In het Limburgse Herten wordt de pijp hip gemaakt

Zo'n 25 jaar geleden maakte Koninklijke Gubbels uit het Limburgse Herten 250 duizend pijpen per jaar. Nu zijn dat er nog 35 duizend, voor hippe fijnproevers en tattoo boys. 'We willen de pijp uit de oubolligheid halen.'

Een werknemer van Gubbels. Beeld Marcel Wogram

'Af en toe gaat er een stuk van m'n nagel af', zegt Els Huskens (66), terwijl ze aan een snerpende slijptol een brok bruyèrehout tot een puntgave pijp vormt. Al vijftig jaar werkt ze bij pijpenmaker Gubbels uit het Limburgse Herten, onder de rook van Roermond. Huskens is een van de vier slijpsters in dienst van Gubbels. 'Vrouwen zijn daar toch het beste in', legt directeur Elbert Gubbels (50) uit. 'Fijne motoriek hè. We hebben ook wel eens een man uitgeprobeerd, maar dat werd niks.'

Harry Mulisch rookte er eentje. Net als prins Bernhard. 'Ja, of Dunhill, ook een zeer hoogwaardig pijpmerk', haast Gubbels (50) zich te zeggen.

Pijpenfabrikant Gubbels is de enige nog overgebleven fabrikant van houten pijpen in de Benelux. 'Koninklijke' Gubbels - net als Ahold, Shell en Philips mag de fabrikant het prestigieuze predicaat voeren - produceert jaarlijks 35 duizend pijpen. In 54 stappen - slijpen, lakken, beitsen, wassen, politoeren, et cetera - toveren ze in de werkplaats in Herten een brok gekookt hout om tot sierlijk rookgerei.

Op het hoogtepunt, een jaar of 25 geleden, produceerde Gubbels nog 250 duizend pijpen per jaar. In de fabriek liepen 68 werknemers rond, versus 18 tegenwoordig. 'Een pijp kostte in die tijd misschien 10, 15 gulden. Nu ligt de prijs rond de 100 à 150 euro. We mikken nu op de mannen met de geschoren baardjes in plaats van de mannen met de ongeschoren baarden', vat Gubbels zijn doelgroep samen.

De pijpenslijpers van Gubbels zijn allemaal vrouwen. 'Fijne motoriek hè', zegt directeur Elbert Gubbels. Beeld Marcel Wogram

Bedrijf: Gubbels

Waar: Herten

Sinds: 1872

Aantal werknemers: 18

Jaaromzet: 3,2 miljoen euro

De pijp 'uit de oubolligheid halen', dat is de missie. Vroeger was pijproken iets voor de armen, ondanks de associatie met (al dan niet fictieve) intellectuelen als Einstein, Bertrand Russell en Sherlock Holmes. 'De pijp was de goedkoopste vorm van roken. In de jaren zeventig en tachtig bestonden onze klanten vooral uit mensen die van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat tabak wilden consumeren. Die hadden daarvoor een goedkoop pijpje en goedkope tabak nodig.'

Tegenwoordig richt Gubbels zich op 'mensen die zich willen onderscheiden: de tattoo boys, de hipsters. De pijp is heel erg van nu. Hij is duurzamer dan de sigaar, die steek je aan en dan is hij weg. Het is even een momentje voor jezelf in deze woelige tijden, waarin steeds meer mensen zich terugtrekken in hun eigen virtuele wereld. En in tegenstelling tot een sigaar of sigaret kun je de tabak zelf mengen: wil je Cavendish met Virginia en een noot van vanille, of juist tabak met kersensmaak, rum of karamel? Je kunt het allemaal zelf bepalen.'

In één opzicht is pijproken natuurlijk helemaal niet van deze tijd. Een kwart eeuw geleden rookte nog tegen de 40 procent van de bevolking, nu nog 22 procent. Pijptabak vergroot, net als het roken van sigaren en sigaretten, het risico op allerlei vormen van kanker, nog los van andere kwalen.

Bijna was het in 2012 einde verhaal voor de pijpenfabrikant. In het begin van dat jaar ging het bedrijf failliet. De combinatie van crisis, de tanende populariteit van roken en een dwarsliggende geldschieter kostte Gubbels de kop. Die dwarsliggende geldschieter, dat was Rabobank. 'De bank had een nieuwe accountmanager, die zei: 'Over tien jaar rookt niemand meer'.' Gubbels moest een plan schrijven hoe hij zijn lening binnen tien jaar dacht af te lossen. Dat deed hij, maar de bank was niet overtuigd. De geldkraan ging dicht. Daar zat hij, in zijn hagelnieuwe bedrijfspand in Herten. Bankroet. Op '29 februari 2012, toen heb ik faillissement aangevraagd. Gelukkig is dat een datum die maar eens in de vier jaar voorkomt.' Tot overmaat van ramp was Rabobank net bezig een nieuw kantoor neer te zetten, bijna tegenover het pand van Gubbels. 'Zat ik steeds tegen dat Rabobank-gebouw aan te kijken, ik kon het niet aanzien.'

De familie Gubbels schraapte al haar geld bijeen en wist een doorstart te maken, anderhalve maand na het faillissement. Lenen van de bank doet het bedrijf sindsdien niet meer. 'Alles gaat via eigen geld van de familie. We leggen alle kosten onder het vergrootglas.'

Tegenwoordig verkoopt Gubbels 20 procent van zijn pijpen aan het buitenland: Amerika, Japan, China en Iran zijn grote afnemers. Maar de pijp waarmee Gubbels doorbrak in het buitenland was er bijna niet geweest. In 1956, toen Elberts vader Alfons achttien was, had die een revolutionair idee voor een nieuw soort pijp. In die tijd, legt Elbert uit, bestonden pijpen nog standaard voor 50 procent uit hout, terwijl het ebonieten mondstuk de andere helft besloeg. Alfons, geïnspireerd door de scheerapparaten van Braun, wilde het anders doen: een aerodynamisch strakke en ronde kop, met een verhoudingsgewijs minuscuul mondstuk van eboniet.

'Jong, det is gein piep', was de reactie van zijn vader, Elbert senior. 'Maar mijn vader wilde hem zo graag op de markt brengen. Daarvoor had hij alleen wel een mondstuk nodig. 'Nou,' zei mijn opa, 'dan gaan we samen naar Hamburg mondstukken inkopen.' Onderweg in de trein kregen ze geweldige ruzie omdat mijn opa het helemaal niks vond. Uiteindelijk hebben ze die mondstukken toch maar besteld. Maar op de weg terug van Hamburg zei opa ineens: 'Trouwens ... toen jij in Hamburg naar de wc ging heb ik die mondstukken toch maar afbesteld, want dat is geldverspilling.' Mijn vader pislink natuurlijk.'

Een paar dagen later kreeg de familie Gubbels Amerikaanse klanten op bezoek. 'Amerikanen in Roermond, in die tijd kwam zoiets in de krant. Mijn opa wilde mijn vader graag voorstellen aan de visite. Dus mijn vader stelt zich keurig netjes voor, en laat op dat moment quasi-nonchalant het pijpje dat hij had bedacht uit zijn zak vallen. Die Amerikanen zien dat, vegen prompt de tafel schoon waarop de pijpen lagen die ze hadden uitgezocht en zeggen: 'Dit is de pijp waarover we willen praten'.' De rest is Gubbels-geschiedenis: sindsdien is de Pipo, zoals het kleinood heet, wereldwijd de bestverkochte pijp van het bedrijf.

Hun achternaam, daar zat de familie decennialang wat verlegen mee. Want hoe heette die veertig kilometer ten oosten van Roermond geboren nazi-minister van Propaganda ook alweer, bekend om zijn 'Totale oorlog'? 'De naam Gubbels konden we als bedrijf niet uitdragen vanwege de Tweede Wereldoorlog. Ja, de naam Gubbels komt hier in de regio veel voor en je schrijft het ook anders dan Goebbels. Maar de uitspraak is voor een Duitser of Amerikaan precies hetzelfde. Om met zo'n naam export te plegen, dat is lastig.'

Daarom voerde de pijpenfabrikant na de oorlog vooral andere namen, zoals EGRO (Elbert Gubbels Roermond) of Big Ben, naar hun beroemdste merk pijp. 'Maar dat miste toch een beetje persoonlijkheid. Daarom gebruiken we sinds 2010 weer de naam Gubbels. Misschien hadden we het twintig jaar eerder al kunnen doen, maar voor die tijd toch echt niet.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden