In Italië woedt een continue oorlog tussen hondenbezitters en niet-hondenbezitters - en die eerste wint altijd

Bericht uit Italië

Twee van de zeven miljoen honden die Italië telt. Foto reuters

Ik stond op een van de zeven heuvelen van Rome te wachten op het vuurwerk, toen pal voor mij een opstootje uitbrak. Een zoon had de sigaar van zijn vader geleend om alvast de fik in wat rotjes te jagen, precies op het moment dat een vrouw langsliep met een bordercollie aan de lijn. De hond begon te piepen, de vrouw te schelden, het jongetje te huilen en de vader te dreigen.

'Wie neemt zijn hond nu mee op Oudejaarsavond', dacht ik, terwijl een Italiaanse vrouw naast mij verzuchtte: 'Wie gooit er nu rotjes op een straat terwijl er ook honden lopen?'

Nu weet ik niet wie er gelijk had, omdat ik totaal geen verstand van honden heb. Dat is de schuld van mijn ouders die mijn jarenlange gezeur om een boxer standaard beantwoordden met: 'Ons huis is te klein', wat achteraf een eufemisme bleek voor: 'Ik heb geen zin om elke dag jouw hond uit te laten.' Wel beloofden ze dat ik een hond mocht zodra ik aangetoond had voor een levend wezen te kunnen zorgen. Als ik, met andere woorden, het hok van cavia Tommie eens per week schoonmaakte, zou er aan het einde van de rit een hond wachten.

Cavia's worden gemiddeld 4 jaar oud, Tommie leefde 12 jaar. Pas toen ik, vele jaren later, besefte slachtoffer te zijn geworden van een magistrale wisseltruc, besloot ik de rest van mijn leven in dienst te stellen van de waarheid en journalist te worden.

En dat brengt mij in Italië waar ik, sinds ik er uw correspondent ben, heb gemerkt dat hier niet alleen een kloof is tussen het zuiden en het noorden, tussen arm en rijk, links en rechts en tussen Juventus en de rest, maar ook tussen hondenbezitters en niet-hondenbezitters.

Sterker nog: tussen die laatste twee woedt een continue oorlog, gestreden door twee enorme legers - Italianen hebben zeven miljoen honden, waarvan één op de vier zelfs in bed mag slapen. Buiten het akkefietje op Oudejaarsavond, was er bijvoorbeeld het Beleg van Genzano, afgelopen februari, waarbij tientallen gelovigen de zondagsmis bestormden nadat de priester hun honden de toegang tot de kerk had ontzegd. De politie sloeg het protest uiteen en er werd gedreigd met gevangenisstraffen tot twee jaar.

Toch is het leger van de dierenliefhebbers uiteindelijk sterker. Dat begreep ik na een oordeel van de rechter in oktober waardoor universiteitsmedewerker Anna verlof kreeg bij de ziekte van haar 12-jarige Engelse setter - een daad waardoor de Italiaanse taal verrijkt is met de term 'pawternity leave', naar het Amerikaanse woord voor poot.

Maar ik begreep het vooral toen verkiezingstijd aanbrak en niemand minder dan Silvio Berlusconi besloot een Italiaanse Partij voor de Dieren op te richten. Italië is weliswaar een land waar men 'wetten toepast op vijanden en interpreteert voor vrienden', maar één wetmatigheid is altijd en overal gelijk: zodra Berlusconi zich ergens op stort, leeft dat onderwerp onder het Italiaanse volk.

Berlusconi met een lammetje Foto reuters

Ik zag het voor mijn neus gebeuren, bij het opstootje waar een inmiddels gearriveerde agente de vader en zoon berispend toesprak, waarop ze beteuterd afdropen. De hondenbezitster bleef triomfantelijk staan en zag het vuurwerk boven Rome uiteenspatten. Misschien was het een voorbode voor de aanstaande verkiezingen, dacht ik, ook al is Berlusconi inmiddels 81 jaar en ook al was het inmiddels 2018.