In een vreemde volière

Was Andrea Antonius Maria van Agt een wegbereider van het populisme in de politiek – de Johannes de Doper van Pim Fortuyn?...

Piet de Rooy

De macht van een minister-president is in Nederland vrij beperkt. Hij kan wel wat regelen maar bijvoorbeeld geen ministers ontslaan, zoals in Engeland. Eigenlijk is er maar één moment waarop hij zijn volle gewicht kan ontplooien, dat is tijdens de formatie van het kabinet – ook dan is dat overigens nogal ingewikkeld. Vandaar dat in de geschiedschrijving over de Nederlandse politiek altijd bovenmatig veel aandacht wordt geschonken aan het ‘formatiespel’ – een soort combinatie van de klassieke bordspelen Risk en Monopoly. Na de formatie zit een Nederlandse minister-president echter gevangen in een coalitie, doorgaans vooral een verstandshuwelijk dat nog niet uit elkaar gaat vanwege de kinderen. Deze situatie leidt ertoe dat het beleid in Nederland een grote continuïteit vertoont, wat sommigen als ‘stroperig’ verwerpen, anderen als ‘stabiliteit’ waarderen. Deze aard van de Nederlandse politiek wordt weerspiegeld in de historiografie: er is niet alleen de neiging erg veel aandacht te geven aan de formatieperikelen, maar het daarop volgende kabinetsbeleid wordt eigenlijk vooral beschreven als een al dan niet langdurige aanloop naar een breuk in de coalitie en daarmee de opmaat voor een volgende formatie. Dit is ook de grondtoon in de Van Agt-biografie Tour de force, geschreven door drie auteurs die verbonden zijn aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen. Daarin ligt zowel de kracht als de zwakte van dit boek.

~

De grote kracht schuilt in de zeer zorgvuldige reconstructie van de politieke loopbaan van Andreas Antonius Maria van Agt, geboren op 2 februari 1931 (Maria Lichtmis) in Geldrop. We volgen hem in een snelle carrière als jurist, als minister van justitie in het kabinet-Biesheuvel (1971-1973) en in het roemruchte kabinet-Den Uyl (1973-1977). Het scharnierpunt is dan de tragikomische formatie in 1977, die niet zozeer leidt tot voortzetting van een kabinet-Den Uyl, als wel tot drie achtereenvolgende kabinetten onder Van Agt (1977-1982). Voor de ouderen onder ons is het allemaal een feest van herkenning: die wonderbaarlijke opeenstapeling van versprekingen, incidenten, bon mots en Houdini-achtige ontsnappingen uit onmogelijke situaties.

De bekende ankerplaatsen van het geheugen worden aangedaan: de Drie van Breda, broeder Matheus, Bloemenhove, de afwezigheid wegens acute wielrenbehoeften, de VAD, de Lockheedaffaire, de affaire Aantjes en zovoort en zoverder. Van Agt stond borg voor opwinding. Aanvankelijk vond hij dat wel eens onbegrijpelijk of lastig, maar gaandeweg leek het slechts zijn ijdelheid te strelen en legde hij er graag nog een schepje bovenop – zelfs in die mate dat hij soms niet meer leek te weten of hij Van Agt was of hem slechts speelde. Na het verlaten van de landelijke politiek is hij een aantal jaren Commissaris van de Koningin in Brabant en ten slotte vertegenwoordiger van de Europese Gemeenschap in Japan en de Verenigde Staten.

De waardering voor Van Agt liep scherp uiteen. De journalist Hofland blies al eens stoom af: ‘De heer Van Agt is een permanent onheil in de Nederlandse politiek, een kwaal waarvan iedereen de last zal ondervinden die ermee te maken krijgt. (*) Het is de essentie van zijn persoonlijkheid dat hij conflicten en verwarring brengt.’ Daartegenover stond dat de aanhang van het CDA met hem wegliep. En de columniste Renate Rubinstein oordeelde bij zijn afscheid nogal waarderend: ‘Hij was een exotische vogel in onze politieke volière, maar geen querulant, niet een man met een stokpaard. Hij had aan de ene kant iets van een kloosterling die boven het gewoel der tijden staat, en aan de andere kant een gezond verstand, een soort van aardigheid in het leven en laten leven, dat hem populair maakte bij de gewone man. Niet echter bij de pers die iets bekrompens heeft en hem dus mal vond en niet bij links die hem sinister of onbetrouwbaar vond.’

De auteurs van deze biografie spreken zich niet onomwonden uit, maar laten duidelijk merken zich meer in de observatie van Rubinstein dan in het oordeel van Hofland te kunnen vinden. Zo wijzen ze op het feit dat hij een redelijk voortvarend minister van Justitie was, zeer efficiënt de ministerraad voorzat, gezegend was met een aanzienlijk analytisch vermogen, allerminst lui was en over uitstekende contacten in het buitenland beschikte – van Margaret Thatcher tot en met Helmut Schmidt.

~

Zo goed als de wiekslagen van deze exotische vogel gevolgd zijn, zo weinig horen we echter over de volière. En daarmee wordt ons een dieper begrip onthouden over een uiterst opvallende periode in de recente Nederlandse geschiedenis. Om te beginnen is het opmerkelijk dat de grootste crisis in de jaren zestig in Nederland – de pijlsnelle ineenstorting van de katholieke zuil – zo weinig aandacht krijgt. Eigenlijk geen. Van Agt, zo wordt ons in de eerste pagina’s voorgehouden, groeide op in de traditie van het rijke roomse leven: ‘Hij is doordesemd van het katholieke geloof, van binnen en van buiten; hij getuigt daarvan regelmatig en ontleent daaraan kennis en kracht.’

Maar wat betekent dit, juist in die periode, waarin de afbraak van alles wat ooit heilig was in volle omvang toesloeg: in de Volkskrant, in de katholieke vakbeweging, in de kerk, in het persoonlijk leven van talloze katholieken? Waren dit niet de jaren waarin Godfried Bomans schreef dat hij leed onder het ontbreken van de ‘brandgangen naar het verleden, naar het innige en vertrouwde’? Het ontbreken van aandacht voor deze crisis in het katholicisme wekt de indruk dat de vlucht van de exotische vogel zich nogal in het luchtledige afspeelde.

Nog zo’n kwestie waar we toch graag meer van hadden willen horen: de omvorming van drie confessionele partijen tot een CDA (in de jaren 1973-1980). Doorgaans wordt ons voorgehouden dat de electorale resultaten van de Katholieke Volkspartij zo rampzalig werden dat wel tot een fusie moest worden overgegaan met twee protestants-christelijke partijen. Dat is natuurlijk ook niet onjuist: de KVP ging van vijftig zetels in 1963 naar 27 zetels in 1972. Maar daarmee vond dus wel een imposante transformatie plaats van wat sinds 1918 de allerbelangrijkste politieke partij in het land was, hecht verbonden met tal van instituties, organisaties en verenigingen, dankzij de verzuiling en met dank aan de belastingbetaler.

Was Van Agt iemand die dit proces goedmoedig aan zich voorbij liet gaan en als een kind in de zonde met het resultaat, het CDA, aan de haal ging? Had hij enig idee wat hier eigenlijk gebeurde, of ging het niet verder dan wat goedmoedige grapjes over die stijve protestanten, die een grapje noch een glaasje bier op zijn tijd wisten te waarderen en met jezuïetenstreken gemakkelijk te misleiden vielen?

~

Een derde kwestie die enigszins in de lucht blijft hangen is de omvorming van de Nederlandse economie en de sociaal-economische verhoudingen die daarmee verbonden waren. De bezuinigingen waar Van Agt naar streefde – met Bestek ’81 – en de manier waarop later de werkgelegenheidsplannen van Den Uyl vakkundig en vasthoudend om zeep werden geholpen: waren dat betrekkelijk willekeurige politieke standpunten, vooral voortgekomen uit een diepe behoefte om de ‘progressieven’ dwars te zitten en een gekwetst ego wat op te beuren? Of waren dat onvermijdelijke koerswijzigingen in een vastgelopen verzorgingsstaat, die bovendien te lijden had onder een ernstige erosie van de economische structuur? Of nog anders geformuleerd: was het ‘progressieve’ klimaat dat in de jaren zestig opkwam en zich in de jaren zeventig breed maakte, met die kenmerkende onderschatting van de betekenis van het bedrijfsleven, niet bezig een ramp voor de samenleving te worden? En als dat zo is, is het dan aan de taaie tegenstand van Van Agt te danken dat het allemaal niet nog veel moeilijker is geworden dan het al was?

In dit verband is het interessant om nog eens na te gaan hoe het zat met het razendsnel oplopende begrotingstekort in deze periode. Vooral sociaaldemocraten wilden nog wel eens naar voren brengen dat niet het kabinet-Den Uyl, maar het daarop volgende kabinet-Van Agt-Wiegel (1977-1981) daarvoor verantwoordelijk was. Die stelling is in zoverre onjuist dat onder Den Uyl ongeveer alle beslissingen genomen zijn die geschikt waren om de begroting op termijn te laten ontsporen, toen werd de wind gezaaid die als storm geoogst mocht worden door Van Agt.

Daar staat tegenover dat over het te voeren sociaal-economisch beleid zo’n verschrikkelijke tweedracht in het CDA heerste, dat om het uiteenvallen van de partij te voorkomen genoegen werd genomen met een uiterst slap bezuinigingsbeleid. José Toirkens heeft dat al eens uitstekend gedemonstreerd. Nederland dacht een tijdlang, zo is weleens opgemerkt, te kunnen leven ‘op aardgas en lucht’. Dieptepunt in dat beleid was het laten gaan van Frans Andriesen als minister van Financiën in februari 1980. De financieel specialist van het CDA – afkomstig uit de KVP – Harry Notenboom heeft in zijn studie over de ontwikkeling van de staatsfinanciën enige jaren geleden schuldbewust de conclusie getrokken dat het CDA in deze jaren het partijbelang boven het landsbelang stelde: ‘Zo gezien is er voor de totstandkoming van het CDA letterlijk een hoge prijs betaald, die pas door de kabinetten-Lubbers is afgelost.’ Met veel meer pijn dan mogelijk zou zijn geweest, zo valt daar aan toe te voegen. Dat in diezelfde jaren een uiterst belangrijke stap werd genomen in het Europese integratieproces, het besluit tot invoering van een Europees Monetair Stelsel in 1978, wordt ook al niet erg duidelijk in deze studie – die daarmee de traditie in de Nederlandse politiek volgt om belangrijke ontwikkelingen slechts te bespreken nadat ze tot handzame burenruzies zijn gereduceerd.

Eenzelfde observatie is aan de orde als het gaat over de internationale politiek, dan wel het terrein dat zo versluierend ‘het vredes- en veiligheidsbeleid’ wordt genoemd. Dit was de periode waarin besloten moest worden over de productie van de neutronenbom en de plaatsing van kruisvluchtwapens in NAVO-verband, als reactie op een nogal groeiend aantal SS-20 raketten in de Sovjet-Unie. Het debat daarover in Nederland werd voor een deel gemonopoliseerd door een aantal ‘loyalisten’ in de CDA-fractie en misbruikt door de PvdA, die hier een mogelijkheid zag om het CDA te splijten. Buitenlands beleid werd vrijwel geheel verbinnenlandiseerd.

In tegenstelling tot het financieel-economisch beleid trad Van Agt hier echter redelijk vastberaden op en hij dwong de loyalisten tot een vernederende overgave. Met andere woorden: er valt nog een ingewikkelde winst- en verliesrekening op te maken, zowel van het CDA als zodanig, als van het politieke leven van Van Agt.

~

Een aanzet daartoe had in deze biografie gegeven kunnen worden, als meer afstand was genomen van het gezoem in de kaasstolp, als er iets meer ingegaan was op essentiële problemen en ontwikkelingen. Dan zou bijvoorbeeld ook aan de orde kunnen komen wat nu de aard was van de politieke stijl van Van Agt. Wat dit een hoogst persoonlijke aangelegenheid, een spel met zichzelf en een betrekkelijk primaire reactie op een opgewonden politiek driftleven van links of was Van Agt in zijn ‘populisme’ – met Hans Wiegel als sidekick – de Johannes de Doper van Pim Fortuyn? In deze biografie valt daar slechts over te lezen dat zijn stijl ‘later gekopieerde [werd] door échte populisten’. Dat oordeel is echter noch zeer beredeneerd, noch zeer bevredigend.

Ten slotte rest dan nog de vraag wat Van Agt zou zijn geweest zonder Den Uyl – en omgekeerd. Het lijkt wel alsof het uit elkaar vallen van de rooms-rode samenwerking aan het eind van de jaren vijftig en de daarop volgende ontzuiling een geweldige politieke energie heeft losgemaakt, die even rusteloos als richtingloos alle kanten op kon schieten. Het zijn die twee mannen geweest die enigszins een koers hebben ingezet. Ze werden beiden zowel geliefd als gehaat; een biografie over de een is tegelijkertijd ook een biografie over de ander. Wie de biografie van Anet Bleich over Den Uyl heeft gelezen, mag zich deze over Van Agt dan ook niet laten ontgaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden