In martelcentrum Saddam houdt kunst herinnering levend

In de voormalige Rode Gevanenis van de Iraakse dictator Saddam Hussein toont een kunstenaar welke gruwelen Koerden daar ondergingen.

SULEIMANIA - De banaliteit van het kwaad. Een zwart kastje voor stroomopwekking staat op een kaal bureau in een kamer met verweerde muren. Je kunt je voorstellen dat de dienstdoende beambte hier om 8 uur 's ochtends kwam binnensjokken, kop thee in de hand, plaatsnam op zijn kantoorstoel, routineus de knop op 'ON' zette en dan ietwat verveeld begon aan zijn dagtaak: het martelen van de persoon die voor hem hing aan een leidingbuis.


De buis zit er nog altijd, 23 jaar nadat hier in het Rode Gebouw in Suleimania, Iraaks Koerdistan, voor het laatst iemand gefolterd werd. Er hangt geen man aan maar een witte pop, het hoofd gebogen, de voeten 60 centimeter boven de grond bungelend. Twee zwarte draden lopen van het stroomkastje naar zijn oren. De preutse variant. In het echt maakten de beulen van Saddam Hussein de draad meestal vast aan ballen of tepels.


Aso Dalak is een van de velen die zo zijn gemarteld. De Robin Hood van Koerdistan, eind jaren zeventig de roemruchtste van de guerrillastrijders die tegen het Baath-regime van de dictator in Bagdad streden. Hij heeft Amna Suraka, het Rode Gebouw, niet levend verlaten.


Beeldhouwer Kamaran Omar (37) maakte de nabootsingen van martelscènes in het cellencomplex, dat in 2008 werd heropend als het Rode Museum, ter herinnering aan de gruwelen van het Saddam-regime. De tien witte poppen zijn geënt op echte mensen en ware gebeurtenissen, zegt hij. 'Voor zover ze nog leefden, heb ik ze geïnterviewd.'


Sommige plekken heeft hij leeg gelaten. De ruimte waar mannen flessen in hun anus kregen gestopt. De ruimte die bekendstond als de 'verkrachtingskamer'. Kinderen werden er geboren. Ernaast staat het beeld van een vrouw en een peuter, de armen angstig haar moeders been omklemmend.


Een mannenfiguur, één hand aan de muur geketend, heeft Omar geplaatst in een halletje voor de geopende deur van een cel van 4 bij 8 meter. De opstelling was zodanig, dat de tientallen opeengepakte gevangenen konden zien wat hun te wachten stond als ze niet zouden praten.


Aan het complex, drie betonnen gebouwen om een vierkante binnenplaats, is niet veel veranderd sinds het diende als kazerne, gevangenis en martelcentrum van het Baath-leger. Pantserwagens en tanks staan er nog, roestend en wel. De wc's bij de cellen zijn nooit schoongemaakt en op de grond liggen al 23 jaar de wollen dekens van de gevangenen.


Misschien is een daarvan nog gebruikt door Aso Dalak, wie weet. De legendarische verzetsheld werd gearresteerd op 6 september 1979 en stierf drie of vier maanden later. Wat er in de tussentijd is gebeurd, daarvan heeft de familie slechts flarden kunnen achterhalen. Ook de jarenlange speurtocht naar het lijk heeft nooit iets opgeleverd, zegt zijn broer San Saravan (35).


Een medegevangene in het Rode Gebouw had hem horen gillen. 'Ik ben Aso Dalak, ik heb pijn! Zeg tegen mijn ouders dat ik dood ben als ze niets doen.' Kolonel Mulazim Muhsin, Saddams bevelhebber in Suleimania, zou hem persoonlijk beide handen hebben afgehakt.


Als 16-jarige jongen sloot Aso Dalak zich in de bergen bij Suleimania aan bij een linkse verzetsgroep, midden jaren zeventig. Al spoedig betoonde hij zich zo'n bedreven en gewiekste strijder, zegt zijn broer, dat hij de man werd van de speciale operaties. Beroemd waren zijn vermommingen en vermogen de tegenstander te slim af te zijn. 'Als het gerucht 'Aso is in de stad!' rondzong, wisten de mensen dat er iets ging gebeuren. Hij vermomde zich als vrouw, als bedelaar. Iedereen kende Aso, maar niemand wist hoe de echte eruitzag. Er zijn heel wat 'Aso's' opgepakt.


'Af en toe kwam hij thuis, dan bracht hij nootjes mee voor zijn eekhoorn. Binnen een paar minuten was hij weer weg, want de geheime dienst stond altijd meteen op de stoep. Blijkbaar woonde er een verklikker in de buurt. Dan werd mijn vader geblinddoekt meegenomen voor verhoor. Er was voortdurend psychologische druk.'


Beroemd is het verhaal dat Aso kolonel Muhsin belde en zei: ik wil je ontmoeten. Ze spraken af in een restaurant. Muhsin ging erheen met zijn soldaten, maar Aso kwam niet opdagen. De kolonel stapte op en wilde afrekenen, maar de restauranthouder zei dat de lunch al betaald was. 'Door wie?', vroeg Muhsin. 'Door de knaap die naast je zat', zei hij. Dat was Aso!'


'Op een dag werd mijn vader weer naar het Rode Gebouw gehaald. Muhsin keek hem een half uur zwijgend aan. Toen sloeg hij twee bakstenen, die op zijn bureau lagen, tegen elkaar kapot. 'Zo ga ik Aso breken', zei hij. Toen was duidelijk dat Aso was gearresteerd. Mijn vader antwoordde: 'Ik heb vijf andere Aso's voor je klaar staan.''


Dat waren zijn andere zoons, onder wie San - toen net 1 jaar oud.


In 1988 werd een andere broer, Shaho, gedood door Saddams leger. Ook hij was een opstandeling. Ook hij heeft geen graf. Jaren heeft de familie gezocht naar de lichamen van beide zoons. In 1993 kreeg Aso Dalak een standbeeld in Suleimania, 6 meter hoog. Vier jaar later werd het afgebroken, zogenaamd om planologische redenen. In werkelijkheid was het een politieke kwestie, zegt San. Ingewikkeld verhaal. 'Maar hij leeft voort in de herinnering.' De buurt heet nog steeds Aso Dalak. En de bushalte. Tegen de chauffeur zeggen de mensen: Aso Dalak!'


In maart 1991 eindigde het bestaan van het martelcentrum. Terwijl een internationale troepenmacht het Iraakse leger uit Koeweit verdreef, kwamen in het noorden de Koerden in opstand tegen Saddam Hussein. 'De revolutie', noemen de Koerden dat, zonder nadere uitleg. Sindsdien hebben ze hun autonoom gebied.


Saddams troepen hielden in Suleimania het langst stand in het Rode Gebouw. Met honderden werden ze afgeslacht, toen het razende volk hun verzet had gebroken. Stapels lichamen lagen op de bloedrode binnenplaats. Binnen vond de familie een arrestantenfoto van de legendarische zoon. Sporen van martelingen waren zichtbaar. 'De crimineel Aso Dalak', stond op de achterkant.


San Saravan zet, zegt hij, als kunstenaar en filmer de missie van zijn beroemde broer voort. 'Het verhaal is niet af', zegt hij. 'Het huidige Koerdistan is niet waarvoor hij heeft gevochten.'


Voor de Koerdische tv maakte hij een Postbus 51-spotje over martelen. Filmen in het Rode Museum kostte hem geen moeite. 'Het martelcentrum zit toch al in mijn hoofd. Het echte museum is daarvan een grote versie.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden