In het dorp van zijn jeugd koesteren ze Orbáns streken

Terug naar de wortels van de Hongaarse premier

In Felcsút leerde Viktor Orbán als jongen de straatvechtersstreken die hem tot premier van Hongarije hebben gemaakt. Zondag wordt hij vrijwel zeker herkozen. Wie is Viktor Orbán?

De woning van Viktor Orbán, met er rechttegenover de Pancho Arena. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Viktor Orbán komt voorgereden in een gitzwarte Mercedes met geblindeerde ­ramen. Felcsút is zijn tweede thuis. Hij komt hier om de week, de dorpelingen weten ervan. Vanaf de achterbank kan hij het voetbalstadion zien liggen. De bolide draait de parkeerplaats voor VIP’s op. Een beveiliger doet het portier open. De premier van Hongarije stapt uit, trenchcoat losjes over de arm, en wandelt het stadion in.

Voor de toevallige bezoeker oogt Felcsút als een gehucht zonder eigenschappen. Er is een katholieke kerk, één doorgaande weg, een basisschool en een cafetaria waar ze diepvries­pizza’s serveren en bier uit blik.

Het is ook het dorp waar Viktor ­Mihály Orbán naartoe verhuisde toen hij 10 jaar oud was. Kleine Viktor was volgens grote Viktor een rotjoch. ‘Een ongelooflijk vervelend kind’, omschreef Orbán zichzelf. ‘Wijsneuzerig, gewelddadig. Volstrekt niet aangenaam.’ In Felcsút kun je mensen ­tegen het lijf lopen die zich dat herinneren. ‘Een snertkind. Hij had altijd een katapult bij zich’, bromt Pál Szöllöfi (64) die op wedstrijddagen het stadion moet opwarmen met een grote houtverbrander.

Bij de parlementsverkiezingen van zondag kiezen de Hongaren naar alle waarschijnlijkheid voor nog eens vier jaar Orbán. Orbán (54) zit er sinds 2010, en zal bij winst doorgaan tot 2022. De basis voor zijn succes legde hij op de schoolpleinen en trapveldjes van Felcsút, een dorp op een half uur rijden van Boedapest.

Om de band met Felcsút te bekrachtigen schonk Orbán het dorp van zijn jeugd een immens voetbalstadion. De houten gewelven geven de Pancho Arena van binnen de allure van een kathedraal. Er kunnen bijna vierduizend mensen in, oftewel tweeënhalf keer de bevolking van Felcsút. Na de wedstrijd kan hij in zeven stappen thuis zijn: aan de overkant van de straat staat zijn weekenddatsja. ‘Mijn vrouw haat het stadion’, zei hij tegen de Britse krant The Guardian. ‘Ze zegt dat het het uitzicht vanuit het keukenraam verpest.’

In de Pancho Arena zitten deze ­zaterdagmiddag krap vierhonderd bezoekers. Ze hebben thee en dekentjes tegen de venijnige kou, maar iemand is vergeten de sfeer mee te brengen. Orbán verschanst zich in de warme skybox en laat zich de hele wedstrijd niet zien. Ongewenste persfotografen mogen hem hier sinds kort niet meer vastleggen. Het gebeurde te vaak dat een telelens de premier spotte met een investeerder of zakenman – voer voor speculatie en Kremlin-watchen in de Hongaarse pers.

Een 74-jarige verbijt de frustraties op zijn kuipstoeltje. Aan het spel is niet te raden dat de teams uitkomen in de hoogste voetballiga. ‘Het stampt je ziel kapot, dit niveau voetbal’, zegt hij. ‘Ik kom alleen maar om mijn kleinzoon een plezier te doen.’ De man wil geen naam geven, maar verklapt dat hij ooit jeugdtrainer was van de legendarische Feyenoorder József Kiprich. Diens spel, moppert hij, was beduidend prettiger om naar te kijken.

‘Ruwheid van onderaf’

Van binnen is de Hongaarse premier naar eigen zeggen altijd een dorpsjongen gebleven. Tegen een verslaggever bekende hij dat hij ‘een bepaalde ruwheid van onderaf’ nooit heeft verloren. Op een receptie trok een parlementslid ooit opzichtig Orbáns stropdas recht met de woorden: ‘Dat leren we je nog, Viktortje.’ Orbán werd vuurrood. Dit ging hij de onthechte, arrogante elites van Boedapest betaald zetten; zij, FC Orbán, tegen het soepje.

Acht jaar Orbán heeft Hongarije erop zitten. Acht jaar met aan het hoofd een groep mensen die zonder Orbán nooit gekomen was waar ze nu is. Het zijn de mannen met wie hij dertig jaar geleden in hemdsmouwen en spijkerbroek zijn partij Fidesz oprichtte. János Áder bijvoorbeeld, een oude studievriend, en nu de Hongaarse president. Of László Köver, de hondstrouwe parlementsvoorzitter. Met sommigen sliep Orbán op dezelfde studentenkamer. Samen hebben ze het land naar hun hand gezet.

Bij de Orbáns thuis was eind jaren zestig, begin jaren zeventig geen heet water. Wie een warm bad wilde, zette een keteltje op het vuur. Toen hij voor het eerst een badkamer van binnen zag, was hij 15. Vader Gyözö was lid van de Communistische Partij, en werkte als hoofd machinerie in een collectieve boerderij. Als de kleine Orbán niet op school zat, hielpen zijn broertjes en hij op het veld: de varkens eten geven, bieten uit de mulle aarde trekken, maïskolven oogsten. Soms, één of twee keer per jaar, kreeg hij klappen van zijn vader als hij zich had misdragen.

Met zijn opa luisterde Orbán naar voetbalverslagen op de radio. Hij raakte voor het leven verslingerd. Hij ging vier dagen per week trainen en was niet van het veld af te slaan, al moest hij het meer van wilskracht hebben dan van techniek. Met zijn studievrienden Köver en Áder vormde hij een studententeam. Als premier verzette hij een kabinetsvergadering om een oefenwedstrijd te kunnen spelen in Kroatië. Op sommige dagen, gaat het verhaal, kijkt Orbán zes wedstrijden op tv.

De getrouwelingen

De oude basisschool van Orbán in Alcsútdoboz, één dorp verderop, ligt er verlaten bij. Een bord in de schooltuin vermeldt trots een recente renovatie à 16 duizend euro uit de Europese subsidiepot.

Melinda Zsohár (59) is journalist bij de lokale krant. In de supermarkt tegenover het schooltje koopt ze krasloten voor haar moeder. Orbán zat bij haar zusje in de klas, glundert ze. ‘Als hij iets niet snapte, ging hij na schooltijd naar de meester voor bijles. Ging-ie door tot hij het begreep.’ Begin ­jaren negentig was ze erbij toen de studentikoze twintiger Orbán voor het eerst het parlement mocht toespreken. ‘Ik zat als journalist op de publieke tribune. Niet te geloven vond ik het om onze plattelandsjongen daar te zien staan.’ Om voetbal geeft Zsohár niks, maar ze is maar wat trots op het immense stadion.

In een oogwenk is ze naar migratie geswitcht, al jaren Orbáns stokpaardje. ‘De Fransen, Spanjaarden en Britten moesten zo nodig de wereld koloniseren en hebben daar een schuldgevoel aan overgehouden. Wij Oost-Europeanen lijden daar nu onder, terwijl het niet onze schuld is.’ En dat is niet haar enige zorg. Er is ook Orbáns opvolging. ‘Een serieus probleem wordt dat. Hij is charismatisch en maakt makkelijk contact. Ik weet niet wie het zou moeten doen.’

In Felcsút valt in zo’n geval de naam van Lörinc Mészáros, de Dik Trom-achtige burgemeester van Felcsút die tevens de voetbalclub runt. Orbán en hij zaten bij elkaar op school, Mészáros een paar klassen lager. Mészáros volgde een opleiding tot gasfitter, en toch denken maar weinigen dat het zijn kwaliteiten als gasfitter zijn die hem in de toptien van rijkste Hongaren hebben gebracht. De afgelopen jaren bouwde hij een geschat vermogen op van 340 miljoen euro, volgens hem zelf met dank aan ‘de lieve Heer, goed geluk en de persoon van Viktor Orbán’. Mészáros vergaarde een tv-zender en 192 kranten en bladen, de meeste regionaal. Hun berichtgeving volgt trouw de lijn van de regering.

Mészáros en de andere getrouwen van Orbán winnen de ene aanbesteding na de andere in bankwezen, energie, landbouw, media en toerisme. Sinds 2010 haalden ze zeker 8 miljard euro aan opdrachten binnen, vaak met EU-subsidies. Rond veel aanbestedingen hangt de geur van corruptie. Orbáns schoonzoon wordt door OLAF, het anti-corruptieagentschap van de EU, verdacht van malversaties bij een miljoenenklus voor stadsverlichting. Een voormalig voorzitter van de Fidesz-denktank vond alle kritiek onterecht, en zei: ‘Als iets in het nationaal belang gebeurt, is het geen corruptie.’

De wraak

Wie de indruk van Felcsút als een ­modern Potemkin-dorp compleet wil maken, wandelt vanaf het stadion naar het treinperron. Vanaf hier vertrekt meermaals per dag een vuurrood locomotiefje met twee treinstellen. Mészáros en Orbán maakten het eerste ritje, en vertelden aan wie het maar wilde horen dat het treintje een ware magneet zou worden voor toeristen. Dat was twee jaar geleden. Onderzoeksjournalisten hebben sindsdien becijferd dat het treintje meestal zonder passagiers zijn zes kilometers aflegt. Een delegatie van het Europees Parlement kwam recentelijk op bezoek, nieuwsgierig naar waar de 2 miljoen euro EU-subsidie precies aan was besteed.

Er is, zo zeggen ze in Felcsút, een Hongarije vóór Orbán en een Hongarije na. In een tabakszaakje even buiten het dorp staat een vrouw achter de toonbank met een weemoedige blik in de ogen. Uit een boxje klinkt zachte operamuziek. Éva Varga (61) blijkt van het pre-Orbán-tijdperk. Ze was toen zelfs de first lady van Felcsút.

In 2010 won haar echtgenoot György de lokale verkiezingen. Toen Orbán grond wilde kopen voor zijn voetbalstadion, ging de burgemeester dwarsliggen. Dat werd hem fataal. Met een beroep op een haastig aangenomen belastingregeling werd Varga eruit gewerkt. Sindsdien zit hij werkloos thuis en verkoopt Éva Varga aanstekers met plaatjes van rondborstige naakte vrouwen. ‘Het dorp is veranderd. Wij zijn de vijand geworden.’

De politicus Orbán is als de voetballer Orbán. Verliezen is geen optie. Zijn kabinet runt hij als een soort elftal, zo tekent de Hongaarse schrijver Paul Lendvai op in zijn vorig jaar verschenen Orbán-biografie. Een politieke opponent verzuchtte dat Orbán alles tegelijk wil zijn, ‘centrumspits, lijnrechter en doelman’. Geen cadeau­tjes, altijd de beuk erin. Het is een mentaliteit die zijn Europese collega’s terugzien in zijn EU-beleid, onvermoeibaar tekeergaand tegen ­migratie, politieke correctheid en ­liberale heilige huisjes.

In de Pancho Arena is de wedstrijd drie kwartier onderweg. Gábor Izsák (50) heeft nog geen fatsoenlijke combinatie gezien. ‘En in feite steun ik Fidesz door een toegangskaartje te kopen, daar baal ik nog meer van.’ Een omstreden wet stelt grote bedrijven bovendien in staat hun winstbelasting door te sluizen naar sportclubs in plaats van naar de belastingdienst. Orbáns voetbalclub krijgt via dat achterdeurtje jaarlijks enkele miljoenen euro’s aan belastinggeld.

Sommige analisten zijn Hongarije een ‘maffia-staat’ gaan noemen of een ‘hybride’ tussen democratie en autocratie. In de wedstrijd die Orbán speelt, vinden zij, staat de winnaar van te voren vast. Het Constitutioneel Tribunaal is ingekapseld, de kieswet gewijzigd in het voordeel van Fidesz.

Op de tribune koelt geschiedenis­leraar Izsák zijn woede op de andere bezoekers. Hij vindt ze net gedachteloze lemmingen. ‘Pionnen van Orbán eigenlijk.’ Om te laten zien dat hij het meent, vouwt hij beide handen om zijn mond en brult de woorden over de tribune. Niemand kijkt op.

Als Fidesz opnieuw de verkiezingen wint, vervolgt hij angstig, sluiten ze alle oppositiegezinde kranten. ‘Dan vestigen ze echt een dictatuur. Heb je zijn weekendhuisje gezien, hiernaast? Alleen dictators laten een ­gigantisch stadion bouwen naast hun huis.’

De wedstrijd eindigt zoals hij begonnen is, in 0-0. Harde muziek echoot spookachtig over de tribunes die binnen een kwartier leeglopen. Vanaf de straat is de wit gesausde datsja van Orbán goed te zien. Er brandt geen licht. Het is het enige huis in de rij met een Hongaarse vlag aan de gevel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.