IN EEN KLAP VOLWASSEN

Komende weken wordt de bevrijding, 60 jaar geleden, van Auschwitz herdacht. Bloeme Evers-Emden (78) is een van de overlevenden...

'Op een avond kwamen de blokoudsten onze barak in Auschwitz binnen. Ze slopen langs de bedden en drukten ons op het hart stil te zijn. Doodstil. Even later hoorde we auto's stoppen bij de barak van de Franse vrouwen naast ons. Er was rumoer, portieren werden dichtgeslagen en bij het vertrek zongen ze de Marseillaise.'

'Zodra het weer stil werd, zijn we gaan kijken. De deuren van de barakken om ons heen stonden open. Alle vrouwen waren weggehaald en vergast. Alleen wi`j niet. De blokoudsten hadden de deuren van onze barak opengezet. Daardoor dachten de Duitsers dat onze barak al leeg was gehaald. Toen ze de volgende ochtend een volle barak aantroffen, lieten ze het erbij zitten. Blijkbaar was er een tijdschema voor de vergassingen. Wij pasten er niet meer in.'

Bloeme Evers-Emden (1926) is een overlevende van Auschwitz. Een 'jonge overlevende' noemt ze zichzelf, omdat ze pas achttien was toen ze in september 1944 naar Auschwitz werd gedeporteerd. Veel jonge overlevenden hebben volgens Bloeme Evers een grote veerkracht. Net als zijzelf. 'Ik ben 78 en zelden moe. Wij kunnen energie halen uit het niets. Zonder mijn kampervaringen was ik vast geen doctor in de psychologie geworden en moeder van zes kinderen.' Elk nieuw kind zag ze als een overwinning op Hitler, een overwinning op de dood.

Dat Bloeme pas in 1944 in handen van de Duitsers viel, heeft ze te danken aan haar ouders. 'Ik zeg wel eens dat mijn ouders me twee keer het leven hebben gegeven. Eén keer bij mijn conceptie en één keer in de oorlog. Toen ik in 1942 als zestienjarige een oproep kreeg om in Duitsland te gaan werken, ging mijn vader in zijn wanhoop naar de Zentralstelle für Judische Auswanderung.

'Daar riep hij zwaaiend met mijn oproepbrief dat ik niet weg mocht en niet weg kón. Een onbezonnen daad, natuurlijk. Ze hadden hem wel kunnen arresteren en wegvoeren. Maar de Duitser die mijn vader aanhoorde, glimlachte. Hij pakte mijn oproepkaart en zette er een stempel op: gesperrt, bis auf weiteres.'

Het uitstel duurde tot mei 1943. De maand waarin Bloeme eindexamen HBS deed. 'Ik had een vriendje van joods-christelijke ouders. Die kwam me op een dag op school waarschuwen dat de Duitsers bij mij thuis waren geweest om me op te halen. En dat ze 's avonds terug zouden komen.'

Op dat moment was onderduiken geen optie meer. Haar ouders en zusje zouden zeker het gelag betalen. Bloeme besloot haar leraren te vragen of ze diezelfde dag nog in alle resterende vakken eindexamen mocht doen. Dat mocht. Daarna ging ze met haar HBS-diploma naar huis.

'Mijn zusje huilde. Het gezicht van mijn vader was vertekend van verdriet. Mijn moeder gaf me twee raadgevingen: Blijf niet alleen, sluit je aan, het liefst bij een gezin. En probeer niet geregistreerd te worden. Dat bleken heel waardevolle adviezen.'

'Ik had twee tassen bij me. Ik liep eerst met één tas tussen de registratie-tafels in de Hollandse Schouwburg door om mijn tas daarachter neer te zetten. Daarna liep ik terug om mijn tweede tas te halen. En toen liep ik door naar achteren. Ik was binnengekomen zonder geregistreerd te zijn. Ik deed het allemaal heel bewust. Op zo'n moment word je in één klap de volwassenheid in gesleurd.'

'Tegen een kennis van mij die in de Hollandse Schouwburg werkte, zei ik te willen vluchten. Hij antwoordde: dat willen ze allemaal. Waarop ik zei: maa¿ik ben niet geregistreerd. Dat hielp. Hij legde uit dat de volgende dag om vier uur een bel zou gaan. Op dat tijdstip moesten de kinderen afscheid nemen van hun ouders en verzamelen in de hal. Daarna gingen ze naar de overkant, naar de crèche. Ik moest me bij de kinderen aansluiten en zou de volgende ochtend op straat worden gezet.'

'Vijftien maanden zat ik ondergedoken op vijftien of zestien adressen. Eerst bij vrienden van mijn ouders, later via de illegaliteit. Veel mensen wilden wel helpen, maar durfden eigenlijk niet. Op één adres ben ik slechts een halve dag gebleven. Die vrouw zat te trillen van angst. Uiteindelijk werd ik in augustus 1944 op een onderduikadres gepakt en gearresteerd. Er was geen vluchten aan.'

Haar ouders en zusje waren inmiddels al een jaar eerder gedeporteerd. Bloeme was nu helemaal alleen. In Westerbork hoorde ze de eerste geruchten dat alle joden vermoord zouden worden. 'Maar wie had kunnen bevroeden wat ons allemaal te wachten stond? En het is heel moeilijk om te aanvaarden dat je doodvonnis al is getekend. Of je naar Auschwitz moest, wist je niet. Je hoopte maar dat je naam niet omgeroepen werd voor het transport, want Auschwitz had een hele slechte klank. En verder probeerde je er niet aan te denken.

'Toen we in Auschwitz aankwamen werden we de beestenwagons uitgeslagen. In het donker werden we het terrein overgedreven tot we voor Mengele stonden. Die deed de selectie. Op basis van niks. Ouderen moesten naar links. Moeders met kleine kinderen ook. Jong moest naar rechts. Dat ik de goede kant uitging, besefte ik niet.'

'Opeens begon een vrouw die met mij rechtsaf moest, om zich heen te roepen: 'Ik zie mijn nichtje niet. Wie heeft mijn nichtje gezien?' Een van de gevangenen in zo'n blauw-wit gestreept pak die al langer in Auschwitz zat, zei toen: 'Dat kind is al dood.' Dat was het moment dat ik besefte dat ik in een vernietigingskamp terecht was gekomen.'

'We kwamen in een ruimte waar we al onze kleren uit moesten doen onder het toeziend oog van mannen. We werden kaalgeschoren: hoofd, oksels, schaamhaar. Ik ben heel zedig opgevoed. Toen ik daar zo stond, knapte er iets. Ik besefte dat alles wat ik tot dan toe geleerd had, mij niet meer van nut zou zijn. In het volgende vertrek lag een berg schoenen en een berg jurken. Geen onderbroek. Geen jas. Op de rug van de jurken zat een rode lap gestikt. Voor het geval we zouden proberen te vluchten. Konden de Duitsers makkelijker raak schieten.'

Hoe overleefde Bloeme Evers? Ze weet het niet. 'Ik had nog een straaltje hoop. Maar je had er weinig invloed op. Je kan nog zo sterk zijn, tegen het gas was niemand bestand. En je kunt nog zo flink zijn, als je vlektyfus kreeg was je zo goed als dood.'

Indachtig het advies van haar moeder sloot Bloeme zich aan bij anderen. Er vormde zich een groep van dertien vrouwen. Vijf vrouwen stierven. De acht die overbleven sloten een hechte vriendschap die de rest van hun leven zou voortduren. 'De oudere vrouwen van achter in de dertig waren als moeders voor mij. Als de wanhoop mij overviel, dan troostten ze mij met de belofte dat we het zouden halen, dat we de bevrijding mee zouden maken. Omgekeerd deed ik hetzelfde.'

De gevangenen die niet meer wilden leven, wierpen zich tegen het prikkeldraad waarmee het terrein van de barak was omzoomd en dat onder stroom stond. Bloeme heeft het nooit overwogen. 'Die lol gunde ik de Duitsers niet.'

Op een dag werden we weer op transport gesteld. We kregen schoenen, een jas, een jurk en een onderbroekje. 'We gaan naar het leven toe', zei een van de Poolse vrouwen in het Jiddisch dat ik inmiddels een beetje kon verstaan. Zij wist het. Zij wel. Wij Hollandse vrouwen wisten niets van oorlog en vervolgingen. De laatste oorlog die Nederland had doorstaan, dateerde uit de tijd van Napoleon. Maar de Roemeense en de Poolse vrouwen wisten precies wanneer er gevaar dreigde. Wij Hollandse vrouwen stonden altijd vooral met grote, verbaasde ogen naar alles te kijken.'

Het nieuwe kamp was een werkkamp in Opper-Silezië. Er was nauwelijks eten, er moest hard worden gewerkt. 'Je werd er niet vergast, maar langzaam uitgehongerd. De ouderen onder ons werden op het laatst heel wazig van bewustzijn. We zagen eruit als skeletten. We waren totaal verluisd en kaal. Ik had een kapotte bril op mijn neus. Je kunt je niet voorstellen wat het betekent om niets te hebben. Geen zakdoekje. Geen wc-papiertje. Helemaal niets.'

In de fabriek waar Bloeme sneeuwkettingen moest maken ontmoette ze een Franse jongen die daar te werk was gesteld, Bernard. 'Op een dag gaf hij me stiekem, want met elkaar praten was verboden, een tuiltje bosviooltjes. Ook gaf hij mij een ijzeren plaatje waarop onze initialen stonden. Dat heeft zó veel voor mij betekend. Dat ik als een meisje gezien werd. Niet als uitschot.'

Ondertussen klampte Bloeme zich vast aan een voorspellende droom die ze die winter in het kamp had. Ze droomde dat ze de bevrijding zou meemaken. En dat die plaats zou vinden op de eerste zonnige dag in mei.

'De eerste zeven dagen van mei regende het aan een stuk door. De achtste mei was het zonnig. Het appèl verliep die dag heel chaotisch. Tot onze verbazing moesten we daarna allemaal terug de barak in. Er was geen Duitser meer te zien. Een paar dapperen zijn bij het wachthuisje gaan kijken. Dat was ook leeg. We konden zo het hek uit. Ik voelde zo'n blijdschap. Ik voel nu nog hoe de zon me verwarmde. Twee Poolse vrouwen gingen van het terrein af en kwamen terug met een geit waarvan ze binnen twee uur soep hadden gemaakt. Het was de gelukkigste dag in mijn leven.'

Bloeme Evers zweeg bijna veertig jaar over haar kampervaringen. 'Ik wilde wel, maar ik kreeg enorme huilbuien die het spreken onmogelijk maakten.' In de jaren tachtig kwam het proces van verwerken op gang, toen ze onderzoek ging doen naar de ervaringen van onderduikers en degenen die hen onderdak hadden verschaft.

'Dat er zulke goede mensen zijn, daar kan ik echt om huilen. Kijk, we doen allemaal wel eens iets liefs voor een ander, maar dat is toch iets anders dan je eigen leven op het spel zetten om een ander te helpen. Het slechte is groot en ruw en overweldigend. Het goede is klein en individueel. Maar het is er. Dat te beseffen, heeft me ongelooflijk goed gedaan.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden