In de ban van de banjo

Al een week lang doe ik dappere pogingen een nieuwe blog te schrijven, maar de techniek zit niet erg mee. Probleem zit in België zeggen ze bij de Volkskrant in Amsterdam.

Zal wel. Ik ben al een paar stukken kwijt die ik dacht gepost te hebben, en weet niet of dit wel te lezen zal zijn.

Maar goed, er zijn veel dingen die ik te bespreken heb. Van het nieuwe album van Robert Plant, Paul Weller in Tivoli en Gillian Welch op TakeRoot in Groningen tot Feeding Of The 5000, het debuutalbum van de anarchopunks Crass uit 1978 dat nu in een fraaie heruitgave verschenen is.

Ik heb me voorgenomen het vooral over leuke dingen te hebben dus Paul Weller valt af.

Laat ik beginnen met een paar regels uit Cindy, zo maar een mooi liedje op Band Of Joy het nieuwe album van Robert Plant. Terwijl ik enthousiast een inmiddels in cyberspace zoekgeraakt stukje te tikken, hoorde ik de regels:

Once I had a banjo

Every string was twine

The only tune it could play was

‘I Wish That Girl Was Mine’

Plant zingt het ingetogen, omfloerst, in de stijl die we kennen van zijn veelgeprezen album met Alison Krauss, Raising Sand. Hij heeft veel naar traditionele folk geluisterd, dat kan haast niet alles. Hoewel meer country dan folk, ademt ook Band Of Joy een authentiek folk-sfeertje uit. De sfeer van liedjes uit Harry Smiths Anthology Of Folk Music, die compilatie uit 1952, die sinds de herdruk in 1997 weer zo invloedrijk is binnen de popcultuur.

De liedjes op Band Of Joy of ze nu van Los Lobos, Richard Thompson of de band Low komen, hebben allemaal iets merkwaardigs. Een sfeertje die refereert aan wat de journalist Greil Marcus ‘the old weird America’ noemde.

En dat ‘oude, weirde America, dat kwam ik de laatste dagen diverse keren elders tegen. Zo was er het mooiste concert dat ik dit jaar zag, dat van Dave Rawlins tijdens TakeRoot, zaterdag in Groningen. Natuurlijk, Rawlins speelde prachtig gitaar, en ook de helft van de Old Crow Medicine Show die zich op het podium bij hem had gevoegd, wist de juiste bluegrass noten te raken. Maar het was de dame naast hem, zijn echgenote Gillian Welch, die het verschil maakte.

Of ze nu eigen liedjes speelden of Neil Young, Conor Oberst of The Band (het akoestische The Weight was een finale om nooit te vergeten): het had allemaal een intense zuiverheid. En het klonk volkomen tijdloos.

Dat kon ik niet zeggen van de man die ik eerder die avond zag optreden in dezelfde Oosterpoort, Frank Fairfield. Ik zag een midden-twintiger op een kruk met zijn voeten stampen terwijl hij banjo, gitaar of fiddle speelde. Hij zong ook, liedjes die ik ook kende van Harry Smith als Nine Pound Hammer en John Hardy. Het was even beklemmend als vervreemdend. Hier stond niet iemand een paar oude covers te doen, hier leek iemand te spelen met een vervoering alsof hij die tachtig jaar oude liedjes zojuist zelf had geschreven.

Laatst had ik hetzelfde gevoel toen ik C.W. Stoneking zag. Ook zo iemand die muziek maakt die je eerder met het begin van de vorige eeuw associeert. Stoneking, schrijft zijn meest liedjes echter zelf. Fairfield heeft op zijn plaat, die ik meteen kocht, alleen oude traditionals staan, maar die zijn wel volledig naar zijn eigen, licht maniakale hand gezet.

Gisteren maakte ik ook kennis met Ola Belle Reed, en dankzij haar ben ik nu echt verslingerd aan de banjo. Ola Belle Reed (1916-2002) woonde aan de voet van de Appalachen, ze maakte niet alleen naam als zangeres/banjospeelster maar genoot in de crisisjaren ook bekendheid als de vrouw die haar huis altijd openstelde voor daklozen, hongerigen, wezen etc. Ze maakte platen die op lokaal niveau aftrek vonden en werd in de jaren zeventig vastgelegd door het Smithsonian Folkways label.

Vooral de live-opnamen op de net verschenen cd Rising Sun Melodies zijn schitterend. Ze werd meestal door een of twee mensen, waaronder haar man op gitaar, begeleid. Maar het gaat om haar stem en het banjo geluid. Dit is muziek die gemaakt lijkt te worden uit noodzaak, denk je als je dit voor het eerst hoort. Het vaak misbruikte woord authentiek lijkt me het enige dat erop van toepassing is.

Als ik dit soort platen hoor, dan wil ik even niks anders meer. Zo kwam ik vandaag op andere platen uitgebracht op het label dat ons Frank Fairfield schonk, Thompkins Square.

Dit New Yorkse label is gespecialiseerd in folk, country, blues en gospel. Vaak betreft het reissues, maar ik heb ook een fraai album van de hoogbejaarde Spencer Moore die liedjes van onder meer Charlie Poole zingt alsof de duivel hem al zestig jaar op de hielen zit. Geen gemakkelijke kost, maar je hoort in ieder geval niet iemand die een trucje doet. Jaren eerder was de muziek-archeoloog Alan Lomax hem al eens op het spoor gekomen, maar zijn stem klinkt nog altijd even overtuigend.

Om mezelf even los te rukken uit het ‘oude weirde Amerika’ bladerde ik door het oktobernummer van Wire, en toevallig stuitte ik op een foto van Lomax.

Wat blijkt, en dat is echt goed nieuws, het beeldarchief van Lomax wordt stukje bij beetje via YouTube beschikbaar gesteld. Gratis en voor niks. Klik hier maar eens op.

Zo genoot ik vanmiddag van de zestien minuten durende film uit 1947: To Hear Your Banjo Play met Pete Seeger als gids. Prachtige beelden. Je kunt je er uren achter elkaar mee amuseren, en je voelt je er echt een gelouterd mens door. Wie een banjo kan spelen, moet een goed mens zijn, denk ik al snel. John Peel zei ooit dat een liedje waarin je een kunstfluiter hoort geen slecht liedje kan zijn, zo denk ik sinds kort ook over de banjo, het verlengstuk van de ziel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden