analyse

In het onthoofde Haïti is altijd een grotere ramp mogelijk

Na de moord op president Moïse verkeert Haïti – voor de zoveelste keer – in een machtsvacuüm. De bevolking houdt de adem in, de turbulente geschiedenis van het land van vrijgevochten slaven leert dat het altijd nóg erger kan.

De Haïtiaanse president Jovenel Moïse in 2020 in zijn woning in Port-au-Prince, waar hij deze week werd vermoord. Beeld Dieu Nalio Chery / AP
De Haïtiaanse president Jovenel Moïse in 2020 in zijn woning in Port-au-Prince, waar hij deze week werd vermoord.Beeld Dieu Nalio Chery / AP

Haïti, een land met 11 miljoen inwoners op de westelijke helft van het Caribische eiland Hispaniola, heeft sinds woensdag een vermoorde president, een parlement dat al anderhalf jaar buiten werking is, twee interim-premiers – de een stond op het punt te worden vervangen, de ander te worden beëdigd – en een hooggerechtshof zonder voorzitter, omdat die twee weken geleden overleed aan covid-19.

In de creoolse republiek, die in vrijwel alle economische lijstjes onderaan bungelt, blijkt telkens een nog grotere ramp mogelijk. De meest recente vond plaats in de nacht van dinsdag op woensdag en maakte een einde aan het leven van Jovenel Moïse, de 53-jarige president die de afgelopen jaren steeds meer weerzin opriep. De oppositie eiste zijn vertrek, gewapende mannen gingen een stap verder.

Inwoners van hoofdstad Port-au-Prince beschrijven een nacht die doet denken aan de brute ontknoping uit Brian de Palma’s misdaadklassieker Scarface: geen subtiele uitschakeling, maar een allesverwoestend vuurgevecht. Zwaarbewapende huurmoordenaars drongen binnen in Moïses woning in de heuvels boven de stad. Personeel werd vastgebonden, een dochter verstopte zich. Moïse ging ten onder in een regen van kogels, hij werd zeker twaalf keer geraakt.

Haïti was al in veel opzichten een mislukte staat, maar nu is het ook een onthoofde staat. Onder Moïse was de overheid al grotendeels haar machtsmonopolie kwijt. Zonder hem is het zeer de vraag hoelang de laatste manke instituties die nog overeind staan ‘de rust’ kunnen bewaren. Terwijl de politie de klopjacht opende op de daders, bleven de straten van Port-au-Prince woensdag uitgestorven. De Haïtianen hielden hun adem in, wellicht hopend dat de bodem was bereikt.

Tragische geschiedenis

Haïti’s tragische geschiedenis belooft echter weinig goeds. Ruim twee eeuwen geleden leidde generaal Toussaint Louverture zijn volk van slavernij naar onafhankelijkheid. Frankrijks rijkste kolonie, Saint-Domingue, werd in 1804 ’s werelds eerste vrijgevochten ex-kolonie. Maar met de onafhankelijkheid kwam nieuwe rampspoed. Frankrijk eiste compensatie en zadelde de jonge republiek meteen op met torenhoge schulden. Pas in 1947 loste Haïti de laatste franc af.

Vier decennia na de Haïtiaanse onafhankelijkheid worstelde het Spaanstalige oosten van het eiland zich los. Beide buurlanden onderhouden sindsdien een gespannen relatie. De Dominicaanse Republiek behoort momenteel tot de snelst groeiende economieën van Latijns-Amerika, Haïti is nog steeds het armste land in de regio. Volgens de Wereldbank leeft 60 procent van de bevolking in armoede.

Die status heeft het land te danken aan een lange reeks corrupte en autoritaire leiders, natuurrampen en buitenlandse inmenging. Na een periode van Amerikaanse bezetting begin vorige eeuw, volgde van de jaren vijftig tot de jaren tachtig de dictatuur van vader en zoon Duvalier. François ‘Papa Doc’ Duvalier liet zijn beruchte knokploegen, de Tontons Macoutes, zeker dertigduizend Haïtianen vermoorden. De zachtere Jean-Claude ‘Baby Doc’, verwaarloosde het land. De corruptie tierde welig, de bevolking ontbrak het aan alles.

Aan de Dominicaanse kant van het eiland voerde dictator Rafael Trujillo tussen 1930 en 1961 een schrikbewind. De door hem verguisde Haïtianen waren er hun leven niet zeker, het leger slachtte tienduizenden donkere mannen, vrouwen en kinderen af. Ook Trujillo stak geld in eigen zak, maar terwijl het bloed van Haïtianen en politieke tegenstanders vloeide, groeide onder zijn decreten de Dominicaanse economie.

De Duvaliers lieten Haïti berooid en kwetsbaar achter. Aids had er in de jaren tachtig de vrije hand. De eerste democratisch gekozen president na de dictatuur, de priester Jean-Bertrand Aristide, werd afgezet, toen weer aangesteld, nog eens afgezet en uiteindelijk verbannen. De VS speelden, zoals vaker, een grote rol in de turbulente machtswisselingen.

Het afgelopen decennium kende twee presidenten die gouden bergen beloofden, maar bitter weinig waarmaakten. De zanger Michel Martelly wilde Haïti als toeristenparadijs doen herrijzen uit de puinhopen van de aardbeving van 2010. Maar de toeristen bleven weg. De VN-militairen die na de aardbeving werden ingevlogen, brachten cholera mee. In 2016 raasde de orkaan Matthew over het nog amper opgekrabbelde land.

Bananenhandelaar

De bananenhandelaar Moïse beloofde een glansrijke agrarische toekomst. Hij moest in 2016, na vermoedens van fraude, een tweede keer worden verkozen en trad een jaar later aan. Begin dit jaar eiste de oppositie Moïses vertrek omdat zijn termijn erop zou zitten. Volgens hemzelf mocht hij tot 2022 door. De ondernemer wist zijn land niet uit het economische slop te trekken. In plaats daarvan werd hij omgeven door corruptieschandalen. In coronatijd zakte het land enkel dieper het moeras in.

Zijn gebrek aan tastbaar succes compenseerde Moïse met autoritaire trekken. Sinds 2020 weigerde hij nieuwe parlementsverkiezingen te organiseren en regeerde hij per decreet. Via een referendum hoopte hij de presidentiële macht te vergroten. ‘Ik ben geen dictator’, zei hij in februari op televisie, terwijl op straat de politie in gevecht was met demonstranten.

Met het afbrokkelen van de staat ontstond ruimte voor gewelddadige bendes in de wijken van Port-au-Prince. Een ex-politieagent met de bijnaam ‘Barbecue’ terroriseert al tijden de hoofdstad. Volgens critici zou de president warme banden onderhouden met criminelen. Het geweld dat hem omringde, werd Moïse uiteindelijk fataal.

De presidentiële garde bewaakt na de moord de ingang van de presidentiële residentie in Port-au-Prince.  Beeld Joseph Odelyn / AP
De presidentiële garde bewaakt na de moord de ingang van de presidentiële residentie in Port-au-Prince.Beeld Joseph Odelyn / AP

Over de daders wordt volop gespeculeerd; ze zouden Spaans en Engels spreken en van buiten Haïti komen. Over wie de opdracht gaf, is nog niets bekend. De Dominicaanse Republiek sloot woensdag de grens. Premier Claude Joseph, die zichzelf als leider opwierp (al is de vraag of die claim een wettelijke basis heeft), kondigde de staat van beleg af en sloot het vliegveld.

Voor de zoveelste keer in zijn geschiedenis verkeert Haïti in een vacuüm. Die geschiedenis leert: een grotere ramp is nooit uit te sluiten.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden