In de contramine

J. A. A. van Doorn schrijft nog wekelijks spraakmakende columns. Volgens zijn artsen is het een wonder dat hij dat kan blijven doen....

Onder Maastricht ligt Sint Geertruid, gemeente Margraten. De tijd heeft stilgestaan in dit poppendorpje met veertienhonderd zielen, vakwerkhuisjes en schutterijfeesten. De professor woont op een heuvel, met uitzicht op een adembenemend coulissenlandschap.

In de studeerkamer staat het ziekenhuisbed. De actieradius van J. A. A. van Doorn (82), doyen van de Nederlandse sociologie en geharnast commentator in kranten en weekbladen, is beperkt. In december 2005 werd ‘die kwaal’, zoals hij het zelf noemt, ontdekt: botkanker. De artsen gaven hem nog anderhalf jaar, een termijn die intussen is verstreken. ‘Ik kon helemaal niet meer staan of lopen. Ik ben dertien keer per ambulance naar Heerlen op en neer gereden om bestraald te worden. Dat heeft heel goed geholpen, ik heb geen pijn meer. Ik slaap goed, ik eet goed, ik neem iedere dag een borrel en ik slik mijn pillen.’

In een jaar tijd schreef u, tussen de columns in Trouw en HP/deTijd door, uw boek Duits Socialisme. Hoe kreeg u dat voor elkaar?

‘Ik had alles klaar liggen, al jarenlang, voor mijn grote boek over het falen van de Duitse sociaal-democratie in de krachtmeting met het nationaal-socialisme. Ik heb tweederde van mijn materiaal opzij gegooid en mij geconcentreerd op mijn these.’

Die stelling luidt dat de Duitse socialistische partij heeft gefaald, omdat die – zoals Van Doorn schrijft – ‘Duitsland niet kon vinden’. De partij zag zich als onderdeel van een internationale beweging en wilde niet integreren in de Duitse natie. Daarom ging die partij ten onder in de slag om de kiezers met Hitlers nationaal-socialistische partij. Die NSDAP, concludeert Van Doorn in zijn nieuwe boek, ‘bewees voor het eerst dat het socialisme geen splijtzwam hoefde te zijn, maar een unieke nationaal bindende kracht vertegenwoordigde’.

Van Doorn verklaart zich nader. ‘Het falen van de Duitse sociaal-democratie is geen boze opzet geweest. Het was onmacht. Voor 1914 was die beweging al over haar hoogtepunt heen. De leiding was verouderd. Ideologisch was de partij vastgelopen. Dat kwam door de enorme invloed van de orthodoxe marxist Kautsky. Nog in 1933 kwam SPD-voorzitter Breitscheid aanzetten met het voorstel de grond te onteigenen! Terwijl dat de mensen totaal niet aansprak.’

Hoe kwam dat?

‘Het falen was als het ware geïnstitutionaliseerd in een hele grote beweging die zichzelf heel serieus nam. Een partij, die in het Duitse keizerrijk tussen 1870 en 1914 de grootste achterban had, de meeste inzet toonde, de meeste samenhang bezat. Een partij die links en rechts nergens concurrentie had: een success story. En dan worden de socialisten beproefd, in 1918. En dan laten ze zich gebruiken, door het oppercommando van de Wehrmacht. Dat zegt: jongens, gaan jullie het maar opknappen. Er komt rotzooi en dan krijgen jullie de schuld. Zo doortrapt is het gegaan. Ze zijn er echt naïef ingerold. Een dramatische geschiedenis! Omdat die sociaal-democraten toch eigenlijk weinig te verwijten was, in morele zin.’

Wat interesseerde u in het socialisme?

‘Door de industrialisatie onderstonden er steden van voornamelijk fabrieksarbeiders. Zij verenigden zich tegen degenen die ze in die positie hadden gebracht: de ondernemers. De samenleving begon in twee klassen uiteen te vallen. Wat mij nu interesseert is, dat om die vakbonden heen een hele krans ontstond van partijen, groepen en bewegingen, die helemaal niet door arbeiders waren bedacht en geleid, maar door intellectuelen en burgerlijke overlopers.

‘Met andere woorden: er ontstond een beweging die politieke identiteit begon te geven aan iets dat heel platvloers was, namelijk brood op de plank, hoger loon, betere arbeidsvoorwaarden, niet langer dan acht uur werken per dag. Die vakbeweging werd opgeduwd door een aantal actieve intellectuele en burgerlijke groepen, die daar een hele filosofie omheen bouwden. Een filosofie die in politiek opzicht dynamiet was! De samenleving zou óf vanzelf ten onder gaan, zoals Marx voorspelde, óf er moest revolutie gemaakt worden, wat Lenin heeft gedaan.’

Heeft uw interesse voor het socialisme te maken met uw jeugd in de industriestad Maastricht?

‘Zeker. Toen ik, laat ik zeggen, tot volwassen ideeën begon te komen, was dat allemaal nog actueel. Maastricht was heel sterk onder socialistische invloed gekomen. Je had de legendarische oprichter van de SDAP, Vliegen. Je had de aardewerkfabrikant Regout, die werd gezien als een toonbeeld van kapitalistische uitbuiter. Er was wapenindustrie, papierindustrie, allemaal van buiten de stad geïmporteerd.

‘Op de hbs had ik een leraar aardrijkskunde en geschiedenis, Henk Beijer. Een sociaal-democraat die erg geïnteresseerd was in die Maastrichtse geschiedenis. Na mijn eindexamen in 1942 heeft hij mij privélessen geven. Hij liet mij scripties maken over de sociaal-economische geschiedenis van de stad en over de woningtoestand in Maastricht. Hij stuurde mij de Stokstraatbuurt in, wat toen nog een achterbuurt was.

‘Ik schreef heel makkelijk. Ik zat die zomer van 1942 in Maastricht en ik dacht: dit is het! Ik weet nu zeker wat ik moet gaan doen. Ik heb geen wiskundeknobbel, geen talenknobbel, maar ik heb een sociologieknobbel. Ik begreep ineens wat de bedoeling was, ik begreep de vragen die moesten worden gesteld. Ik ben erg blij dat ik geen geschiedenis heb gestudeerd, zoals mijn eerste ambitie was. Geschiedenis blijft toch het vertellen van een verhaal. Ik ben historicus, maar wel één die vragen stelt die een historicus niet zou stellen.’

Van Doorn lacht. ‘Ook omdat ik een beetje een querulant ben: als vragen niet worden gesteld, stel ik ze wel. Of als de vragen de ene kant uitgaan, ga ik de andere kant uit’

U besteedt niet veel aandacht aan de rassenleer, toch het centrale element in Hitlers ideologie. Is de invloed van het antisemitisme overschat?

‘Naar mijn mening heeft het succes van het nationaal-socialisme weinig te maken gehad met het antisemitisme. Het idee van volksgemeenschap sloot natuurlijk de joden uit. Maar ik denk niet dat het nationaal-socialisme in 1933 door het Duitse volk primair werd beleefd als een racistische ideologie. De Duitse joden maakten 0,7 procent van de bevolking uit, ze waren geconcentreerd in grote steden en in bepaalde beroepsgroepen. Heel veel Duitsers hadden nog nooit een jood gezien, bij wijze van spreken. Ze kregen dat ontzettende geblaf over zich heen, van joodse dit en joodse dat, en ze hebben hun schouders opgehaald: het zal wel. Wat hen pro-nazistisch maakte waren Hitlers grote successen in de binnen- en buitenlandse politiek. En wat ik heb genoemd het vitale socialisme van de nazibeweging.’

Wat stelde het socialisme in Nederland voor?

‘De sociaal-democraten hebben nooit de meerderheid weten te behalen, zoals de christen-democraten in de halve eeuw na de Eerste Wereldoorlog. Nederland is een burgerlijk land, waar je niet veel kunt bereiken met radicalisme. Troelstra heeft dat al gevoeld: je maakt jezelf belachelijk als je een grote muil op zet. Het socialisme heeft in heel Europa een enorme intellectuele productie gehad, maar in Nederland was er niks. Drees, de meest succesvolle sociaal-democraat, beperkte zich tot wat haalbaar en verstandig was. Hij liet zich op geen enkele manier meeslepen door de vernieuwingsbewegingen na 1945.’

Is er nog wat van over?

‘Het is nodig dat een samenleving die in markttermen denkt, een tegenmacht heeft. Dat kunnen organisaties zijn, de overheid, sterke politieke partijen. Wat dat betreft, ben ik teleurgesteld in wat de sociaal-democraten ervan hebben gemaakt. Ze zijn al te makkelijk meegegaan. Het kapitalisme is succesvoller dan ooit, want het heeft de massa meegekregen. Een socialistische renaissance zie ik nog niet. Misschien komen er andere bewegingen tegen het kapitalisme’.

Het populisme à la Fortuyn?

‘De vergelijking gaat niet op, maar Mussert had in feite dezelfde populistische ideeën. De NSB was een beweging van volk en vaderland, buiten de politieke partijen. Alleen begon Mussert te blaten op een moment dat die zuilen stevig gevestigd waren in politieke partijen, dus die kwamen niet van hun plek. Terwijl we nu een situatie hebben waarin die politieke orde vloeibaar is. Iemand die een steen in de vijver gooit, maakt geweldige kringen.’

U had geen hoge pet op van Fortuyn?

‘Nee. Ik ben geschrokken van het feit dat 1,6 miljoen mensen daar in enkele maanden achteraan liepen.’

U speelt een belangrijke rol in het debat over de islam. U kwam met de islam in aanraking als soldaat in Indië.

‘Op de boot naar Indië werd ons gezegd dat die moslims heel gevoelig waren op religieus gebied. Je moest op een afstand blijven. Je mocht niet een moskee in. Blijf van hun hoofd af. Sla ze nooit een hoed van de kop af. Dat soort adviezen kregen we. Het was de koloniale ideologie: je moet de godsdienst ontzien. Tot iedere prijs. Er werd van alles gedaan door Nederland om de bedevaart naar Mekka te bevorderen. Nederland was de enige mogendheid met een eigen consul in Djedda. Een voorzichtige aanpak, juist gezien ook.’

Dat is nog steeds uw stelling: wees voorzichtig met religieuze gevoeligheden van moslims?

‘Ja.’

Maar in de jaren negentig had u wel waardering voor Bolkestein, die in feite hetzelfde zei als uw vijand Hirsi Ali.

‘Bolkestein bracht het in 1991 als een gevaar voor de westerse waarden en normen, indien je gaat toegeven aan zaken als polygamie. Ik was het wel eens met zijn kritiek op het multiculturele geleuter. Ook ik vond het heel dom dat men het allemaal zo sterk op zijn beloop heeft gelaten. Die instroom van zogeheten asielzoekers. Waar blijf je als je massa’s mensen binnenhaalt die de taal niet spreken, die zich hier niet thuis voelen, die analfabeet zijn?

‘Bolkestein sprak in een klimaat dat helemaal uit watten bestond. Je kon zeggen wat je wilde, maar het werd altijd gesmoord. Maar na de aanslag op de Twin Towers en de moorden in Nederland is het buitengewoon gevoelig geworden. Het is nu zaak om op je woorden te letten, want er is een radicalisering aan de gang die tot de meest afschuwelijke dingen kan leiden.

‘Je moet niet beginnen over Allah, over de Profeet of over de Koran, je moet het hebben over politieke kwesties: nationale veiligheid. De religieuze en de politiek-maatschappelijke problematiek moeten uit elkaar gehaald worden.’

Hirsi Ali zegt dat moslims dat onderscheid juist niet willen maken.

‘Hirsi Ali is in de eerste plaats een renegaat, net als Ellian. Het zijn mensen die gefrustreerd zijn. De God waarin ze geloofden heeft in hun ogen gefaald. Ze slaan door in hetzelfde fanatisme wat ze eerst hebben gehad, maar dan naar de andere kant.

‘Ik geloof helemaal niet dat de grote massa van moslims zo druk bezig is met de Koran. Ik begrijp niet waarom afvallige moslims en Hollanders zo met die Koran bezig zijn. Waar bemoei je je mee? Over de Bijbel valt ook van alles te zeggen. Maar als je niet christelijk of joods bent, heb je toch geen interesse voor de bijbel?

‘Onderwijs, werk, daar moet het over gaan. Die hoofddoekjes: laat toch zitten, niet over praten. Als die mensen zich voortdurend beledigd voelen, zijn ze niet van plan ons onderwijs serieus te nemen.

‘Hoe meer we de nationale geschiedenis cultiveren en figuren als De Ruyter op een voetstuk gaan zetten, hoe meer die mensen gaan denken: in welk land ben ik in godsnaam terecht gekomen!’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden