In de tempel van de Verlichting

In 1778 overleed Pieter Teyler van der Hulst, laken- en zijdekoopman te Haarlem. Het vermogen dat hij naliet moest beschikbaar gesteld worden ter bevordering van kunst en wetenschap....

In de jaren zestig schreef Rudy Kousbroek een van de ontroerendste verhalen over het Teylers Museum. Hij had het over 'een microfoon, zo gevoelig dat men er een vlieg mee kan horen lopen'. Het was een kinderdroom. Die microfoon stond lezers van Jongens en elektriciteit in het geheugen gegrift. 'Hoe is het zo iemand', schreef Kousbroek, 'te moede als hij in een museumvitrine opeens een dergelijke microfoon ziet staan?'

De tijd was in het museum stil blijven staan. Het was een heilige plek voor kunst en wetenschap. In een van de glazen kasten van Het Teylers stond zo'n microfoon, de 'mikrophoon naar Hughes', een auditieve hallucinatie waarbij je - met enige verbeelding weliswaar - het lopen van een vlieg als footsteps in the sands of time kon horen als 'het hoefgetrappel van een dravend paard'. Op die plek van donker mahonie en gedraaid messing, het oudste museum van Nederland, zag Kousbroek de mooiste kunst die er is: de wetenschap. Dat is Teylers. De nieuwe vleugel, de schitterende uitbreiding van architect Hubert Jan Henket, laat die Verlichtingsgedachte voortleven - ook al is er nu een koffiekamer, kan je de prachtige schelpvormige tuin eindelijk zien of hangen de tekeningen niet meer achter van die beschermende gordijntjes tegen het licht.

Op 8 april 1778 overleed Pieter Teyler van der Hulst, laken- en zijdekoopman in Haarlem. Achttien koetsen volgden de lijkwagen naar de Grote Kerk. Teyler werd onder een naamloze blauwe zerk begraven. Hij had geld, veel geld. Hij stamde af van de doopsgezinde Thomas Taylor die aan het eind van de zestiende eeuw, de dageraad van Nederlands glorieuze Gouden Eeuw en spreekwoordelijke verdraagzaamheid, om geloofsredenen uit Schotland naar de Lage Landen was uitgeweken. In 1756, tweeëntwintig jaar voor zijn dood, had de vooruitziende Teyler bij testament bepaald 'dat zijn vermogen beschikbaar gesteld moest worden ter bevordering van kunst en wetenschap'. Dat is nog steeds het principe van het museum. Want anders dan andere musea is in Haarlem een museum gebouwd rondom principes en werd, zegt directeur Eric Ebbinge, 'niet uitgegaan van reeds bestaande verzamelingen'.

Vooral in Haarlem, waar zoveel dissenters waren, meer dan waar ook in Nederland, was er meer dan gewone interesse voor de Verlichtingsidealen. Teyler was geïnteresseerd geraakt in die ideeën van de Verlichting: kennis en wetenschap zouden de mensheid verrijken. Hij was een sociaal bewogen mens. 'In overdenkinge van de zeekerheijd des doods' besloot Teyler, na een huwelijk dat kinderloos was gebleven, zijn nalatenschap te regelen. Hij richtte een genootschap op dat, conform zijn laatste wilsbeschikking, 'de bevorderingen van Godsdienst, d'aanmoediging van kunsten en wetenschappen, en 't nut van 't algemeen' zou kunnen vermeerderen en bevorderen.

Wie vanaf het Spaarne het Teylers Museum betreedt, komt in een betoverende wereld, misschien wel de wereld van zo'n jongensboek. Het is, schreef Henk Hofland ooit, 'het museum der musea', een museum waarin het gebouw en de manier van tonen deel uitmaken van wat er geëxposeerd wordt. De bibliotheek met de tienduizenden boekdelen is een van de mooiste 'altaren der wetenschappen'. Op een Haarlemse boekenveiling kocht het museum in februari 1780 de 35 delen van de Encyclopédie van Diderot en d'Alembert. Indachtig de twee jaar eerder overleden Voltaire, die naar zijn zeggen meer hield van inventeurs des arts mécaniques dan van voortbrengers van syllogismen, werd Teylers een proefondervindelijk museum 'ter lering en vermaak'. In het nog steeds bestaande auditorium, met een groot schrijfbord en een professorenlessenaar, werden proeven uitgevoerd met de meest ingenieuze wetenschappelijke instrumenten.

In die sfeer van geleerdheid maar ook van popularisering van de wetenschappen kreeg het publiek de wonderbaarlijkste dingen te zien. Teylers is het oudste museum van Nederland maar ook het eerste dat 'digitaal' is te raadplegen. Zeker vierhonderd correspondenten raadplegen dagelijks de collectie via hun beeldscherm. Teylers is daarmee, eerder dan de andere musea in Nederland, dank zij Teylers' wilsbeschikking gaan schaatsen op de elektronische snelweg.

De vertellingen en anekdotes over het Teylers Museum zijn legio. In 1802 verwierf Martinus van Marum, de eerste bibliothecaris van Teylers en bekend van zijn proeven met de 'ongemeen groote Electrizeer-machine', tijdens een reis in Zwitserland een van de meest beroemde fossielen die destijds bekend waren: de homo diluvii testis, de 'zondvloedmens'. Die antediluviale mens was ongetwijfeld het pronkstuk van het museum. Het was een door de Zwitserse geoloog Johann Jakob Scheuchzer in 1725 gevonden skelet van een mens die 'zonder twijfel' omgekomen moest zijn in de Bijbelse zondvloed. 'Das betrübte Beingerüst eines alten Sünders, so in der Sindflut ertrunken' werd pas in 1811 ontmaskerd 'als zijnde een soort reuzensalamander'.

Een ander pronkstuk, een versteend insekt uit het Mioceen van Oeningen, bleek pas in 1970 in werkelijkheid het fossiel van een vliegend reptiel te zijn, een Archaeopteryx litographica, het vijfde tot dusverre bekende skelet van de oervogel. Al die wonderen zijn in het museum te zien, opgetast in vitrines en classicistische museumzalen. Die zalen, zeiden tegenstanders van vernieuwing - en in feite weinig verlichte geesten, moesten voor de eeuwigheid worden bewaard. Ebbinge kreeg het verwijt dat hij, met het oog op de intussen voltooide verbouwingen, het gezicht van het museum met het oog op meer klandizie wilde veranderen. Het was een belachelijke discussie. Het museum dreef weg in het drijfzand van de geschiedenis. Als niets ondernomen zou worden, zou Teylers in de loop der tijd afbladderen. De tekeningen verloren hun taferelen omdat ze in miserabele condities werden bewaard. De machines, die als 'stomme' getuigen herinneren aan wat we nu 'de proefondervindelijke tijd' noemen, waren fossielen in het digitale tijdperk. Het museum moest zelfs zijn deuren sluiten wanneer het daglicht onvoldoende was. Wie van Teylers houdt, dacht directeur Ebbinge, moet daar wat aan doen. Het museum smeekte om modernisering, om zo Teylers' principe gestand te doen.

Ebbinge is daar goed in geslaagd. Het Teylers is behouden voor de samenleving. Het principe is, ondanks de storm van onze musealisering van de cultuur, geslaagd om het idee van de gulle schenker Teyler te respecteren. Het is nog steeds het mooiste museum van Nederland, zo'n museum als het Parijse Conservatoire des Arts et Métiers of het schitterende wetenschapsmuseum van Firenze. Het is een gebouw waar je je 's avonds, zoals in Umberto Eco's De slinger van Foucault, zou willen laten opsluiten om met een zaklantaarn te genieten van alle voortbrengselen van verlichte geesten en wetenschappers.

Het principe van Teyler was niet dwaas. Hij wilde dat ernaast een directeur in het Fundatiehuis ook een kunstenaar woonde, een kasteleyn die zorg droeg over de schitterende tekeningen- en schilderijencollectie. Dat bracht spanningen met zich mee, wellicht het soort fricties dat nu in de meeste musea ontbreekt. Zijn droom was een museum van 'kunst en wetenschap', een beetje in de trant van de grote Leonardo da Vinci of van Michelangelo, geesten die juist kunst en wetenschappen niet los van elkaar in praktijk hebben gebracht. De grootste criticus van de utilitaire wetenschap is de kunst, en dat wist Teyler toen hij zijn nalatenschap regelde.

Het museum kocht in 1790 voor tienduizend gulden ongeveer 1600 voornamelijk Italiaanse tekeningen uit de collectie van koningin Christina van Zweden, die zich na haar abdicatie in Rome had gevestigd. Het was een prachtkoop. Teylers bezit nu een van de indrukwekkendste tekeningenverzamelingen ter wereld. Het huidige bestuur van Teylers wil nog tekeningen aankopen, want het zijn de schetsen van het menselijk vernuft.

Juist tekeningen tonen die curieuze wetenschappelijke nieuwsgierigheid die ook Kousbroek in Jongens en elektriciteit heeft ontdekt. Het mag er dan altijd doodstil zijn, maar die tekeningen brengen de hersenen in het museum tot leven. Maar ook die wonderbaarlijke batterij 'Leidse flessen' die, als de batterij was opgeladen, 'met haar ontlading een koe kon doden', of de door Willem Frederik Hermans' verhaal beroemde elektriseermachine van Wimshurst die alleen goed werkte bij droog vriezend weer. Misschien beleven wij nog ooit de tijd, nu het museum het binnenklimaat heeft verbeterd, dat in het museum de machines gaan ratelen en rinkelen. Dan pas wordt het Teylers Museum weer de tempel van het menselijk intellect.

Trots staat de stichter ervan, Pieter Teyler, afgebeeld op een schilderij van Tako Jelgersma, vóór zijn bibliotheek als een verlicht despoot over zijn verzameld rijk der wetenschappen. Het is een mooi portret, een pastelkrijt, dat de schenker toont als een menslievend en intelligent man die geloofde in Immanuel Kants 'mondigheid': de mens moet zich bevrijden van de kettingen van onmondigheid, en dat kan hij alleen als hij zich op een kritische maar tegelijk ook kunstzinnige manier verdiept in alles wat de Here en zijn schepselen hebben gemaakt.

Het is de les die ook de huidige directeur Ebbinge, in een apart zaaltje in de nieuwbouw, wil verwezenlijken. De kinderen van het volgende millennium zullen er proefondervindelijk kunnen vaststellen wat er gebeurt als je de ene scheikundige stof met de andere vermengt. Of hoe je aan de hand van een skelet uit een of andere donkere tijd kunt begrijpen hoe op een dag de mens tot het besluit kwam dat een viervoeter ook op twee benen kan lopen. Met de twee overige ledematen schiep de mens die wonderbaarlijke wereld die het Teylers Museum ons in een vorstelijk paleis aan het Haarlemse Spaarne laat zien.

Meer over