In mineur

De sneeuw is afgedropen op de dag dat ik dit schrijf. De tuin, die weer tevoorschijn kwam, ligt er haveloos bij. Mistroostig bruin overheerst. Dode stengels steken uit bloempotten. De schutting is weer meer vermolmd. De witte kiezelsteentjes onder het ijzeren prieel zijn dof geworden. In de lucht ligt de vorst op de loer, een kwakkelvorst die zich alleen 's nachts vertoont. Overdag kruipt de waterkou in mijn kleren. Het is weer om ineengedoken te zitten en Reve's Werther Nieland en De ondergang van de familie Boslowits te herlezen.


Met de dagen omstreeks half december weet ik nooit goed raad. Het jaar loopt ten einde en brokkelt onder mijn vingers af. Levenslust en moed zinken me tijdelijk in de schoenen. Het schrijven wil ook niet erg en blijft steken in een eindeloos lijkende aarzeling. En als het desondanks gebeurt, moet ik ervoor oppassen dat ik mijn stemming niet zwaar aanzet. In een tv-recensie schreef Jean-Pierre Geelen onlangs over een nuchtere, indringende documentaire 'zonder opzichtig effectbejag, al moeten donkere pianoklanken in levensverhalen als vormcliché worden bijgeschreven op het lijstje mistige landschappen, strandwandelingen en strijkklanken.' Ik vrees dat ik in het voorafgaande wat dat betreft mijn boekje al te buiten ben gegaan. Nu ja, hier zit ik, ik kan niet anders.


Op dagen als deze valt het niet moeilijk om aan de dood en de doden te denken. Met op de achtergrond het geluid van strijkklanken denk ik aan Rudy Kousbroek, wiens heengaan dit jaar niet alleen door de dierenwereld werd betreurd. Iedere keer dat ik door de Lairessestraat in Amsterdam loop en lijn 16 komt langs, doemt hij op in het mistige landschap van mijn herinnering. In die tram zaten we vaak als de dag op de middelbare school erop zat. Ik voel de zomer nog om ons heen. Ik pak Stijloefeningen uit de kast, Rudy's weergaloze omzetting in het Nederlands van Raymond Queneau's Exercises de style. Queneau vertelt hierin een op het oog onbeduidend en onsamenhangend verhaaltje, dat zich afspeelt in Parijs op buslijn 84, in steeds andere vorm. Kousbroek verplaatste het geheel naar Amsterdam. Het Gare Saint-Lazare dat bij Queneau een rol speelt, veranderde in het Concertgebouw, het Cour de Rome in het Jan Willem Brouwersplein, lijn 84 in lijn 16.


'Waarom lijn 16?', schrijft hij in zijn inleiding tot het uit 99 varianten van het verhaal bestaande boek. Omdat de overeenkomst in begin jaren vijftig met buslijn 84 groot was. 'Op de bijwagen bevond zich een fluitkoord, waarmee aan de bestuurder van de motorwagen het signaal kon worden gegeven van 'rijen maar'. Op de vroegere Parijse autobussen was het een ketting, eindigend in een houten bal, waarmee een belletje in het compartiment van de chauffeur werd bediend.'


Een rijdende lijn 16 is tegenwoordig, evenals lijn 84, hermetisch van de buitenlucht afgesloten, maar vroeger hadden beide een open achterbalkon, op de tram 'gescheiden van de rest van de wagon door middel van een schuifdeur (...). Wanneer er passagiers bij waren gekomen, opende de conducteur een in die schuifdeur aangebracht metalen luikje, dat daardoor veranderde in een miniatuur loketje, en dat tikte hij met zijn knijptang op het frame. De plaatsbewijzen alstublieft!'


Ach, waar zijn de trams van weleer, waar is onze jeugd en (donkere pianoklanken) waar is mijn vriend gebleven?


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden