In openluchtkroeg het Amsterdamse Oosterpark schuiven de mensen aan om tijd te verdrijven

Op een bankje in het park met een halve liter

Op de bankjes in het Amsterdamse Oosterpark zit een grote groep alcoholisten. De gemeente ziet ze graag vertrekken. Zelf zouden ze ook liever ergens anders zijn, maar uit het park komen, lukt maar een enkeling.

Ad en Max in het Oosterpark. Ad: 'Hoe kunnen wij u helpen?' vroegen ze.' Hij vindt het een idiote vraag. Beginnersniveau voor een doorgewinterde klant zoals hij Foto Marlena Waldthausen

Fred Schiphorst haalt haast plechtig een tekening voor een nieuwe tatoeage uit zijn witte afkickklapper. Over twee dagen neemt hij die mee naar de ontwenningskliniek in Den Haag. 'Deze wil ik laten zetten als ik weer thuis ben, want dan begint het pas.' Hij houdt de tekening van een davidster, met daarin een hartje en een kruis voor zijn blote borst. Het moet hem herinneren aan waar hij vandaan komt, dat zijn leven niet altijd was zoals het nu is. De davidster staat voor zijn joodse moeder. Het kruisje is voor zijn christelijke vader. Hijzelf is het hart.

Minstens twee maanden zal hij weg zijn van de verleiding van het Oosterpark. Zijn vrienden met wie hij iedere dag bier drinkt op de bankjes zal hij niet zien in die tijd. Of hij ze daarna nog ziet, hij acht het onwaarschijnlijk; het dagelijkse drankgelag zal hij moeten mijden. 'Het gebeurt meestal dat je vrienden kwijtraakt als je gaat afkicken en eenzaamheid maakt me bang. Maar ik moet knokken voor mezelf. Ik wil niet in het ziekenhuis belanden. Ik kan doodgaan en dat wil ik niet.' Zijn alvleesklier, nieren, lever, bloeddruk en longen hebben zwaar te lijden gehad onder dertig jaar verslaving. Van de heroïne en sterke drank kickte hij al eerder af. Nu drinkt hij bier, vanaf het moment dat hij wakker wordt tot hij gaat slapen.

Op zijn tanige bovenlijf staan de herinneringen aan een moeizaam leven getatoeëerd. 'No more alcohol', prikte Henk Schiffmacher in 2009 al in zijn onderarm na een eerdere afkickpoging. De tekening op zijn borst herinnert aan zijn tweede vrouw Marrie. 'Love my life', staat eronder, als een gebod aan zichzelf. 'Toen wilde ik ook dood. Acht jaar geleden is Marrie overleden aan darmkanker. De dokters zeiden dat ze overleed aan een infectie. Nou, ik wist heel goed dat het darmkanker was.' Hij spreekt moeilijk te verstaan verder. Het verdriet klauwt naar zijn ogen, nu twee vijvertjes achter zijn bril. 'Ik huil niet. Ik wou dat ik kon, echt huilen. Maar soms dan zie je tranen. Er zit veel onverwerkt verdriet.'

Hij kijkt opzij, naar het bankje waar de andere alcoholisten met hun halve liters zitten. Fel: 'Zij hoeven dat niet te zien.' Weer geblader in de klapper. In een plastic hoesje zit een risico-toptien die hij na de intake moest invullen. In hoekig handschrift staat op één het Oosterpark, als plek om weer naar het bier te grijpen.

Schiphorst is een van de oudgedienden uit de grote groep alcoholisten die al jaren elke dag in het Amsterdamse park zit. Hij kent iedereen en zij kennen hem. Vanuit de hele stad strijken mannen en een enkele vrouw neer op de zwarte bankjes. Hoe mooier het weer, met hoe meer ze zijn: alles beter dan thuiszitten. Anders dan vaak gedacht wordt, zijn ze niet dakloos maar wonen de meesten in een sociale huurwoning. Maar thuis is het wel eenzaam. Velen hebben al jaren geen werk meer doordat ze ook overdag drinken. Familie is er vaak niet. Of nog erger: is er wel, maar wil geen contact meer vanwege hun allesverslindende verslaving.

Ieder zijn eigen hoek

Als in een soort openluchtkroeg schuiven de mensen aan om de tijd te verdrijven. En net als in de kroeg, hoor je niet zomaar tot de stamgasten. Je moet iemand kennen om te kunnen gaan zitten en mee te kletsen. Zo heeft de groep zich via via uitgebreid in de loop der jaren. De eersten zitten er rond een uur of één 's middags, de laatsten vertrekken rond zonsondergang. De vuilnisbak tussen de bankjes zit dan vol lege halveliterblikken Best Bier of Holger.

Dit jaar identificeerde de gemeente Amsterdam 130 vaste klanten. Te veel voor een park niet groter dan twaalf hectare, vindt zowel de gemeente als de politie, zeker omdat de groep in de groei is. Het handjevol verslaafden heeft in de laatste tien jaar een sneeuwbaleffect op andere gehavenden uit de stad gehad. Sommigen komen nu zelfs uit Haarlem of Zaanstad om in Amsterdam-Oost hun bier te drinken of drugs te gebruiken.

De verdeling van wie waar staat, gaat veelal over etnische lijnen. De groepen mengen nauwelijks; ieder zijn eigen hoek. Er is een groep Surinamers, een groep Somaliërs en Eritreeërs. Bij een klein rotondetje bij een van de ingangen is een groep vooral aan alcohol verslaafde Noord-Afrikanen neergestreken. De drugsgebruikers staan bij elkaar, vaak aan een picknicktafel met een afdakje, daaromheen cirkelen de dealers.

Ze vormen een schril contrast met de nieuwe generatie parkbezoekers: niet meer de arbeiders uit de Dapper- en Transvaalbuurt, maar gezond levende yuppen en hipsters die na hun werk een rondje hardlopen. Toeristen uit de drie hotels aan het park. Vriendengroepen die komen barbecueën of voetballen op de ruim aangelegde grasvelden en heel veel jonge ouders die hun kinderen komen uitlaten, zeker nu de speeltuin en het pierenbadje zijn opgeknapt. Vorig jaar werd het park voor miljoenen verbouwd om het toegankelijker te maken en een minder louche aanzicht te geven.

Het zijn gescheiden werelden, die elkaar ook in het park zorgvuldig mijden. Op de rotonde waar de Noord-Afrikanen staan en aan de drugstafel zit vrijwel nooit een niet-verslaafde buurtbewoner. De paadjes eromheen, donker en met dichte begroeiing, zijn ook overdag geen fijne plek om alleen te lopen vanwege de magere kerels die met bloeddoorlopen ogen de bosjes in- en uitschuiven.

De plek van de Nederlandse alcoholisten ligt precies tussen de speeltuin en het pierenbadje. Daar lopen veel gezinnen. De meeste buurtbewoners zijn aan hun aanwezigheid gewend, maar toch worden kleutertjes voor de zekerheid bij hun kraag gepakt en van de bankjes weggehouden. Er gaan zitten? Alleen in de ochtend zijn de bankjes het domein van de nuchteren.

Barbecue voor de verjaardag van Fred Foto Marlena Waldthausen

Losse Handjes

Al in de jaren tachtig was in het Oosterpark 'Perron Nul', de plek waar de alcoholisten uit de buurt samenkwamen. De aangrenzende Transvaalbuurt was tot laat in de jaren zeventig een ruige achterstandswijk: kleine huizen, veel kinderen, weinig werk. Wie zijn oor op de bankjes te luisteren legt bij de groep Nederlanders - bijna allemaal tussen de 50 en de 60 en veelal opgegroeid in die buurt - hoort verhalen over vaders met losse handjes, overspelige moeders, te weinig te eten, kindertehuizen en jeugdcriminaliteit. Ze lopen er niet mee te koop, het kost moeite om erover te vertellen en alleen als je erover doorvraagt komen de verhalen, vaak weinig coherent en in flarden. Bij elkaar ontstaat een beeld dat doet denken aan een weinig romantische variant van Ciske de Rat.

Lau van Ophuizen, een opgewekte kletsmeier in een scootmobiel, denkt er toch nog wel eens weemoedig aan terug. Het was geen makkelijk, maar wel een overzichtelijk leven, al herinnert hij zich ook dat zijn vader hem lens sloeg als hij weer eens wat had uitgehaald. Ook hij was 35 jaar lang alcoholverslaafd. Nu neemt hij Refusal, een middel dat ervoor zorgt dat je kotsmisselijk wordt van een druppel alcohol. Twee keer per jaar stopt hij even met het medicijn. Met Kerst en tijdens het kroegenfestival Mokum in Meppel, als de Amsterdamse kroegen zich met volkszangers en al naar Drenthe verplaatsen, laat hij zich vollopen, verder drinkt hij niet. Toch schuift ook hij als een van de weinigen nuchter elke dag weer aan, voor de gezelligheid.

Op een bankje iets buiten de grote groep leunt Kees Koopman (62) op een wandelstok met een koperen handje. Uit zijn meegebrachte boxje klinkt klassieke muziek. 'Ik heb hier leren lopen, ik kom al mijn hele leven in het Oosterpark.' Nee, niet altijd met bier natuurlijk, dat begon pas later, zegt hij. 'Dat kwam nadat ik bij een woedeuitbarsting mijn rug tot pap had geslagen tegen een gipsen deur. Nu heb ik altijd pijn en al 25 jaar krijg ik geen hulp. De dokter zei dat ik alleen een middenhandsbeentje heb gebroken.' Het dreef hem naar de heroïne en naar de alcohol, zegt hij. 25 miljoen wil hij daarom van de dokters. Hadden ze toen zijn pijn en zijn klachten erkend, dan had zijn leven er heel anders uitgezien, is zijn redenatie.

Praat je verder, dan blijkt dat Koopman met heel wat instanties en mensen een appeltje te schillen heeft. Met artsen, met rechters, met de kinderbescherming die zijn twee kinderen uit huis plaatste. 'Ik heb eigenlijk met iedereen ruzie', zegt hij van onder zijn vanillevlagele zomerhoedje. 'Maar wat wil je, als ze je kinderen van je afnemen, om altijd te leven met pijn? Is 25 miljoen dan genoeg? Vraag het maar eens aan iemand, of dat genoeg zou zijn om je kinderen niet meer te zien.'

Kees: 'Ik heb hier leren lopen, ik kom al mijn hele leven in het Oosterpark.' Nee, niet altijd met bier natuurlijk, dat begon pas later Foto Marlena Waldthausen

Mocht hij de 25 miljoen ooit ontvangen, zou dat dan wel genoeg zijn om hem het park uit te krijgen? 'Da's een goeie.' Hij denkt even na. 'Nee. Ik geef het aan mijn kinderen als genoegdoening dat ze zonder vader zijn opgegroeid. Dan hou ik een klein beetje zelf en daarvan koop ik een handgranaat. Dan blaas ik die rechters op. En mezelf erbij.'

Die handgranaat, het blijkt een terugkerende thema bij Koopman. 'Zij mijn kinderen afnemen, ik hun kinderen afnemen.' Op dat bankje in het groene park is het makkelijk met een korrel zout te nemen, maar toch doemt ook het beeld van meneer Koopman op, schreeuwend aan een gemeenteloket, bij de rechtbank of in een ziekenhuis. Ooit moest er twintig man politie aan te pas komen, na zo'n vlaag van woede. Hij had een bijl in zijn platenspeler geramd, maar zijn ex-vrouw dacht dat de bijl voor haar bedoeld was.

Lange dagen

Nu is zijn leven minder turbulent, de dagen duren alleen wel eindeloos lang. Hij verveelt zich dood op de bankjes. 'Maar wat moet je anders?' Alle verhalen heeft hij al weleens gehoord. 'Het gaat gewoon heel vaak over hetzelfde. Geld, vrouwen, tabak en voetbal, gek word ik ervan.'

Dat geld is inderdaad een belangrijk thema. De alcoholisten kennen de sociale dienst door en door. Ze weten precies waar ze recht op hebben, wanneer welke toeslag komt. Toch zitten ze altijd in geldnood. Ze hebben vrijwel allemaal een uitkering, maar bij velen gaat een deel van hun inkomen direct naar hun schuldeisers.

Op het grasveldje naast de bankjes zit Annemiek (50) met haar hond, een herder. 'Nee, mijn achternaam zeg ik niet.' Haar bijnaam mag wel: 'Twintig' noemen ze me hier. Omdat ik zou neuken voor 20 euro. Klopt niks van hoor, dat moet je er wel bijzetten.' Ze is een van de weinige vrouwen, een fles rum steekt uit haar rugzak, 'van mijn man'. Dat ze een vrouw is, is juist een voordeel. Als ze weer eens omhoog zit, maakt ze een rondje park. 'Vraag ik aan iedereen die ik het kan vragen een euro. Ik weet van bijna iedereen wanneer ze hun geld krijgen.' Zijn het haar vrienden? Ja en nee. 'We letten hier op elkaar, maar de meesten zien elkaar niet buiten het park.'

Maar ín het park is de sociale verbondenheid sterk. Verveling en hetzelfde lot, maar ook dezelfde achtergrond bindt hen, soms in decennia oude vriendschappen. Zit het tegen, dan zijn er lotgenoten op de bankjes. Niemand die hier oordeelt over eerdere gevangenisstraffen, sjofele kleding, verbroken familiebanden, het hebben van schulden. Niemand die je hier raar aankijkt bij het opentrekken van een halve liter. Ze hebben allemaal 'hun pakkie'.

De voorbijgangers met hun goeie gezondheid, hun dure kleding en hun gepamperde kroost - dat is een andere wereld. Ook nuchter waren de alcoholisten nooit zoals zij. Dat maakt het moeilijk om te stoppen met drinken. De andere kant is zo ver weg; een voorstelling hoe het zou kunnen zijn, is al bijna niet te maken. Schiphorst hoopt dat een AA-groep hem na zijn afkicken helpt om aansluiting te vinden bij de maatschappij. 'Anders red ik het niet.'

Tekst gaat verder onder foto

Fred met zijn pleeghond Foto Marlena Waldthausen

Naarmate de zon verder zakt, wordt de groep luider en de redelijkheid minder. Het gezellige gepraat kan zomaar omslaan in geschreeuw. Naar een groep voorbijgangers: 'De Nijmeegse vierdaagse is die kant op, hoor.' En naar elkaar, veel gemener - ze weten waar het pijn doet. Zo wordt Fred Schiphorst uitgemaakt voor dierenbeul omdat hij zijn stokoude en zeer geliefde hond Layka heeft moeten laten inslapen. Het zou hem handig zijn uitgekomen, zo vlak voor zijn afkickpoging.

Gewelddadig wordt het niet. De steekpartijen die er geweest zijn, waren in het drugsgedeelte van de verslaafdenbocht, bevestigt ook de politie. Toch vinden parkgebruikers dat de verslaafden, dus ook deze groep, overlast geven, blijkt uit een inventarisatie van de gemeente. 'Wij worden als groep aangekeken op alles wat hier in het park gebeurt', zegt Schiphorst. 'Noemen ze ons weer de overlastgevende alcoholisten in de krant. Alcoholisten, ja dat klopt. Maar van overlast kunnen ze ons niet betichten.'

Verslavingshulp

In de winter is er in het Oosterpark een alcoholverbod en staan de groepjes net buiten de parkgrens hun bier te drinken. Maar in de zomer wordt dat weer opgeheven; de buurt wil bij mooi weer ook graag een borrel op de veldjes drinken.

De gemeente moet de grootverbruikers van het park met zachte hand naar de uitgang bewegen, want dwingen kan niet, al is dat wel geprobeerd. Veel verder dan het handhaven van het verbod op wildplassen en openbare dronkenschap kon de politie niet gaan. De agenten hadden het idee dat ze water naar de zee aan het dragen waren, de alcoholisten kwamen alleen maar meer in de financiële problemen, pikten dan bijvoorbeeld aan het eind van de maand weer eens wat uit de supermarkt, maar bleven niet weg uit het park.

Het stadsdeel probeert ze daarom iets te bieden om ze tot verslavingshulp te verleiden. Het niet innen van openstaande boetes bijvoorbeeld of niet dreigen met het korten op de uitkering, in ruil voor een gesprek met de hulpverlening. In 2012 was een van die voor-wat-hoort-watconstructies wereldnieuws. De gemeente betaalde de alcoholisten uit in bier en een tientje loon om papier te prikken in de wijk. Dat project bestaat nog steeds, alleen het bier van de staat is afgeschaft. Mensen die wilden minderen, bleven evenveel drinken omdat het bier nu eenmaal gratis was.

Dit jaar doet het stadsdeel een nieuwe poging om de verslaafden naar de uitgang te bewegen. De hulpverlening is in één werkgroep georganiseerd en behandelt een voor een de casussen. Een monsterklus, met 130 mensen op de lijst. Een keer per week is er een spreekuur in de nabijgelegen Muiderkerk.

Ad (60) is een van de mensen die al geweest is. Een legertje hulpverleners zat aan vierkante tafels om hem heen. 'De politie, sociale dienst, de gemeente, de DWI, schuldhulpverlening, de GGD', somt hij op. 'Tsja... dat gaat dan echt op niveau van de sociale academie. 'Hoe kunnen wij u helpen?' vroegen ze.' Hij vindt het een idiote vraag. Beginnersniveau voor een doorgewinterde klant zoals hij. 'Als ik dat geweten had, had ik mezelf wel geholpen', zegt hij. Hij is net als Schiphorst al decennialang verslaafd. 'Eerst aan de heroïne, dat heb ik ingeruild voor een drankprobleem.' Hij nipt aan een flesje 7up. Ja, die 7up zit er echt in, maar wel vermengd met vieux.

'Ze vroegen ook: 'hoe kunnen wij jou uit het park houden?' Als ik die oplossing had, was ik allang weggeweest. Maar het is de eenzaamheid en de verveling, hier zijn mijn drinkebroeders. Op mijn leeftijd ga je niet snel meer iets anders doen; de toekomst is niet meer wat die geweest is.' Net als aan Schiphorst werd ook hem een afkicktraject aangeboden. Hij denkt er nog over na. Misschien doet hij weer eens een poging.

Naar de kliniek

Op afkickochtend staat Schiphorst al voor zijn huis - een benedenwoning in de aan het park grenzende Dapperbuurt. Het is kwart voor zeven 's ochtends, pas om 13.00 uur moet hij zich melden bij de kliniek in Den Haag. 'Ik was al om vier uur wakker. Ik wil gewoon op tijd zijn.' Hij is al weken bezig met dit moment. Zijn huis hangt vol briefjes voor de tramconducteur die op zijn woning gaat passen en voor de medewerkers van het Leger des Heils: 'Ik ga vandaag naar de afkickkliniek. Van binnen verdrietig en ook ziek.' Hij heeft gedoucht, zich geschoren, al zijn kleren zijn gewassen. Hij heeft nagedacht over wat hij zou aantrekken: een zwarte broek, een zwart colbertje, een wit vestje daaronder en witte gympen en zwarte pet, met 'Amsterdam' erop. Bijna een pak.

Op zijn bagagedrager staat zijn koffertje met spullen voor twee maanden, kleiner dan wat de gemiddelde reiziger meeneemt voor een weekendje weg. 'Ach, wat spijkerbroeken.' Zijn mond lacht van de zenuwen, de rest van zijn gezicht zegt dat alles pijn doet. Denken aan zijn pas overleden hond Layka, denken aan zijn vrouw Marrie, die vandaag acht jaar geleden overleed na een pijnlijk ziekbed. Denken aan wat hem te wachten staat in de kliniek. Denken aan hoeveel vrienden hij gaat verliezen als hij nuchter is. Met zijn fiets loopt hij naar het station. 'Ik ben bang dat ik kritiek krijg. En ik ken er niemand, hoewel dat waarschijnlijk iets goeds is.'

Op het perron zegt hij nog eens hoe nerveus hij is. 'Ik loop te trillen.' Dat komt ook doordat hij op één dag na al een week nuchter is. Een biertje zou het stoppen, weet hij. De kiosken met hun blikjes Bavaria op de perrons lonken, maar hij doet het niet. De deuren van de trein schuiven dicht. Hij zwaait met dezelfde plechtigheid waarmee hij twee dagen eerder zijn tattootekening uit zijn tas haalde.

Nog geen week later is Schiphorst terug in het park, een halve liter in zijn hand. Licht gebogen, zijn ribben doen pijn. De avond van zijn terugkeer naar Amsterdam ging hij weer aan het bier. Zo veel dat hij 's avonds in zijn huis onderuit ging. Hij paste niet in de groep, verklaart hij. 'Je moest je levensverhaal vertellen, dat was voor de groep te heftig.'

We hadden toch gezegd dat je binnen een week weer terug zou zijn, klonk het op de bankjes op de dag van zijn terugkeer. Dat genoegzame gelijk moet Schiphorst maar slikken. Over een maand doet hij een nieuwe poging, maar dan met individuele begeleiding. 'Je moet erin blijven geloven.'

Maar voor het zo ver is, viert Schiphorst nog zijn 64ste verjaardag, net als altijd weer in het park. Zijn vrienden komen aan met cadeautjes: een shirt, een nieuwe pet, een tientje in een verjaardagskaart. Schiphorst heeft 10 kilo halalkippenpoten gekocht. Thuis heeft hij ze gemarineerd - 'was het nou ketjap of ketchup?' - en voorgekookt. Met trillende handen, hij heeft nog niks gedronken met het oog op zijn nieuwe afkickpoging, legt hij de poten op een geïmproviseerde barbecue. Even later gaat de eerste halve liter weer open.

Meer over