nieuws openbaarheidsdag

In het eerste jaar van de bezetting werden de Duitsers vooral genegeerd

Badgasten op de boulevard van Scheveningen tijdens de Duitse bezetting. Beeld Hollandse Hoogte / Alphons Hustinx

Op ‘openbaarheidsdag’ zijn onder andere archieven uit het eerste jaar van de bezetting vrijgegeven. In Nederland heerste bitterheid over de Engelsen en over de eigen regering. En de Duitsers? Die werden genegeerd.

Elk jaar is het weer een aangename sensatie voor historici en andere belangstellenden met een voyeuristische inslag: de stukken inzien die door het Nationaal Archief in Den Haag voor het publiek worden vrijgegeven. Donderdag 2 januari verviel de vertrouwelijkheid van (onder andere) de notulen van de ministerraad in 1994. Daarin komen thema’s aan de orde als de burgeroorlog in Joegoslavië (waarin Nederlandse VN-militairen verwikkeld waren geraakt), de genocide in Rwanda en de doodstraf – wegens drugssmokkel – van de Nederlander Johannes van Damme in Singapore. Verder zijn de archieven van het ministerie van Buitenlandse Zaken uit de periode 1955-1965 vrijgegeven.

In het jaar waarin de 75ste verjaardag van de bevrijding wordt gevierd, zullen de oorlogsarchieven van het ministerie van Justitie – dat tijdens de Duitse bezetting in Londen was gehuisvest – de grootste attentiewaarde genieten. Ze geven een indruk van de chaotische omstandigheden waaronder de Nederlandse regering bij de nadering van de Wehrmacht Den Haag op 13 mei 1940 verliet, van de ambtelijke kleingeestigheid die binnen het oorlogskabinet heerste, van de gebrekkige informatie over de toestand in bezet Nederland, en van de ‘bijzondere rechtspleging’ waaraan collaborateurs na de oorlog zouden worden onderworpen. Complete, verifieerbare verhalen zal de archiefvorser niet in de stukken aantreffen. Wel voetnoten bij boeken die al zijn geschreven of die nog geschreven moeten worden. En soms ook lekkere roddel en achterklap.

Duitse militairen vermengen zich tijdens de bezetting met Nederlandse burgers, van wie hier enkele in klederdracht, in Hillegom. De exacte datum van de foto is onbekend. Beeld Hollandse Hoogte / Alphons Hustinx

De zomer van 1940

In de vroegste fase van haar ballingschap is de Nederlandse regering er niet helemaal gerust op dat de mensen in Nederland ‘het juiste inzicht’ hebben over haar vlucht naar Londen. Hierover heerste in het land ‘een soort teleurstelling’, rapporteerde de Nederlandse gezant in Bern op gezag van buitenlandse diplomaten die in Den Haag waren achtergebleven. De Nederlanders zouden verbitterd zijn over het feit dat de Engelsen hen in de meidagen niet te hulp waren geschoten, terwijl de RAF sindsdien wel een paar slordige bombardementen op doelen in Nederland had uitgevoerd.

De Duitsers speelden propagandistisch op die stemming in door het bombardement op Rotterdam in verband te brengen met de ‘beperkte besluitvaardigheid’ die het gevolg was van de vlucht van de Nederlandse regering. Generaal Henri Winkelman, de opperbevelhebber van het Nederlandse leger en na de vlucht van de regering de hoogste Nederlandse gezagdrager, protesteerde krachtig tegen deze voorstelling van zaken. Mogelijk in de wetenschap dat veel landgenoten op dat moment geneigd waren hun eigen regering de schuld te geven van het debacle van de meidagen.

Klachten over de Duitsers hadden de gezant in Bern – Johan Bosch van Rosenthal – in juli 1940 nog niet bereikt. De bezetters zouden de Nederlandse mentaliteit ‘wel enigszins begrijpen’, en zagen de NSB niet als hun natuurlijke bondgenoot. Sterker: er zouden NSB’ers zijn gearresteerd ‘wegens het opwekken van onlust’ – onder andere tijdens de zogenoemde Anjerdag (29 juni 1940), toen veel Nederlanders de verjaardag van prins Bernhard aangrepen voor orangistisch vertoon.

‘Slechts de Joden hebben het eenigszins te verduren’, schreef Bosch van Rosenthal. ‘Eenige ruiten van hun winkels zijn ingeslagen of met teer besmeurd, maar deze ongeregeldheden waren meer aan het optreden der NSB te wijten dan aan de Duitschers zelf.’ De bezetters hadden overigens op een vriendelijker onthaal in Nederland gerekend dan hun ten deel was gevallen. Ze werden ‘overal door de bevolking als lucht beschouwd’, en dat viel hun toch wel wat tegen van het Germaanse broedervolk.

Arthur Seyss-Inquart zou een verhouding hebben gehad met Dolly Peekema. Beeld Getty Images

De maîtresse van Seyss-Inquart

In het holst van de oorlog besteedden ministers, diplomaten en ambtenaren van Justitie en het Bureau Inlichtingen opmerkelijk veel aandacht aan de levenswandel van Dora (‘Dolly’) Peekema-Dibbets, echtgenote van een topambtenaar van het voormalige ministerie van Koloniën. Hij was het kabinet naar Londen gevolgd, zij was achtergebleven in Nederland. Daar voegde zij zich – volgens rapportages die vooral op basis van geruchten zijn opgesteld – soepel naar de Nieuwe Orde. Al op 15 mei 1940, de dag waarop Nederland capituleerde, zou zij Duitse officieren hebben ontvangen. Sindsdien zou haar huis aan de Haagse Kijfhoeklaan hebben ‘gedaverd van de orgiën’, waarbij de dochter en een nichtje van Peekema – ‘knappe, eenigszins Indische verschijningen’ – als naaktdanseressen zouden hebben opgetreden. Voor de talrijke rapporteurs stond al snel vast dat Peekema de maîtresse was van rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart.

Dolly Peekema reisde geregeld naar Spanje en Portugal, van waaruit zij vrijelijk met haar echtgenoot in Londen kon corresponderen. Die zou haar onbekommerd hebben voorzien van informatie waarin de Duitsers veel belang stelden. Zij werd in verband gebracht met de aanhouding (en terechtstelling) van enkele verzetsstrijders.

In de nadagen van de Duitse bezetting vluchtten Dolly Peekema en haar dochter via de zogenoemde ‘rattenlijn’ naar Milaan, waar zij voor het eerst van haar leven ondervond ‘wat werkelijke ellende is’. In een bedelbrief aan haar vader, ‘Lieve daddy’, schreef de dochter dat Dolly ‘alle juwelen en bontmantels en zelfs haar briljanten trouwring’ had moeten verkopen om aan de bitterste armoede te ontkomen. ‘Ook je oude poppedijntje is veel veranderd’, schreef de dochter van Dolly. Haar vader reageerde slechts met een eis tot echtscheiding.

In augustus 1945 werd Dolly Peekema overgebracht naar Nederland, waar zij in 1948 werd veroordeeld tot acht jaar gevangenis. Een mild vonnis in vergelijking met de doodstraf waartoe verraadster Ans van Dijk in hetzelfde jaar werd veroordeeld. Mogelijk genoot zij nog enige protectie in de hogere kringen waaruit zij afkomstig was.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden