In het stemhokje van Bagdad duelleren de VS en Iran om de macht

De verkiezingen zaterdag in Irak gaan over veel meer dan binnenlandse politiek. In het stemhokje uiten zich de spanningen tussen de Verenigde Staten en buurland Iran. In Washington zijn ze verliefd op de huidige Iraakse premier. Maar de andere kanshebber geldt als agent van Teheran.

Leden van de Iraakse veiligheidsdienst staan in de rij om hun stembiljetten op te halen tijdens de verkiezingen in Irak. Beeld Getty Images

 Irak gaat naar de stembus op een gevoelig moment: deze week trok Trump zich terug uit het nucleaire akkoord met Iran. Prompt vuurden Iraanse strijders vanuit buurland Syrië raketten af op aartsvijand Israël, een bondgenoot van de VS. Een nieuwe escalatie in het toch al gespleten Midden-Oosten ligt op de loer. Dat merken ze in Irak, het door oorlog verwoeste Arabische land op het kruispunt van invloedssferen tussen Teheran en Washington.

Bijna alles, van de inzet van militie­legers tot de aanleg van een nieuwe snelweg naar Jordanië, is hier aanleiding voor gekibbel tussen de twee grootmachten. Al sinds de Irak-Iran-oorlog in de jaren ’80 klopt Iran aan de grens, net als in Jemen en Libanon. Tegelijkertijd is het olierijke Irak een Amerikaans troetelkind. De grootste Amerikaanse ambassade ter wereld? Die staat in Bagdad. Het waren Amerikaanse militairen die hier in 2003 dictator Saddam Hoessein omverwierpen, zodat Irakezen vandaag ­relatief vrij hun stem kunnen uitbrengen.

In het stemhokje in Bagdad draait het vooral om de vraag: welk buitenland krijgt het hier de komende jaren voor het zeggen? Blijft Irak zich westwaarts richten, naar de Verenigde Staten, of krijgen de sjiitische ayatollahs in buurland Iran meer inspraak?

De Amerikaanse beschermengel

De hoop van Washington is gevestigd op Haider al Abadi, de zittende premier van Irak. Met hem heeft Amerika een ‘liefdesaffaire’, zoals de Century Foundation het onlangs omschreef. Een betere partner in het land van de Eufraat en ­Tigris kan Trump zich inderdaad nauwelijks wensen, en niet alleen omdat Abadi na jaren ballingschap in Londen vloeiend Engels spreekt.

Abadi, die aantrad in september 2014, vlak nadat terreurbeweging IS zwarte vlaggen had uitgerold over eenderde van Irak inclusief de miljoenenstad ­Mosul, slaagde er met hulp van de VS in om IS uit te schakelen: een eclatant succes voor hemzelf, maar ook voor de generaals in het Pentagon. Waar zijn voorganger Nouri al Maliki – hij is gewoon weer verkiesbaar – IS ruim baan gaf door sektarisch gekonkel en corruptie, toont Abadi, opgeleid als ingenieur, zich een nuchtere technocraat.

Hij praat met iedereen, ook met Teheran. Het Amerikaans-Iraanse conflict? Kom daar bij Abadi niet mee aan. Als het aan hem ligt, houdt Irak beide grootmachten te vriend. Zoals hij in een interview met het Amerikaanse weekblad Time zei: ‘We hebben allebei jullie hulp nodig.’

Alleen richt Abadi zich in de praktijk net iets meer op het Westen. Sancties ­tegen Iraakse Koerden die stemden voor onafhankelijkheid, versoepelde hij onlangs na Amerikaanse en Europese druk. Hij en Trump belden vorige maand nog, onder meer om te praten over een mogelijke aanval met chemische wapens in buurland Syrië. Trump zei hem vorig jaar tijdens een bezoek aan het Witte Huis dat het Amerikaanse leger na 2003 ‘nooit had moeten vertrekken uit Irak’.

De agent van Teheran

In Washington kijken ze met afgrijzen naar Abadi’s belangrijkste concurrent: Hadi al Amiri. Iraanser dan hij kan een Irakees niet worden. Amiri, die in tegenstelling tot Abadi nooit een universiteit van binnen heeft gezien, richtte in 1983 de Badr-militie op, een machtig sjiitisch militieleger dat vocht aan Iraanse zijde in de Irak-Iran-oorlog. Hij spreekt vloeiend Perzisch en is goed bevriend met Qassim Suleimani, de leider van de Iraanse Republikeinse Garde.

Diezelfde Iraanse Republikeinse Garde was deze week hoogstwaarschijnlijk verantwoordelijk voor de raketaanvallen op Israël vanuit Syrië. Amiri? Die maakt deel uit van ‘de grand strategy van Iran voor de regio’, aldus een voormalige Amerikaanse ambassadeur tegen ­Foreign Policy.

De opkomst van Amiri, die eerder al minister van Transport was, hangt samen met de groeiende macht van volksmilities zoals de Badr-militie. Deze militielegers, met nu circa 120 duizend geregistreerde strijders, verwierven grote invloed in de strijd tegen IS. Lang niet allemaal, maar wel vaak, zijn ze sjiitisch en pro-Iran. Na de overwinning op het slagveld laten ze zich nu voor het eerst gelden in de parlementsverkiezingen.

Religieus strijdtoneel

Zowel Al Abadi als Amiri is sjiiet. In Irak, een oud land met piepjonge grenzen, na de Eerste Wereldoorlog getrokken door Europese diplomaten zonder aandacht voor religieuze scheidslijnen, is het onderscheid tussen sjiiet en soenniet belangrijker dan dat tussen Washington en Teheran. De soennieten, oververtegenwoordigd in voormalig IS-gebied, zijn politiek van hun macht beroofd na de val van Saddam en slecht georganiseerd.

De VS volgen met belangstelling de windvaan van de Iraakse politiek: de sjiitische geestelijke Moqtada al Sadr. Tussen 2004 en 2011 maakte hij naam met bloedige aanslagen op Amerikaanse militairen. Zijn slogan toen? ‘Nee tegen Amerika.’ Maar Sadr, een politieke opportunist, geldt nu als potentiële coalitiepartner van Abadi. In Washington juichen ze de voormalige aanslagpleger toe, om een eenvoudige reden: hij zegt inmiddels ‘nee’ tegen Iran.

Jemen.
Irak.
Iran.
Syrië.
Libanon.
Saoedi-Arabië.
Israël.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.