Openbaarheidsdag

In het najaar van ’45 werd slecht nieuws nog onverdund opgediend

Dinsdag vierde het National Archief weer Openbaarheidsdag. De vrijgegeven documenten uit 1945 geven een indruk van de verwarring waarin Europa de eerste naoorlogse maanden verkeerde.

Sander van Walsum
Twee Nederlandse repatrianten arriveren voor het St. Lucia gesticht te Venlo in april 1945.
 Beeld Nationaal Archief
Twee Nederlandse repatrianten arriveren voor het St. Lucia gesticht te Venlo in april 1945.Beeld Nationaal Archief

Hoe voer je verwachtingsmanagement in zware tijden? Ook in het najaar van 1945 zagen bewindslieden zich voor deze vraag gesteld. Een klein half jaar na de bevrijding wilden zij met een ontoereikende kennis van zaken de Nederlanders zo adequaat mogelijk informeren over het lot van dierbaren die naar het oosten van Europa waren gedeporteerd, dan wel ‘uitgeweken’.

Maar daarbij mochten geen illusies worden gewekt. De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Eelco van Kleffens, koos er dan ook voor ‘het eerlijke verhaal’ te vertellen. Tijdens een door de radio uitgezonden rede in oktober 1945 beroofde hij de luisteraars van de hoop dat nog honderdduizenden dierbaren zouden terugkeren. ‘Dit moge hard klinken voor hen die wachten, het moet echter helaas gezegd worden.’

Koude Oorlog wierp zijn schaduw al vooruit

De ontnuchterende rede van Van Kleffens – waaraan ambtenaren met uiteenlopende opvattingen over de presentatie van slecht nieuws geruime tijd hadden geschaafd – is een van de stukken die tot nu toe niet, of onder voorwaarden, waren in te zien maar die sinds dinsdag – Openbaarheidsdag – in het Nationaal Archief in Den Haag zijn te raadplegen.

De map waarin de gestencilde rede van Van Kleffens en de driftig gecorrigeerde oertekst zijn ondergebracht, geeft een indruk van de verwarring waarin Europa in de eerste naoorlogse maanden verkeerde. Landsgrenzen lagen nog niet vast. Miljoenen ontheemden waren onderweg – soms naar een bekende, vaak naar een onbekende bestemming. En de Koude Oorlog wierp zijn schaduw vooruit.

Ook in de rede van Van Kleffens. In bedekte termen gaf hij blijk van zijn wantrouwen jegens de Sovjet-Unie, die pas in 1942 door Nederland was erkend, maar hij uitte ook begrip voor het feit dat de Russen – formeel nog steeds bondgenoten – niet altijd onderscheid maakten tussen Duitsers en Nederlandse dwangarbeiders. Zeker als die laatsten een Duits uniformjasje droegen. ‘Het was den Russen niet kwalijk te nemen dat zij deze menschen in het gunstigste geval als normale Duitsche krijgsgevangenen behandelden.’

Auschwitz heette nog Oswiecim

De Nederlandse ambassadeur in Moskou, jhr. H. Bosch van Drakestein, veroorloofde zich in zijn ambtsberichten meer vrijmoedigheid – ‘zonder afbreuk te willen doen aan de deugden van onze Sovjet-bondgenoten’. Al in 1944 meldde hij dat Russen die door het Rode Leger waren bevrijd ‘over den Oeral’ waren gedeporteerd omdat ze aan nazi-invloeden hadden blootgestaan.

Russische krijgsgevangenen die door de Engelsen waren bevrijd, verging het niet beter. Op gezag van een westerse diplomaat schreef Bosch van Drakestein dat tienduizend van hen – ‘blozend van gezondheid, opgewekt en – volgens de hier geldende maatstaf – van alles voorzien’ – meteen na hun ontscheping in Moermansk naar ‘concentratiekampen’ waren afgevoerd. De ambassadeur stond hier naar eigen zeggen in zijn rapportages zo uitgebreid bij stil ‘omdat kennismaking met plaatselijke eigenaardigheden en tendensen als deze haar nut kan hebben voor diegenen die te onzent de repatriatie van landgenoten in behandeling hebben’. Ofwel: wie niet netjes omgaat met landgenoten zal dat zeker niet doen met vreemdelingen.

Van de Nederlandse Joden die naar de kampen in Oost-Europa waren overgebracht, was in het najaar van 1945 al bekend dat ‘met groote zekerheid (kan) worden aangenomen dat ongeveer 90 duizend jammerlijk zijn omgekomen’. Over de omstandigheden waaronder dat was gebeurd, werd niet geschreven. Auschwitz werd nog met de Poolse naam Oswiecim aangeduid, en was nog niet het synoniem van industriële mensenvernietiging.

Wel stond vast dat de gevangenen die konden werken waren gescheiden van degenen die dat nog niet of niet meer konden (kinderen, ouderen en zieken), en dat de laatsten naar ‘deathcenters’ waren gezonden. Het woord ‘vergassing’ werd in dit verband niet gebruikt.

Nederlandse repatrianten spreken met leden van de Binnenlandse Strijdkrachten voor het St. Lucia gesticht te Venlo in april 1945. Beeld Nationaal Archief
Nederlandse repatrianten spreken met leden van de Binnenlandse Strijdkrachten voor het St. Lucia gesticht te Venlo in april 1945.Beeld Nationaal Archief

Rantsoen

In juli 1945 waren zo’n 330 Nederlanders, overwegend bevrijde dwangarbeiders, ondergebracht in het Russische (in Polen gelegen) ‘verzamelkamp’ Wrzesnia. Hun commandant, de luitenant-adjudant G.L. Popken, was slecht over hen te spreken. Hij nam een ‘tuchtelooze en negatieve houding en arbeidsschuwheid’ bij hen waar – ‘in Duitschland aangeleerde ondeugden’. Popken onderwierp de mannen aan militair tuchtrecht, ‘hetgeen snel resultaat opleverde wat betreft een grootere reinheid in en rondom de gebouwen, een ordelijk gedrag en een betere uitvoering van werkzaamheden.’

Op de gram nauwkeurig noteerde Popken het karige weekrantsoen (dat de Nederlanders zelf moesten bekostigen). Dat bestond onder andere uit ‘820 gram aardappelen, 220 gram vleesch (inclusief kop, been, long etc.), 150 gram erwten, 25 gram suiker en 10 gram tabak.’ De schaarste had hen er overigens niet van weerhouden de verjaardag van prinses Juliana, 30 april, uitbundig te vieren.

Tussen de grote getallen in de rapportages over repatriëringen valt het dossier op van een Joods meisje dat na de dood van beide ouders was onderbracht bij een gefortuneerde Belgische (niet-Joodse) vrouw die haar, aldus een verslag van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen, ‘met de meest uitstekende zorgen (had) omringd’. Een Nederlandse ambtenaar die haar in Spa had bezocht, stelde vast dat het meisje ‘zeer gemanierd’ was en ‘een beschaafde opvoeding had genoten’. Ze sprak ‘vol liefde over haar pleegmoeder’ – die op haar beurt blijk gaf van ware moederliefde. Overlevende familieleden van het kind meenden echter dat het moest opgroeien in ‘een Joodse majoriteitscultuur’. En zo geschiedde uiteindelijk. Maar uit de uitvoerige correspondentie over deze casus kan worden opgemaakt dat de Commissie voor Oorlogspleegkinderen het graag anders had gezien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden