In de schaduw van de literaire chirurg Herinneringen van Maxime du Camp

De reputatie van de Franse schrijver Maxime du Camp (1822-1894) wordt vrijwel uitsluitend nog in leven gehouden door zijn vriendschap met Gustave Flaubert....

Wat was dat voor gezelschap? Bouilhet was in het diepst van zijn gedachten een romanticus en is dat altijd gebleven. Louise Colet was een zeer matige schrijfster, over wie vorig jaar een nogal twijfelachtige biografie werd geschreven door een Amerikaanse mevrouw, Francine du Plessix Gray, die zich opwierp als de grote communicatrix van de feministische wereldgeschiedenis. Maxime du Camp leeft vooral voort als fotograaf, als een van de belangrijkste Franse calotypistes, die tussen ongeveer 1845 en 1870 met behulp van het waspapieren negatief Frankrijk en de omringende wereld hebben vastgelegd. Als journalist, als schrijver is hij vergeten. Als dichter is hij hooguit een curiosum.

Hoewel, het is de moeite waard de inleiding van Du Camps Chants modernes, uit 1855, nog eens na te lezen. Du Camp zag dat de wereld bezig was te veranderen. En hij meende - als een van de weinigen - dat de poëzie daarover moest rapporteren:

'De wetenschap verschaft ons het ongelooflijke; de industrie verricht wonderen; en wij, we blijven onverstoorbaar, ongevoelig, en verachtelijk jengelen we op de valse snaren van onze lier, we sluiten onze ogen om maar niets te zien en koppig kijken we naar het verleden. Terwijl elders de stoom wordt ontdekt, bezingen we Venus, dochter van de getijden; waar anderen experimenteren met elektriciteit, bezingen wij Bacchus, beschermheer van de zuiplappen. Dat is absurd.'

Door die onvrede, samen met een typisch negentiende-eeuws soort ongeduld, is Du Camp zijn leven lang achtervolgd. Terugkijkend in zijn autobiografie, Souvenirs littéraires, valt hij vooral over de beperktheid van de cultuur waarin hij is opgegroeid. Het Frankrijk van 1830, van de Juli-revolutie en Louis-Philippe, is een bolwerk van bekrompenheid. Alle narigheid lijkt in verhevigde mate samen te komen in het collège Louis-le-Grand, in Parijs, waar Du Camp in oktober 1831 wordt ingeschreven. Tijdens de Terreur, volgend op de Franse Revolutie, is het gebouw gebruikt als gevangenis en sedertdien is er niets veranderd.

Du Camp smeekt en bidt dat de school door een aardbeving zal worden verzwolgen, terwijl hij bij wijze van strafwerk in een steenkoud en stinkend dakkamertje achter een getralied venster 1800 verzen uit de Aeneis moet overschrijven. De opzichter, beschreven als een ongelikte beer die luistert naar de naam Rouillon ('Roest'), laat de leerlingen betalen voor het hout als ze zich bij de kachel willen warmen. Van serieus onderwijs is geen sprake.

Men zou verwachten, schrijft Du Camp, dat de vooruitgang binnen het Franse onderwijssysteem aan deze barbaarse situaties een eind zou hebben gemaakt. Maar als hij 42 jaar later de school opnieuw bezoekt, constateert hij dat alles hetzelfde is gebleven. 'Rien n'était changé et rien ne pouvait l'être, car la bêtise est immuable.'

Domheid zal nooit verdwijnen. Ook als hij later toevallig een van zijn leraren ontmoet, is Du Camp getroffen door diens luiheid, die bijna ziekelijk is. Het leek, schrijft hij, alsof ze niet alleen leden aan een gebrek, maar alsof er in hun wezen 'een gat was gevallen, waardoor de wil om juist te handelen was weggestroomd'.

Du Camp is achttien jaar als hij zijn entree in de literaire wereld tracht te maken. Net als zijn leeftijdgenoten heeft hij 'meesterwerken in zijn hersens die er niet uit willen'. Hij stuurt gedichten op aan Victor Hugo, die hem zo overdreven complimenteus terugschrijft dat het bijna een belediging is. Hij hangt rond in de Parijse theaters, begint te beseffen dat hij bezig is zijn tijd te verdoen, wil op reis, brengt een tijd door op het platteland. Dan, in maart 1843, wordt hij voorgesteld aan een 21-jarige rechtenstudent, le vieux seigneur, Gustave Flaubert.

Het is het begin van een 'indestructible amitié', die zal duren tot Flauberts dood, in 1880. 'De vriendschap tussen Flaubert en mij kwam niet bepaald traag op gang; na een uur tutoyeerden we elkaar en er ging zelden een dag voorbij waarop we elkaar niet ontmoetten. Ik bewonderde hem zeer; zijn intellectuele ontwikkeling was buitengewoon; zijn geheugen was kolossaal, en omdat hij zeer veel had gelezen, leek hij op een soort levend woordenboek waar men tot voordeel en genoegen in kon bladeren.'

Evenwijdig aan deze bewondering, ontstaat bij Du Camp ook direct een zekere naïviteit, die nog wordt versterkt doordat Flaubert aanvankelijk verzwijgt dat hij op zijn twintigste al een roman heeft voltooid. Merkwaardig is ook de manier waarop Du Camp zijn vriend in bescherming neemt, door bijvoorbeeld omstandig te verklaren dat Flaubert een lyricus was en helemaal niet de 'literaire chirurg' voor wie hij algemeen wordt gehouden. Het maakt dat deze memoires, die pas na Flauberts dood zijn geschreven, de geur aannemen van een heiligenleven, genoteerd door iemand die de relikwieën dagelijks uit hun schrijn haalt om ze opnieuw tegen het licht te houden.

Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat de schrijver van Bouvard et Pécuchet af en toe ook aan Du Camp zal hebben gedacht, al is het maar doordat het project waaraan de twee personages in deze roman zich hebben gezet, nogal lijkt op het soort ambities waarmee Du Camp zelf heeft rondgelopen - bijvoorbeeld het maken van een woordenboek waarin de invloed van het Latijn in de diverse Europese talen integraal moest worden getraceerd.

Zo'n project heeft Du Camp in een later stadium ook werkelijk ten uitvoer gelegd, in zijn zesdelige Paris: ses organes, ses fonctions et sa vie (1869-'75). Mocht Flaubert ooit deze memoires onder ogen hebben gekregen, dan zal hem daarin ook de mislukking van de onderneming hebben getroffen.

De Souvenirs littéraires zijn helaas ook niet geheel vrij van beweringen die in 1882, het jaar waarin ze voor het eerst zijn gepubliceerd, al ruimschoots als cliché of idée reçue konden worden herkend. Wanneer Du Camp zijn herinneringen opgraaft aan het bezoek dat hij met Flaubert aan Egypte heeft gebracht, vertelt hij omstandig dat het leven op de ene breedtegraad nu eenmaal anders is dan op de andere, dat beschavingen afhankelijk zijn van hun klimaat, of dat het Egyptische volk is voorbestemd voor de slavernij.

Maar er staat veel tegenover. Het is mooi om te weten hoe Flaubert de naam 'Emma Bovary' heeft bedacht, staande op de top van de Djebel-Aboucir en uitkijkend over de granieten rotsen in de Nijl. Het is mooi om de uitspraak tegen te komen van Louis Bouilhet, dat Flaubert een lyricus was die geen verzen kon schrijven. En het is roerend om te lezen hoe Flaubert, die zichzelf omschreef als 'une victime de la physiologie', liggend op zijn sterfbed twee maal zijn arts aanriep, die Hallot heette. Want al die details zijn sprekender dan alle gefingeerde of ongefingeerde papegaaien van Flaubert bij elkaar.

Maxime Du Camp: Souvenirs littéraires.

Aubier, import Nilsson & Lamm, ¿ 100,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.