In het hemelsblauw wemelde het van naakte vrouwen

Met rode konen kon de jonge Wolkers terugkomen van museumbezoek. Dat was niet alleen artistieke gretigheid.

Lucas van Leyden Het laatste oordeel, uit 1527. Beeld RV
Lucas van Leyden Het laatste oordeel, uit 1527.Beeld RV

Aan de hand van mijn vader of moeder bezocht ik als jongetje bijna elk weekend een van de Leidse musea - en dat maakte een onsterfelijke indruk op me. Het deftige fluisteren van volwassenen in de duistere zalen, de geur van was op eeuwenoude, krakende vloeren en je eigen voetstappen die hol tussen vitrines weerkaatsten. De maskers, mummies en schilderijen leken wel te stammen uit een toverwereld.

Afgelopen donderdag snoof ik opnieuw de geur op van de was op 'de grote pers' in De Lakenhal. Ik kwam afscheid nemen van Het laatste oordeel van Lucas van Leyden. Omdat De Lakenhal verbouwd gaat worden, wordt deze week het 16de-eeuwse meesterwerk, het absolute topstuk van de stad, op transport gesteld. Het wordt een tijdje uitgeleend aan het Rijksmuseum, u weet wel, gelegen in die stad waar Lucas, maar ook Rembrandt, Steen, Dou en Van Mieris niet werden geboren.

Als jongen van een jaar of 12 liep Jan Wolkers elke zaterdagmiddag in zijn eentje over de Rijnsburgerweg van Oegstgeest naar Leiden. Niet, zoals de meeste volksjongens, om rottigheid uit te halen of te flaneren in de Steenstraat, maar om brandend van begeerte rond te kijken in de stadsmusea. 'Zo, museumratje', zei Jans oudste broer Gerrit tegen hem als hij aan het einde van de middag weer thuiskwam. 'Het straalde gewoon van me af, alsof er een kolenvuur achter mijn wangen gloeide.'

Tijdens de oorlog was Jan meestal de enige bezoeker. Niemand lette op hem als hij door de verlaten zalen van De Lakenhal dwaalde. 'Als ik de suppoosten een zak met suikerbieten had gegeven', vertelde Wolkers mij, 'hadden ze mij zo Het laatste oordeel meegegeven.'

Het drieluik maakte op Jan een verpletterende indruk. Als gereformeerde jongen zag hij uitgebeeld wat zijn vader, met de bijbel in de hand, hem zo vaak had voorgespiegeld: de hemel, het vagevuur en de hel. 'Duivels met bokkenkoppen en met vleermuisvleugels aan hun armen en één grote hangtiet als een gore zak op hun borst met een tepel als een augurk of een afschuwelijk smoelwerk op hun onderbuik waar een lekkende tong uit kronkelde, sleepten de zondaars maar vooral de zondaressen aan een enkel of hun lange slierten haar met hun blanke zondige vlees naar de geopende vurige vlammenmuil van een walvis met drakentanden.'

Onno Blom werkt aan de biografie over Jan Wolkers. Hij houdt daarover een dagboek bij - waarvan we in delen de notities presenteren.

Maar Jan zag nog iets. In het hemelsblauw wemelde het van de naakte vrouwen. Het laatste oordeel was, schreef Wolkers in De walgvogel, 'gewoon een supernudistenkamp'. Daarom nam Jan geregeld een vriendinnetje mee. Dat wees hij dan op een huiselijk aspect van het schilderij: 'Dat alle vrouwen, of ze nu naar de hel of naar de hemel gingen, op elkaar leken. Dat kwam omdat steeds dezelfde vrouw voor al die standen geposeerd had. En dat was natuurlijk de vrouw van de kunstenaar geweest.'

Zo probeerde Jan om meisjes naakt voor hem te laten poseren. Zijn enige vriendinnetje uit die tijd dat ik nog in levenden lijve heb kunnen spreken, herinnerde het zich nog goed. Zij oordeelde tot zijn spijt dat het verstandiger was er niet op in te gaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden