke tentoonstelling (nu: Oceanische gerechten, veel vis dus). Dat is de ambiance waarmee het museum publiek hoopt te trekken.

Dat moeten weer gewoon ‘de traditionele museumbezoekers’ zijn, de redelijk welgestelde liefhebbers: ‘dertigers, druk, druk, die ’s avonds naar het restaurant komen en dan ook het museum ingaan’. Want het Wereldmuseum is zes dagen per weken tot 22.00 uur open. De vaste opstelling, drie verdiepingen, is gratis. De speciale exposities moeten het entreegeld binnenbrengen.

Op de zalen is geen computer of touchscreen te zien. ‘Geen computers!’, zegt Edward de Bock, die als enige wetenschappelijk medewerker in dienst het museum met Bremer zijn karakter geeft. Hij gruwt van die modieuze poespas. ‘Die computers zijn speeltjes voor kinderen. Die gaan dan van computer naar computer hollen. Dat willen we hier niet. Hier moeten bezoekers rustig kunnen genieten. Er is voor kinderen een speciaal programma en ontvangstruimte, maar in de opstelling hebben we geen enkele concessie gedaan.’

Het ‘Hotel het reispaleis’, het oude paradepaardje met activiteiten voor kinderen is nu verdwenen. Bremer: ‘Dat was kínderachtig! We zijn geen pretpark. Een museum is niet voor knippen en plakken, dat doen kinderen op school of thuis.’ Er zijn wel rondleidingen speciaal voor kinderen, een audiotoer, en een mediatheek waar ze terecht kunnen. Kinderen willen ook het liefst in mooie zalen rondlopen, denkt hij.

Net trouwens als de nieuwe Nederlanders uit Rotterdam, die de vorige directie zo graag naar binnen wilde krijgen. Bezoekers uit migrantengemeenschappen kwamen wel naar het museum; dat was vooral goed te zien bij thematentoonstellingen over hun landen van herkomst. Maar te weinig: de totale bezoekersaantallen daalden tot 50 duizend. ‘Die nieuwe bezoekers kwamen nauwelijks en de oude bleven weg’, zegt Bremer. Na een te dure verbouwing in de jaren negentig dreigde faillissement.

Er moest iets gebeuren. Onder het personeel brak een stammenstrijd uit – ‘die ik behoorlijk zelf heb aangewakkerd’ – over de toekomst. Directeur Bremer stond een radicale commercialisering voor. Hij kwam niet uit de museumwereld. Hij zat in de reclame en marketing. Toen zijn bureau eens een tentoonstelling mocht maken, kreeg hij de smaak te pakken en ging in zijn vrije tijd museologie studeren in Leiden. Afgestudeerd zette hij een zelfstandig expositiebureau op. Hij richtte op Curaçao het Maritiem Museum in en gaf daar vervolgens leiding tot hij in 2001 naar het Wereldmuseum overstapte. Het museum moet veel meer eigen geld verdienen en gebruik maken van het unieke gebouw dat van de gemeente wordt gehuurd.

De conservatoren vreesden dat hun esthetische en didactische werk zou moeten wijken voor populaire exposities, blockbusters. Het binnenhalen van een filiaal van Kras-Reizen in het museum was voor velen een teken aan de wand (het contract werd begin 2007 weer opgezegd). De meesten waren voorstander van een open, maatschappelijk gericht museum. De ene na de andere conservator vertrok. Er vielen ontslagen. Bremer kwam als overwinnaar uit de strijd. In 2006 is het museum (in 1885 geopend als Museum voor Land- en Volkenkunde) verzelfstandigd. Bremer had de handen vrij voor zijn tweeslag: een commerciële exploitatie van het gebouw, gekoppeld aan een museum met louter de artistiek beste stukken.

Alle volkenkundige musea ter wereld worstelen met de wezensvraag over hun bestaansrecht. Eigenlijk al een halve eeuw, sinds de koloniën onafhankelijk werden. De koloniale grandeur werd beetje bij beetje vervangen door engagement met de Derde Wereld. Niet langer moesten de prachtige ‘primitieve kunstwerken’, gekocht dan wel geroofd in de koloniën, centraal staan, maar juist ‘het leven van de mensen in verre landen’. In het Tropenmuseum in Amsterdam verschenen in de Derde Wereld opgekochte kioskstalletjes, tenten en hedendaagse ‘interieurs’. De afgelopen tien jaar werd deze benadering op zijn beurt als paternalistisch gezien en de weggehaalde kunstvoorwerpen, vaak van onschatbare waarde, kwamen na jaren terug in de vitrine.

Meestal zoeken de volkenkundige musea een balans tussen de twee benaderingen. Zo zijn in het Afrika museum in Berg en Dal de beelden en maskers van anonieme Afrikaanse meesters te zien in een tamelijk klassieke opsteling, terwijl buiten de nagebouwde huisjes nog steeds dienstdoen voor workshops. Het Tropenmuseum toont in nieuwe opstellingen een tijdlijn van oude naar moderne kunst en probeert verbanden te leggen met actuele thema’s als verstedelijking en klimaatverandering.

Niets van dat alles in Rotterdam. Bremer wil alleen oude kunst, zeg van voor 1950, gewoon ouderwets zonder ingewikkelde verhalen eromheen. De bordjes op zaal geven weer summiere, feitelijke informatie. Voor wie meer wil weten, is er schriftelijke informatie in de mediatheek. Al moet Bremer nog het geld zien te vinden voor een catalogus van de vaste collectie. ‘Dat ga ik als cadeau vragen, want in 2010 bestaan we 125 jaar.’

Veel voorwerpen in het depot van het museum ziet hij als nodeloze ballast. De unieke, uitgebreide collectie etnografisch fotografie (van particuliere verzamelaars als wereldreiziger Gerrit Verschuur en de arts-antropoloog Herman ten Kate met de oudste foto’s uit 1860) is in veel betere handen bij het Nederlands Fotomuseum, vond hij, op voorwaarde dat hij de foto’s kan gebruiken wanneer hij wil. Directeur Ruud Visschedijk wilde de 100 duizend oude foto’s maar wat graag in beheer krijgen. Moderne kunst die in de jaren negentig is aangekocht moet worden ondergebracht bij het Tropenmuseum.

Toen de plannen naar buiten kwamen, schrok de gemeente Rotterdam, eigenaar van de collectie. Loopt Bremer met zijn ‘ontzameling’ niet te hard van stapel? De Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur deed een waarschuwing uitgaan. Volgens Bremer is de ontzameling nu tijdelijk bevroren in afwachting van rapporten van commissies van deskundigen, ingesteld op instigatie van de gemeente. Die maakt een indeling van de voorwerpen: topstukken, tweede garnituur maar te gebruiken bij tentoonstellingen en om uit te lenen, en ‘dingen die je niet moet willen hebben’.

Bremer wil een beperkte collectie in depot en op zaal houden in wisselende tentoonstellingen. Hoeveel er zal overblijven van de 100 duizend stukken kan hij niet zeggen: ‘Ik wacht het oordeel van de commissie af.’ Voor waardevolle voorwerpen als de foto’s zoekt hij beheerders, ‘we houden het recht alles te gebruiken voor ons museum’. Zo bespaart hij op de soms hoge kosten van het conserveren, maar kan hij over de werken blijven beschikken.

Voor de tweede keus ziet hij wel een bestemming in het Museon in Den Haag: voorwerpen van weinig waarde kunnen in dat educatieve museum door scholieren lekker in de handen worden genomen. Maar er is de afgelopen twintig jaar ook veel waardeloze bric à brac aangekocht door conservatoren op volksmarkten van Marokko tot Indonesië, zegt hij. Wat daarmee te doen? ‘Ik zou zeggen: verkopen.’

Alles in het kader van een efficiënte bedrijfsvoering. Het Wereldmuseum wordt voor de helft gefinancierd door de Gemeente Rotterdam, de andere helft wordt zelf opgebracht, uit giften van donateurs (‘vrienden van het museum’), kunstfondsen en andere sponsoren, maar vooral uit het eigen horecabedrijf. De verhuur van de wijnbar (550 euro, dagdeel), van de grote Balzaal (2500 euro per dag) en de naastgelegen, kleinere salon (1500 euro) moet geld opbrengen. De inkomsten worden bestemd voor een goed doel, ‘en dat is natuurlijk ons museum, zodat wij de 20 procent vennootsschapsbelasting ontlopen.’ Er zijn inmiddels 150 boekingen.

Bremer: ‘We zijn er vroeg bij, want ik denk dat de overheid steeds minder geld voor musea zal vrijmaken als ik Plasterk goed beluister.’ Ook de verbouwing van 12 miljoen is voor de helf ‘uit eigen middelen’ betaald. De exploitatie gaat 10 miljoen per jaar worden; Bremers doel is 200 duizend bezoekers het komend jaar.

Bremer houdt zoveel mogelijk in eigen hand. Voor de nieuwe inrichting tekende hij zelf met twee jonge ontwerpers. Hij werkt liever met ‘adviseurs’ dan met een vaste staf. ‘Dat is veel intenser, die wisselende teams.’ Voor de openingstentoonstelling Oceanië. Tekens van riten, symbolen van gezag huurde hij de ervaren curator Frank Herreman in, die dezelfde tentoonstelling een jaar geleden in het ING Cultuurcentrum in Brussel inrichtte. Voor een paar bruiklenen moest Herreman bij de reprise in Rotterdam vervanging zoeken. Die vond hij in het depot van het museum, zegt Herreman. Hij vindt de Oceanië collectie in Rotterdam uniek van kwaliteit. Daarom bestaat ook de helft van de vaste tentoonstelling uit Oceanische kunst, zegt Bremer.

Bruiklenen blijven belangrijk. In 2007 veroorzaakte de verzamelaar Piet Sanders opschudding door zijn bruikleen van vijftig topstukken Afrikaanse kunst terug te trekken uit het Wereldmuseum. Hij vond dat ze te weinig werden getoond. Bremer, grappend: ‘Die komt wel terug als hij het museum nu ziet.’

Maar dat hoeft van hem eigenlijk niet. Hij heeft nu een heel andere opvallende bruikleen: boeddhistische kunst uit Tibet, China en Japan. Van een Nederlands-Zwitserse familie die anoniem wil blijven. Die familie was onder de indruk van de tentoonstelling over Tibet, de laatste in het oude museum. Dat de Chinese ambassade kritiek had, hielp in dit geval ook, volgens Bremer. Maar bovenal vond de familie bij Bremer ‘een gedeeld karma’. Niet dat hij zelf erg zweverig is, maar hij gelooft wel dat ‘er iets magisch is dat je in alle godsdiensten terugvindt’.

Nu staat het Tibetaanse tempelinterieur te pronken op de bovenste verdieping. Gastconservator Sjoerd de Vries is verrukt: nergens is een tempelinrichting zo compleet bij elkaar gespaard. Dat komt omdat de familie al eerder dan de jaren vijftig met verzamelen begon, nog voor Tibet door China werd overrompeld, zegt hij. Er is toen veel vernield, nog eens in de jaren zestig tijdens de Culturele Revolutie, en Tibet werd door de Chinese regering van de buitenwereld afgesloten. Nog steeds.

Zo doemt in dat verhaal van de rondleider toch de actualiteit op, die zo drastisch uit het museum is verwijderd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden