In het Stadion was je de koning

Het Olympisch Stadion in Amsterdam is definitief verloren als voetbaltempel. Op 3 april speelt Ajax er voor het laatst een grote wedstrijd....

Onder de betonnen bovenring van het Olympisch Stadion staat bij vak GG mogelijk de oudste kraanwagen van Nederland. De wind slaat door de kabine, waarvan bijna alle ruiten ontbreken. Een laatste restje lucht houdt de versleten banden nog net overeind. Het kenteken, SB-98-30, moet volgens de Rijksdienst voor het Wegvervoer in 1956 zijn afgegeven. Roest heeft zich op veel plaatsen door het karkas gevreten. Maar het vehikel doet nog steeds dienst op het binnenterrein van de NV Het Nederlands Sportpark 'Olympisch Stadion'. Voor de inspectie en het repareren van rot beton.

De kraanwagen symboliseert de teloorgang van het Stadion. Vorig weekeinde betraden voor het laatst Ajax en Feyenoord samen de grasmat, aanstaande woensdag zullen de vier lichtmasten van het monument nog één keer worden ontstoken, bij het Europa Cup-duel van Ajax tegen Panathinaikos. Daarna wordt het stil, want met ingang van augustus zal de Amsterdamse club acteren in het nieuwe onderkomen: de Amsterdam-Arena.

Vanaf woensdagavond ligt de grootste vrijstaande villa van Amsterdam-Zuid er verlaten en doelloos bij. Het geluid van de laatste trap tegen de bal zal over de tribunes verwaaien. En het gejuich zal verstommen zodra de laatste toeschouwers van de tribunes afdalen in de duisternis van de avond. Olympisch Stadion, waarom heeft men je zo liefdeloos laten wegglijden? 'Wie weet het, niemand weet het', luidt het antwoord dat nog steeds de bar van de koffiekamer in het complex siert.

De bouw van het Olympisch Stadion verliep even moeizaam als de procedures die uiteindelijk zullen leiden tot de sloop, die nu onafwendbaar lijkt. Want weliswaar stelde baron Van Tuyll van Serooskerken Amsterdam al in 1912 kandidaat voor de organisatie van de Olympische Spelen, hij handelde geheel op eigen houtje. Het Nederlandse IOC-lid zag zijn jarenlange persoonlijke lobby in 1923 beloond en zette in de beslissende vergadering alles en iedereen voor het blok door officieel namens de Nederlandse regering dank te betuigen voor de aanwijzing van Amsterdam.

Het pokerspel van Van Tuyll wekte grote beroering in Nederland, want sport werd in de jaren twintig nog in lang niet alle lagen van de bevolking geaccepteerd. Vooral het christelijke volksdeel had grote bezwaren. De 'heidense Spelen' zouden de zondagsrust verstoren en ook de deelname van sportende vrouwen werd lang niet door iedereen gewaardeerd. Kamerlid Scheurer van de Anti-Revolutionaire Partij: 'Door de sportmanie aangegrepen, verliest zij haar gevoel voor kieschheid.'

Vrouwenatletiek stond in 1928 voor het eerst op het Olympisch programma en ook de journalisten hadden het daar moeilijk mee. De katholieke Maasbode tijdens het toernooi: 'Toen kwamen voor het eerst de juffies aan de start. Ik kan dergelijk gesjok nog steeds niet appreciëren, maar het moet wel heel mooi wezen voor kenners. De Hollandsche dames misten, geloof ik, het slanke figuur dat nodig is om te zegevieren. Enfin, als ze goed biefstukken kunnen bakken, is dat tenslotte meer waard dan kampioen te zijn over honderd meter hardlopen.'

In dat klimaat was het niet verwonderlijk dat de Tweede Kamer op 6 mei 1925 een wetsontwerp verwierp van dr J. Th. de Visser, minister van Onderwijs in het tweede kabinet Ruijs de Beerenbrouck. Het parlement blokkeerde de voorgestelde subsidie van een miljoen gulden. NOC-voorzitter Schimmelpenninck stond al bijna op het punt de organisatie van de Spelen terug te geven, maar vice-voorzitter Scharroo verzon een list. Het Nederlandse volk zou 'zijn eigen belang beter begrijpen dan een deel van zijn volksvertegenwoordigers'.

Binnen enkele weken werd onder de Amsterdamse bevolking anderhalf miljoen gulden ingezameld. Daardoor kon het ontwerp van architect Jan Wils, die in 1917 met Van Doesburg, Mondriaan en Oud tot de grondleggers van De Stijl behoorde, alsnog worden uitgevoerd. Op 17 mei 1927 legde prins Hendrik, de echtgenoot van koningin Willhelmina, de eerste steen. Ruim een jaar later, op 30 mei 1928 vond de officieuze opening plaats, met de Olympische voetbalwedstrijd Nederland - Uruguay.

Doelman Van der Meulen, aanvoerder Dénis en Puck van Heel waren de bekendste namen in het team, dat met 2-0 van de Zuidamerikaanse titelhouder verloor. Net als de voetbalduels werden ook de Olympische hockeywedstrijden twee maanden vooruit gespeeld. De officiële opening van de Spelen, en daarmee van het Olympisch Stadion, vond op 28 juli plaats. Voetballer Dénis mocht de eed afleggen.

En hoog in de Marathontoren brandde het Olympisch vuur. De oude gaspijp, in 1928 aangelegd om het vuur op de toren te laten branden, loopt nog steeds over de binnenmuur naar boven. Heden ten dage leidt een gammele ladder naar de ruim 42 meter hoge top. Het interieur heeft na 68 jaar veel weg van een vervallen liftschacht. En net als destijds zal zich ook woensdag weer een mannetje via de wiebelende ladders door het mangat wringen om de vlag in de top van de toren te planten.

De IXde Olympische Spelen, met vertegenwoordigers uit 46 landen en 3014 deelnemers (onder wie 290 vrouwen), werden sportief een groot succes. Maar de publieke belangstelling viel danig tegen. Alleen de voetbal- en hockeyfinales en de openings- en sluitingsceremoniën trokken een volle bak. Door de week zat er uitsluitend een 'élitepubliek' op de tribunes, stelde de Volkskrant-verslaggever vast. Hij gaf er een verklaring bij: de meeste mensen moesten overdag werken en hadden geen vakantierechten.

Met zes gouden, negen zilveren en vier bronzen medailles was Nederland bijzonder succesvol. Bokser Bep van Klaveren (vedergewicht), zwemster 'Zus' Braun (100 rug) en ruiter Pahud de Montagne (military) behoorden tot de Olympische kampioenen. Maar ook Jan Wils kreeg het goud omhangen. In de categorie bouwkunde werd hij eerste met het ontwerp voor het Olympisch Stadion. Kunstzinnige concoursen, ook in beeldhouwen, schilderen, muziek en literatuur, waren in die dagen officiële Olympische onderdelen.

De Volkskrant bejubelde de triomf van Wils aldus: 'Ging er ooit een Nederlandsche vlag met meer emotie aan den middelsten mast omhoog dan op het oogenblik toen het Cérémonie protocolaire olympique had verkondigd dat aan Jan Wils den eersten prijs was toegekend in het kunsttournooi? (...) We zijn weer even een groot volk geweest.'

Die emotie van toen slaat nu om in verbazing bij het betreden van de catacomben. Daar staan nog oude massagetafels uit 1928 in een hoek. Op de binnenkant van een deur zijn met krijt wielmaten opgeschreven. Het rennershome, voor het laatst nog in 1979 in gebruik, oogt desolaat. Arie van Vliet en Jan Derksen hebben hier ooit hun eigen kamer gehad. Maar sindsdien heeft de tand des tijds toegeslagen. De waterleidingen liggen open, kranen zijn verwijderd, evenals de douchekoppen. Niets wijst in dit deel van het Stadion meer op menselijke aanwezigheid.

Voor de oorlog lag dat wel anders. Tot 1936 was het Olympisch Stadion het onbetwiste sportmonument van Nederland. Ook op cultureel en maatschappelijk terrein bleek het een belangrijk nationaal podium. In 1929 werd er een groot regentessespel gehouden ter ere van koningin-moeder Emma, en koningin Wilhelmina vierde er in 1933 haar 35-jarig regeringsjubileum. Prof. dr Mengelberg dirigeerde er het stadionconcert Zaterdagavond, de katholieke meisjesvereniging De Graal organiseerde er een groots opgezet Pinksterspel en de AJC hield er zijn 1-mei-vieringen.

Concurrentie kreeg het Olympisch Stadion pas te duchten in 1936, toen het Stadion Feijenoord werd geopend. De Rotterdamse Kuip kon 64 duizend toeschouwers bergen. Tot dat moment telde Amsterdam slechts één ring, die accommodatie bood aan 35 duizend mensen. Jan Wils ontwierp zelf de betonnen kraag op het Stadion waarmee de capaciteit tot 60 duizend (later dank zij hulptribunes op de wielerbaan tot 64 duizend) werd opgevoerd. In 1937 werd het Stadion heropend.

In die tijd stonden ze al als Blauw Wit-ballenjongen langs de lijn. Piet Koekebakker en Bram Kersbergen (beiden 71 jaar) stonden 'stram in de houding' als het Nederlands elftal in het Stadion speelde. 'De hele buurt was trots op je als ze wisten dat je ballenjongen was geweest', herinnert Kersbergen zich.

Koekebakker maakte in 1938, als junior van veertien, zijn opwachting op de bijvelden van het Stadion. Tien jaar later speelde hij zijn eerste wedstrijd op het hoofdveld. 'Ik heb er eerst een paar keer rondgelopen. Het was erg imponerend. Dat grote stadion maakte op mij, een gewoon arbeidersjongetje, een enorme indruk. In het Stadion was je de koning. Dat gevoel ben ik nooit kwijtgeraakt. Ik snoef er nog steeds mee van binnen.'

Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog draaide het Olympisch Stadion nog op volle toeren. Tot september 1944 trok de sportwereld zich weinig aan van de bezetting en was de belangstelling voor sport zelfs uitzonderlijk groot. Alleen de zogeheten Olympische Dagen werden tijdelijk stopgezet, maar dat gebeurde omdat de Spelen van 1940 en 1944 van het programma werden afgevoerd.

De Olympische Dagen hadden tot doel geld in te zamelen voor de uitzending van Nederlandse atleten naar de Spelen. Atletiek, wielrennen, turnen en ruitersport maakten deel uit van het programma. Het hoofdnummer was echter altijd een voetbalpartijtje tussen een Nederlands bondselftal en een niet al te sterke tegenstander. Oranje stelde nog weinig voor in die dagen.

In totaal werden er negentien Olympische dagen georganiseerd, zeven voor de oorlog en twaalf erna. In 1958 viel het doek voor deze sportspektakels, want ondanks grote namen als die van de voetballers Kraak, Wilkes en Kreijermaat, de atleten Kamerbeek en Blankers-Koen en de wielrenners Schulte en Post bleef het publiek weg. Televisie heette toen al een grote concurrent, die de interesse voor het Stadion als de 'grootste huiskamer van Nederland' deed verflauwen.

De grootste happening in de naoorlogse periode van het Stadion was de troonsoverdracht van Wilhelmina aan Juliana. Drie manifestaties markeerden in 1948 die wisseling van de wacht en de 32-jarige Carel Briels mocht zich de eerste Nederlandse massaregisseur noemen. Op dinsdag 31 augustus vierden 50 duizend toeschouwers het gouden regeringsjubileum van Wilhelmina. Briels liet vijftienduizend stukken taai-taai aanrukken, 'want ik heb 24 duizend medewerkers en die kan ik niet op een droogje laten staan'. In Neerlands tuin, heette het opgevoerde jubileumspel.

Vijf dagen later stroomde het Stadion opnieuw vol, voor Briels' tweede feestavond. Neerlands Sportfantasie was tevens een hommage aan Fanny Blankers-Koen, die die zomer in Londen vier gouden Olympische medailles had verzameld. Na twintig jaar brandde de vlam weer op de Marathontoren. Slijkhuis droeg de fakkel het Stadion binnen en de 'vliegende huismoeder', zoals Blankers in die dagen werd genoemd, sprak namens de gehele Nederlandse sportgemeenschap de belofte van trouw uit aan koningin Juliana. De kroningsdag zelf (6 september 1948) werd eveneens in het Stadion afgesloten. Met een Bal champêtre, zoals Briels het noemde.

De belangstelling voor dergelijke volksfeesten taande in de jaren vijftig, ook al bleef het Olympisch Stadion nog lang het eindpunt van de jaarlijkse bloemencorso van Aalsmeer. De sport bloeide weer op, eerst het wielrennen en daarna het voetbal. En niet te vergeten het speedway ('benzinegeur en natriumschijn', aldus de Volkskrant), dat drie keer per jaar zo'n twintigduizend motorliefhebbers trok.

Onder Dick Bessem, van 1947 tot 1967 directeur, floreerde het Stadion. Koekebakker en Kersbergen kunnen kleedkamer 52, waarvan het gedurende enige jaren succesvolle Blauw Wit gebruik maakte, nog wel uittekenen. 'We hebben daar van alles meegemaakt, het was een jongensdroom', memoreren ze. Ruim een half jaar terug was Koekebakker er voor het laatst. 'Ik raak nog steeds geëmotioneerd door het Stadion', bekent hij. 'Als ik er terugkom, overvalt me elke keer weer een gevoel van kapsones.' En met de borst vooruit: 'Het is ons stadion.'

Voormalig VARA- en RTL-presentatrice Elles Berger spreekt zelfs over 'mijn stadion'. 'Een wonderjeugd heb ik er beleefd', blikt ze terug. De familie Berger, vader Chris was rond 1934 de beste Nederlandse sprinter aller tijden, betrok pal na de oorlog de dienstwoning aan het Stadionplein en was twintig jaar opzichter van het Stadion. 'De woning was begroeid met een wingerd, voor de deur stonden een meidoorn en een Japanse kers. De stadionwoning was een soort boerderij in het hartje van de stad.'

Als ze uit school kwam, rende ze naar huis. Naar het Stadion. Ze nam iedereen mee, vriendjes, vriendinnetjes. Een eigen hut hadden ze, in de winter werden de tennisbanen opgespoten om er te schaatsen. 'We konden ook met een bootje het water op.' Ze reed er al met een jeep en tractor-met-aanhanger rond toen ze elf was. De dranghekken ophalen. 'Voor een wedstrijd kwam iedereen bij ons thuis langs. Mijn moeder zette wel tien keer koffie. Er was in die tijd weinig nodig om een feest te maken.'

Feestelijk is het eigenlijk al lang niet meer. Of het moet het feest der herkenning zijn. In de catacomben liggen de requisieten uit het verleden. Trek een deur open en de geschiedenis valt over je heen. Tientallen trechtervormige luidsprekers, die ooit langs het veld stonden, zijn hier opgeslagen. Opgedoekt in een tijd waarin de klachten over de verstaanbaarheid van de stadionspeaker almaar toenamen. Bijna als vanzelfsprekend viel de Stadion-directie voor Elles Berger. 'Als zestienjarig mms-meisje werd ik de eerste omroepster in een stadion in Nederland. De donkere stem van mijn voorganger was slecht hoorbaar. Men wilde een leuke jonge-vrouwenstem horen.'

Barry Hughes ook. Als jongen van zeventien speelde hij op het bijveld tijdens het Pinkstertoernooi van Blauw Wit met het Engelse West Bromwich Albion. Een paar jaar later belde Piet Koekebakker hem met de vraag of hij naar Nederland wilde komen om voor Blauw Wit te spelen. Hij vond het Stadion direct prachtig. 'Daar werden toch de interlands van het Nederlands elftal gespeeld. Ik vergeleek het met Wembley, ook een monument. Sfeervol was het er', herinnert Hughes zich. 'Vooral die tunnels in de catacomben. Het was net een soort Magical-Mistery-Tour als je daar doorheen liep.'

Lang was hij niet van plan in Nederland te blijven. Op een avond kwam hij op visite bij de familie Berger. Elles speelde piano. 'Ik bleef de hele avond. Later zijn we een paar keer uitgegaan.' Hun huwelijksparty in de foyer van het stadion in 1965 betitelen ze nog steeds als 'een wereldfeest'.

De opvolgers van Stadion-directeur Bessem, eerst diens zwager Mellegers en sinds 1970 Otto Roffel, beleven zwaardere tijden. In 1969 ziet Mellegers al in dat het Stadion nodig aan 'een grote beurt' toe is. Maar het speedway raakt uit de gratie, het baanwielrennen gaat dood en Blauw Wit, DWS en later FC Amsterdam verliezen de concurrentieslag met Ajax. Ook nieuwe initiatieven, zoals popconcerten van Pink Floyd en José Feliciano, blijken geen succes, doordat in het volgens architecten 'luie' Stadion de akoestiek niet deugt.

Dat blijkt overigens geen bezwaar als Gert en Hermien optreden. Het blije, zingende echtpaar trekt nog 35 duizend toeschouwers voor een optreden ten behoeve van het Astma-fonds en de Nierstichting. Vooraf meldt het scorebord al: Gert en Hermien Show 10-0.

Hoe vaak die dubbele cijfers de boeken van het Stadion hebben gehaald, valt niet meer na te gaan. Op hooguit twintig planken, in een ruimte van ongeveer vijftien vierkante meter, zijn delen van de historie van het Stadion opgeslagen. Ongerubriceerd. Als in een grabbelton liggen giro-afschrijvingen, salarislijsten en accountantsrapporten door elkaar. Naast Sportkronieken uit de jaren dertig, toegangskaarten voor bijna vergeten interlands en bewijzen van toegang 'voor invaliden in wagentjes'.

Stille getuigen van de Amsterdam-700-toernooien: rode stropdassen, tientallen Delftsrode bierpullen. Vijf dichtgeknoopte plastic vuilniszakken met suppoostenpetten uit de jaren vijftig. De labels zitten er nog in: pettenmakerij Felix Klardie, Czaar Peterstraat, Amsterdam-Oost. Tussen pakken wedstrijdafrekeningen ligt de koperen bel die bij wielerwedstrijden werd gebruikt als aankondiging voor de laatste ronde. De klepel is al jaren zoek.

Peter van den Berg

Ronald ten Brink

Met medewerking van John Fredrikstadt (voetbalstatisticus) en Maurits Nibbering (kunsthistoricus).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden