'In mijn leven heb ik van niets meer gehouden dan van mijn schilderijen'

Zijn wereld is langzaam en stil. Tot in zijn appartement een sensationele kunstschat wordt ontdekt. Nu bejaagt de wereldpers hem. 'Ik ben Boris Becker toch niet?'

Nog nooit had iemand het nachthemd van Cornelius Gurlitt gezien, tot die dag in februari 2012, toen het slot het begaf en ze naar binnen marcheerden, de vreemden, zoals hij ze noemt. De opsporingsambtenaren van de douane en de medewerkers van het Openbaar Ministerie (OM) van Augsburg.


Zijn appartement was zijn wereld, maar nu waren de vreemden er, en dat waren er een heleboel. Vier dagen lang wikkelden ze zijn leven in doeken, verpakten het in kartonnen dozen en brachten het weg. Veel meer dan duizend kunstwerken in totaal.


Ondertussen moest Cornelius Gurlitt in een hoek gaan zitten en zich niet laten horen. Dus zweeg hij en zag hoe ze de Liebermann van de muur haalden, de Ruiters op het strand, die daar al tientallen jaren hing. De Chagall uit de afgesloten houten kast, de Pianiste uit de hal. Niets lieten ze achter. Ook niet de kleine koffer met zijn lievelingswerken, de collectie op papier, die Gurlitt avond na avond uitpakte om te bekijken, soms wel een paar keer, tientallen jaren lang.


Sinds die dag zit Cornelius Gurlitt alleen in zijn kale woning, in het witgeverfde appartementengebouw in de stad die hij zijn gevangenis noemt: München. En sinds het tijdschrift Focus twee weken geleden de inbeslagname onthulde, staat de verzamelde wereldpers beneden voor zijn huis. Zodra hij de deur uit komt, barst het geflits los, alsof hij een oorlogsmisdadiger is.


De werken vormen een sensationele kunstschat, schilderijen van Marc Chagall, Max Beckmann, Franz Marc, Pablo Picasso en Henri Matisse. De mysterieuze verzameling is afkomstig uit de nalatenschap van zijn vader Hildebrand Gurlitt, de in 1956 overleden kunstcriticus, museumdirecteur en handelaar, een van de mannen die in Duitsland de moderne kunst op de kaart zetten en die na 1933 zaken deden met de nazi's. De vraag is ook of Hildebrand Gurlitt onrecht heeft gepleegd. Op hoeveel schilderijen de zoon recht heeft, weten op dit moment noch het OM en de wetenschappers, noch de politiek. En ook Cornelius Gurlitt weet het niet. Hij wil alleen weg van deze plek, waar hij wordt opgejaagd.


Vrienden

Zo veel schilderijen, zo veel raadsels. Roofkunst? 'Ontaarde kunst'? Van wie zijn die schilderijen? Hoe zijn ze in dat appartement in Schwabing terechtgekomen? En hoe ga je met dit alles om: met de erfgenamen, die ze voor zichzelf opeisen? Met het onrecht dat destijds heeft plaatsgevonden? En met het onrecht dat hem nu eventueel wordt aangedaan, Cornelius Gurlitt, de erfgenaam van een collectie van twijfelachtige herkomst?


Hij praatte met zijn schilderijen, ze waren zijn vrienden, die hij in het echte leven niet had. Hij zag het als zijn opdracht in het leven om de schat van zijn vader te bewaren. In de loop van decennia heeft hij daarbij de realiteit uit het oog verloren.


Afgelopen dinsdag zit Cornelius Gurlitt in de kindercoupé van een ICE (hogesnelheidstrein, red.). Tien dagen heeft hij in zijn bijna donkere woonkamer doorgebracht en niets gedaan. Hij heeft nauwelijks kunnen slapen, zegt hij, en als hij sliep, werd hij door nachtmerries geplaagd. Soms zette hij de radio aan en en weer uit.


Gurlitt is onderweg naar zijn arts in een Zuid-Duits provinciestadje. Hij drinkt thee uit een koffiekopje, soms strijkt hij over zijn wit geworden haar. Drie dagen is hij onderweg, een trieste reis. Hij zegt: 'Ik ben Boris Becker toch niet? Wat willen die mensen van mij? Ik ben toch maar klein en stil. Waarom maken ze foto's van mij voor die bladen, waarin ze anders alleen figuren uit de demi-monde afdrukken?'


Gurlitt begrijpt niet waarom de mensen zo veel belangstelling hebben voor dat wat hij zijn privébezit noemt. Hij heeft het over de geboden uit de Bijbel: gij zult niet stelen; gij zult niet liegen; gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort.


'Ik had gewoon niet op ze gerekend', zegt hij, doelend op de vreemden. Het is wel een beetje zijn eigen schuld, dit 'fatale ongeluk', het afscheid van het erfgoed van zijn vader. Hij had het moeten beschermen, zegt hij, zoals zijn vader dat heeft gedaan, tegen het vuur van de nazi's, tegen de bommen, tegen de Russen, tegen de Amerikanen. Voor Cornelius Gurlitt was zijn vader een held, en hij zelf is nu de mislukkeling.


Zwitserse grens

Hij was zijn leven lang zoon en erfgenaam. Voor hem was het zijn taak om de nalatenschap van zijn vader te behoeden. Hij zegt dat hij er nooit over heeft nagedacht dat er in zijn woning van 100 vierkante meter kunst lag opgeslagen die misschien helemaal niet van hem was en die misschien had kunnen helpen om een klein beetje goed te maken wat het nationaal-socialisme had aangericht.


'Als ik ergens anders had gewoond, was dit gewoon allemaal nooit gebeurd.' Ergens ver weg van de Zwitserse grens, waar hij in 2010 in een trein de aandacht trok van de rechercheurs van de douane. Weg van de Münchenaren, die hij nog nooit echt vertrouwd heeft.


De hele misère is de schuld van zijn moeder. Zij was degene die na de dood van zijn vader in Schwabing wilde gaan wonen. Ze droomde van de bohème, van welgestelde mensen die niet op het geld van anderen uit waren. Cornelius was toen 27, een jonge man die niet graag beslissingen nam. Geen krachtige figuur, heel anders dan zijn vader. Iemand die niet graag leidde, maar geleid wilde worden. Hij vertrouwde zijn moeder. Nu, 53 jaar later, zegt Cornelius Gurlitt: 'Ze had ongelijk.'


Voor hem is München 'de oorsprong van al het onheil'. 'Hier is de beweging opgericht', zegt hij. Gurlitt praat over het ontstaan van de NSDAP in 1920, over de toespraak van Adolf Hitler in de feestzaal van het Münchense Hofbräuhaus, waar hij het programma van de NSDAP verkondigde. Voor Gurlitt lijkt het alsof het onheil de stad sindsdien nooit meer heeft verlaten.


Het lijkt of Cornelius Gurlitt opgesloten zit in een andere tijd. Een man die is gestopt met televisiekijken toen het tweede Duitse net kwam. Die zijn hotelkamers per brief boekt, geschreven op een typemachine, maanden van tevoren, met het verzoek een taxi te sturen om hem af te halen. Zijn wereld is langzaam en stil.


De ICE gaat de grens van de stad München over. 'Nu is er een beetje stilte', zegt hij. 'Eindelijk.' De afgelopen tien dagen zijn hem niet goed bekomen. Gurlitt wordt eind december 81, eigenlijk heeft hij er altijd van gedroomd om 90 jaar te worden. 'Er zijn mensen die op hun 97ste nog bergen beklimmen, maar ik word niet zo oud', zegt hij. 'Ze hadden toch wel met de schilderijen kunnen wachten tot ik dood was?'


Hij begrijpt niet wat de mensen van hem willen. De schilderijen zijn toch bij het OM, daar moeten ze heen als ze de werken willen zien of er iets over te weten willen komen. Hij weet veel over hun ontstaansgeschiedenis, maar dat wil hij voor zichzelf houden. 'En in mijn leven heb ik van niets meer gehouden dan van mijn schilderijen.' Als je hem vraagt of hij ooit op een mens verliefd is geweest, giechelt hij: 'Ach, nee.'


Afscheid

Gurlitt heeft vele momenten van afscheid in zijn leven achter zich, de dood van zijn vader bij een auto-ongeluk, de dood van zijn moeder, de kanker van zijn zus. 'Het pijnlijkste was het afscheid van mijn schilderijen', zegt hij. 'Hopelijk wordt alles snel opgelost en krijg ik eindelijk mijn schilderijen terug.'


Hij heeft het aan zijn hart. Als hij 30 meter heeft gelopen, moet hij vijf minuten rusten. Hij heeft niet het sterke hart van zijn vader. Zijn hart gunt hem niet meer dan een zorgelijke slaap, tot de volgende afspraak bij meneer de dokter.


De arts die Cornelius Gurlitt vertrouwt, heeft zijn praktijk op honderden kilometers afstand en is internist. Een vriendelijke man. Hij wil de patiënt ervan overtuigen om naar een tehuis te gaan. Als Gurlitt over hem vertelt, zie je de geneesheer-directeur van een privékliniek voor je. In werkelijkheid is het een heel normale praktijk in een zijstraat van een provinciestadje, onooglijk, 'maar met de beste apparatuur van Duitsland', zegt Gurlitt, om te rechtvaardigen dat hij zo'n vermoeiende reis op zich neemt.


De rit met de trein is voor hem een soort korte vakantie. Tweedeklas, ICE, om de drie maanden, 102 euro. Gurlitt zit anders altijd in een rijtuig. Hij wil niet in verlegenheid raken doordat hij andere mensen in de ogen moet kijken. Maar deze middag is er geen plaats in het rijtuig en moet hij een coupé in. Gurlitt wordt onrustig. Hij zit pal rechts naast de glazen deur, zodat het lijkt of de coupé vol is. Naast hem staat zijn rolkoffer.


De afspraak met de dokter is donderdag, maar Gurlitt gaat dinsdag al op pad. Hij draagt een zwart-wit geruit colbert waarin hij verzuipt. Hij is vroeger dikker geweest, maar in de warenhuizen vindt hij niets meer naar zijn smaak.


Hij hoopt dat het publiek gauw zijn interesse voor hem kwijtraakt. Daarom hoopt hij dat er binnenkort iets anders groots gebeurt. Een aanslag misschien. Goeie hemel nee, geen slachtoffers natuurlijk, hij houdt niet van geweld, geen overwinningen van slechteriken, maar misschien verdwijnt dan de meute voor zijn huis.


Hij vertelt veel over vroeger, toen hij geen verantwoording hoefde te dragen en geen beslissingen hoefde te nemen. Toen zijn vader de situatie nog meester was, een voorvechter van de moderne tijd, iemand die de kunst steunde, maar toen toch zaken deed met de nazi's, 'ontaarde kunst' naar het buitenland verkocht en vermoedelijk ook geroofde kunst. En die daar blijkbaar een deel van voor zichzelf hield.


Cornelius Gurlitt denkt terug aan zijn jeugd in Hamburg. Hij vertelt over de camouflagegebouwen voor het luchtafweergeschut, dat Hamburg tegen de bombardementen moest beschermen. Het gezin is vaak verhuisd, altijd achter vader aan. Die had het niet gemakkelijk, omdat hij 'qua ras niet zuiver op de graat was', maar hij bleef altijd vechten en pakte het slim aan. In Hamburg had hij zijn kunsthandel op naam van zijn vrouw gezet, terwijl hij zelf als personeelslid was ingeschreven. Later in Dresden werd de zaak helemaal niet meer ingeschreven en lagen de kunstwerken thuis opgeslagen. 'Mijn vader werd vaak verjaagd. Hij is vaak gevallen, maar stond altijd weer op.'


Als kind al speelde hij tussen Liebermann, Beckmann en Chagall. Zijn vader heeft ze allemaal in handen gehad, hij sorteerde en liefkoosde ze, ze dragen allemaal zijn sporen. Boven het bed van Cornelius hing zijn vader het groene gezicht van Kirchner. 'Hitler hield niet van groene gezichten', zegt Gurlitt. Thuis hadden ze het nooit over de Führer.


Hildebrand Gurlitt zou ook nooit iets van privépersonen hebben gekocht. De schilderijen kwamen uit Duitse musea of van handelaren. Zijn vader werkte alleen met de nazi's samen omdat hij de schilderijen wilde redden van het vuur.


Nu staat de anonieme zoon in het middelpunt van de belangstelling. Het gaat om de verwerking van de Duitse geschiedenis, maar het gaat ook om hem. Hij is de zoon die een schat erfde, maar nooit uitzocht waar die vandaan kwam. Hij moest de verantwoordelijkheid op zich nemen, maar dat is lastig voor iemand die geen verantwoordelijkheid wil dragen. 'Het OM zal wel onderzoeken wat ik terugkrijg', zegt hij. 'Ik heb nog nooit een misdrijf gepleegd en al was dat wel zo, dan is het nu verjaard. Als ik schuldig was, zouden ze me wel gevangenzetten.'


Hij is ook een beetje teleurgesteld over zijn zus Benita, die vorig jaar aan kanker is overleden. Zij heeft hem met de zware last laten zitten. 'Ze was twee jaar jonger dan ik en getrouwd. Ze had mij moeten overleven.' Hij kijkt naar zijn handen, waarmee hij op de tafel steunt. 'Dan had zij het allemaal geërfd en mocht zij zien hoe ze dit geregeld kreeg. Nu is het allemaal zo ellendig.'


Hij moet zo veel vragen beantwoorden waarop hij geen antwoord weet. 'Ik heb nooit wat met de aanschaf van de schilderijen te maken gehad, alleen met hun redding.' Destijds in Dresden hielp hij zijn vader al om de kunstwerken van de Russen te redden. De mensen zouden hem dankbaar moeten zijn. 'Mijn vader wist dat de Russen steeds dichterbij kwamen. Ik ben niet zo moedig als mijn vader. Hij leefde voor de kunst en heeft ervoor gevochten. Het OM moet mijn vader in ere herstellen.'


Toeval

Zo is het leven van Cornelius Gurlitt een doorlopende voorstelling van wroeging en toeval geworden. Toeval dat hij degene is die alles heeft overleefd. Toeval dat hij destijds in de trein stapte met 9.000 euro op zak en door douanerechercheurs op de korrel werd genomen. 'Ik heb nooit iets illegaal en zonder rechten te betalen over de Zwitserse grens gebracht', zegt hij.


Hij heeft het OM een foto van zijn afgebrande ouderlijk huis in Dresden gestuurd. Hij heeft er oude krantenartikelen bij gedaan als bewijs voor de hetze tegen Hildebrand Gurlitt, die tot de 'val van zijn vader' heeft geleid. Het OM heeft gezegd dat ze hem een akte van beschuldiging zouden sturen, maar tot nu toe is er niets gekomen, behalve die 'kwajongens' voor zijn huisdeur. 'Ik ben geen moordenaar, waarom jagen ze op me?'


In een brief is aangekondigd dat hij enkele kunstwerken terugkrijgt, maar hij gelooft de officier van justitie niet. 'Ik heb nooit wat van de staat gewild.' Nooit een cent voor een uitkering. Hij betaalt zijn onroerendgoedbelasting altijd op tijd. Verder heeft hij nooit iets met Duitse overheidsinstellingen te maken gehad. Cornelius Gurlitt krijgt geen pensioen en heeft nooit in zijn leven een ziektekostenverzekering gehad. In de herfst van 2011 heeft hij de Leeuwentemmer van Max Beckmann naar veilinghuis Lempertz gebracht. De juridisch adviseur is heel aardig voor hem geweest. Ook met de Joodse erfgenamen van de oorspronkelijke bezitters is alles geregeld. Het schilderij is voor 725 duizend euro verkocht. Gurlitt kreeg er iets meer dan 400 duizend van, de erfgenamen de rest.


Eigenlijk wilde Gurlitt de Liebermann laten veilen, maar hij kreeg hem niet van de muur. 'Toen heb ik de Beckmann genomen', zegt hij. Een mooi schilderij, typisch voor Beckmann. Een centraal werk, maar Gurlitt had dringend geld nodig. Ook toen al reisde hij steeds naar de arts in het provinciestadje.


Taxi

Op de avond voordat hij naar de dokter moet, wil hij om zes uur 's avonds al slapen, om dan om twee uur alweer op te staan. Zijn afspraak is weliswaar pas om 8.40 uur, maar hij heeft die tijd nodig om zich voor te bereiden. 's Morgens bestelt hij een taxi voor de 300 meter naar de praktijk. Bij aankomst staat er 3,40 euro op de meter. Gurlitt betaalt 20 euro, het moet wel lonend zijn voor de chauffeur. De dokter vertelt hem deze ochtend dat zijn hart zwakker is dan anders, maar dat dat door de opwinding komt.


De volgende ochtend staat het voorstel van de Beierse minister van Justitie Winfried Bausback in de krant om in ieder geval met Gurlitt te gaan praten. Het gaat je aan het hart om te zien hoe hij langzaam wanhopig wordt. 'Ze stellen het allemaal verkeerd voor. Ik ga niet met die mensen praten, en vrijwillig geef ik niets terug. Nee, nee.'


Cornelius Gurlitt hoopt dat hij de schilderijen die hem toekomen gauw terugkrijgt. Eentje wil hij er dan nog verkopen. Misschien de Liebermann, als die hem dan toekomt, zoals hij het uitdrukt, voor de ziekenhuiskosten. De rest moet weer terug in zijn appartement. Chagall gaat dan weer de kast in, het schilderij met de pianiste naar de hal.


'Ik heb de schilderijen erg gemist, dat merk ik nu.' Dit is genoeg publiciteit geweest, voor hem en zijn schilderijen, hij zal ze aan geen museum ter wereld meer geven. Die hebben genoeg andere dingen om tentoon te stellen, vindt hij. 'Als ik dood ben, kunnen ze ermee doen wat ze willen.' Tot die tijd wil hij ze voor zichzelf. Dan is er eindelijk weer een beetje 'stilte'.


Cornelius Gurlitt, zijn eerste interview

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden