In de voetsporen van de ambachtsman

De zelfproducerende ontwerper. Stedelijk Musuem, Amsterdam. Tot en met 28 april...

JAAP HUISMAN

De fabrikant wil het niet, de vormgever heeft het niet. De weigering van producenten om te experimenteren en te innoveren staat tegenover het gebrek bij vormgevers aan commercieel instinct. Dat verklaart het moeizame klimaat in Nederland voor ontwerpers die menen over een oorspronkelijk idee te beschikken. Ze reizen met hun map schetsontwerpen stad en land af en vinden overal nul op rekest.

Nee, dan Italië, dat zich altijd op het omgekeerde beroept. Daar zou geen enkel loslopend talent meer voorkomen, belust als de industrie is op gekwalificeerde designers. In Italië zou bovendien de industrie veel meer dan in Nederland gevoelig zijn voor de smaak van de consument, en die smaak zou bovendien fijnzinniger en kritischer ontwikkeld zijn.

Zou. De werkelijkheid is anders. Soepel is de verstandhouding niet tussen fabrikanten en ontwerpers, zo bewijst een reeks mislukkingen in de meubel- en modebranche. Toch is het klimaat vergeleken met het paradijselijke Italië minder slecht dan wel wordt verondersteld. Zo veel smaak heeft dè Italiaan ook niet, als we afgaan op het overheidsdrukwerk of een doorsnee interieur: het is veel meer een land van uitersten, stellen deskundigen. In Nederland ligt de vormgeving over de hele linie op een hoger niveau.

Dat peil wordt opgekrikt door de (jonge) ontwerpers die zelf produceren en daarmee het vermoeiende circuit van een industrie omzeilen. Het Stedelijk Museum laat zien dat er niets nieuws onder de zon is. Rietveld bedacht en produceerde zijn rood-blauwe stoel uit 1917 op zijn dooie eentje en dat deed ook Willem Gispen met de buisstoel (1926) en de bollamp in het begin van de jaren dertig. Die initiatieven zijn geen incidenten gebleken. Gispen en Rietveld kennen navolgers in de figuren van Benno Premsela met de Lotek-lamp, Aldo van den Nieuwelaar met de tl-buis TC2 of Charlotte van der Waals met een reeks kleine produkten, zoals kandelaars en opvouwbare vazen.

Zelfproducerende ontwerpers zijn er in twee categorieën (en misschien wel meer): het zijn uitvinders/einzelgängers die ongeschikt zijn voor het logge bedrijfsleven of het zijn voorlopers die uiteindelijk toch wel hun weg vinden naar de industrie. Ruud Jan Kokke bijvoorbeeld is een ontwerper die bij elk produkt weer een producent/distributeur zoekt, voor zijn golvende museumbank benaderde hij Kembo, voor de zelfsteunende wandelstok Becker K. G. Brakel. Tegenover Kokke staat Henk Stallinga die zijn metalen zetbank zelf last, assembleert en aflevert.

Vaak zijn ze afhankelijk van subsidie, tegenwoordig van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst en de Mondriaanstichting. Vaak hebben ze ook het zetje nodig van een museum dat een bijzonder produkt aankoopt en zo meewerkt aan promotie. Die museale public relations moet niet worden onderschat; de delta-vaas van Mart van Schijndel en de ligfiets van Aart Roelandt - om twee uitersten te noemen - zijn beide vanuit het museum aan een zegetocht begonnen. De vaas is gekopieerd bij het leven, de ligfiets heeft de weg bereid voor andere modellen. Jammer voor die zelfproducerende ontwerper: niet zelden incasseert de volgende hèt succes. Omdat er te weinig nagedacht wordt over auteursrechtelijke bescherming bijvoorbeeld.

De zelfproducerende ontwerper treedt in de voetsporen van de ambachtsman uit de 19e eeuw, ze horen eigenlijk nog thuis in de pre-industriële periode. Ze lassen of timmeren in een garage, ze pakken hun vazen zelf in. Dat verklaart waarom de nadruk ligt op meubels, lampen, vazen en kleding. Aan apparaten wagen ze zich niet. Dat is technisch te ingewikkeld, tijdrovend bovendien. Aan een huishoudelijk apparaat gaan vele jaren ontwikkeling vooraf, en dat kan een jonge ontwerper zich niet permitteren. Toch verbreedt het terrein van de zelfproducerende designer zich, toont de tentoonstelling met een lichtboei van Huibert Groenendijk en het aanklik-balkonnetje Tea for two van Pieter van Gendt. Ze ontdekten een gat in de markt dat voor het gewone oog niet zichtbaar was.

De neutrale, commentaarloze presentatie van produkten die gerekend kunnen worden tot de gezichtsbepalende vormgeving in Nederland doet vermoeden dat er geen vuiltje aan de lucht is. Sinds kort zijn er zelfs twee initiatieven die de zelfstandigen ondersteunen: Droog Design, vooral op publicitair en promotioneel gebied, en DMD dat zorg draagt voor een behoorlijke distributie, bemiddeling met de detailhandel en de verpakking. Wat de expositie niet belicht is de impasse waarin de zelfstandige ontwerper snel dreigt terecht te komen. Omdat hij de backing van een apparaat ontbeert, kan een moment van creatieve inzinking funest zijn. Daarnaast loopt hij het gevaar op één succesnummer te blijven teren. En de concurrentie is hard op de overvolle markt van interieurprodukten.

De zelfproducerende ontwerper wordt - het kan niet anders - op den duur ingelijfd door een industrie die de concurrent liever in huis haalt. Of hij groeit uit tot een zelfstandige onderneming. De meesten zijn gedoemd het ontwerpen erbij te doen, zoals de architecten in het gezelschap. Hoe verschillend de loopbaan ook is, ze hebben allemaal klassieke ontwerpen op hun naam geschreven. Dat alleen al zou de industrie en de overheid te denken moeten geven. Er is nog een markt te steunen en te winnen.

Jaap Huisman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden