In conflict met iedereen

Hij stond aan de verkeerde kant van de rookgordijnen en barricaden in de vernieuwingsgolven van de jaren zestig: Piet Heuwekemeijer, directeur van het Concertgebouworkest en het gezicht van het establishment....

'ONAANTASTBAARDER dan het Vaticaan in Rome stond tot voor kort het Concertgebouw in Amsterdam. Voor de Nederlander was tot nu toe de internationale reputatie van het Concertgebouworkest één van de zekerheden waarop hij zijn culturele status bouwde.' Met die angstaanjagende constatering (let op de woorden 'tot nu toe') begon het 'Vlugschrift nr 3' van het maandblad De Gids, een speciale editie die in 1967 werd uitgebracht onder de titel Achter de muziek aan. Verslaggevers waren de componisten Louis Andriessen, Reinbert de Leeuw, Misja Mengelberg, Peter Schat en Jan van Vlijmen. 'Werkredacteur' was Harry Mulisch.

Volgens hen was de reputatie van het Concertgebouworkest een snel aflopende zaak, althans: 'Met dit geschrift komt hieraan, dachten wij, voorlopig een eind.'

Volgde het verslag van een campagne die de vijf componisten begin 1966 op touw zetten, 'een actie die uitgroeide tot een beweging, die weerklank vond in alle lagen van het (kunst-)leven'. De eis luidde dat het Concertgebouworkest naast Bernard Haitink een andere vaste dirigent zou aanstellen, een man die capabel was op het gebied van de nieuwe muziek. Profiel en invulling stonden zo goed als vast: naast Haitink diende, volgens de vijf, de Italiaanse avant-gardist Bruno Maderna te worden benoemd.

Wat er in terugblik uitziet als een daad van grenzenloze aanmatiging, ofwel (naar keuze) als een gebaar van oergeestige provocatie, werd in de jaren zestig opgevat met dodelijke ernst. Het waren de jaren van revoltes en Poolse landdagen, waarin alles wat naar status, gezag en bijkomende oubolligheid rook werd uitgedaagd, of op de korrel genomen in teach-ins. Waarbij het 'regentendom' - star, korzelig en niet zelden enigszins bangelijk - doorgaans niet wist hoe te reageren.

Intussen stond hier, meer dan de charismatische Bruno Maderna, vooral de muze zelf op het spel. Gebeten hond, naast de 'nietszeggend artistiek leider' Marius Flothuis en de 'voor actuele muziek incompetente' Haitink, was Piet Heuwekemeijer. Directeur van het Concertgebouworkest, en het bebrilde gezicht van het establishment.

Bestookt met brieven, eisen tot openbare ontmoeting, een 'Open Brief' en een stormvloed van verhitte voors en tegens in de landelijke pers, verscheen Heuwekemeijer in november 1966 voor de KRO-microfoon voor een discussie met Van Vlijmen en De Leeuw. De Leeuw constateerde dat na de Open Brief van de actievoerders nooit een 'duidelijke argumentatie' was gekomen waarom Maderna niet benoemd zou kunnen worden. Heuwekemeijer verweet hem 'dilettantisme', en stelde droogjes dat het geen zin had 'te discussiëren over de persoon van de dirigent die zou moeten worden benoemd, als je niet van plan bent om iemand te gaan benoemen'.

Directeur P.C. Heuwekemeijer op z'n formeelst: 'Het was beter geweest, met name voor de heer Maderna, als u een effectiever methode had bedacht dan in het openbaar mede te delen dat een dirigent bereid was om een positie te aanvaarden die hem nooit is aangeboden.'

Een pamflettenactie en een nieuwe reeks perscommentaren leidden ten slotte tot een televisietribunaal dat de VARA live op Nederland 2 uitzond. Terwijl op Nederland 1 Ajax uit speelde tegen Liverpool, leidde de PvdA-jongere Han Lammers (toen nog 'publicist') een tv-discussie waarvoor Bellevue in Amsterdam was ingericht als een rechtszaal, met de vijf componisten als aanklagers, Heuwekemeijer als verdachte, de journalisten Leo Hanekroot en Lex van Delden als advocaten, en met een meepratende tribune van 150 belangstellenden, onder wie de bioloog Dick Hillenius, de architect Aldo van Eyck, de dichter Lehman en de ondervoorzitter van de Raad voor de Kunst, Jan Kassies.

De verklaring van de 52-jarige verdachte was ijzerenheinig ('thans echter de hoofdzaak: ...'), in eerste termijn alleen gul met cijfers ('aantal hedendaagse werken 25,5 procent, aantal uitvoeringen Nono drie, Schat vijf'), waarna Heuwekemeijer nog een konijn uit de hoed toverde in de vorm van een oude, lovende brief van de actievoerder Schat. Vreemd genoeg hield de beklaagde, tot ieders verwondering, tijdens de verdere live-uitzending de kaken stijf op elkaar. 'Potdicht bleef hij de vergadering bijwonen, wat geen gunstige indruk maakte', rapporteerde De Waarheid.

In De autobiografie van Piet Heuwekemeijer, een boek waarvan begin november het eerste exemplaar is uitgereikt in het Rosa Spierhuis in Laren, staat nu te lezen wat er destijds door de hoofdverdachte heenging. Heuwekemeijer was aan banden gelegd door het orkestbestuur. Zijn rol zou beperkt blijven tot een 'uiteenzetting'; aan het debat zou hij niet deelnemen.

'Het viel mij soms niet mee om mijn mond te houden', schrijft Heuwekemeijer, terugblikkend op zijn mysterieuze opstelling. 'Maar ook in ander opzicht had ik een moeilijke avond.' Waarna een aap uit de mouw komt: 'Ik hield namelijk een voor mijn gevoel essentieel element achter de kiezen, ons hedendaags repertoire was dikwijls meer plichtmatig dan uit innerlijke overtuiging geprogrammeerd.'

Het vervolg op de Maderna-campagne, een groot aangepakte ordeverstoring in het Concertgebouw die Louis Andriessen en mede-Notenkrakers voor korte tijd in de cel bracht, maakte Heuwekemeijer niet meer mee, althans niet als directeur van het Concertgebouworkest. Hij werd in 1967 ontslagen, in een baaierd van publiciteit, teweeggebracht door een interview waarin hij een 'Plan-Heuwekemeijer' uiteenzette.

Het was een orkestplan dat een directeur van het Concertgebouworkest, volgens musici, Haitink en het stichtingsbestuur, nooit had moeten verzinnen, laat staan wereldkundig had moeten maken.

Directeuren van het Concertgebouworkest tonen met zekere regelmaat de neiging het middelpunt te worden van een conflict. Hetzij met elkaar (zoals onlangs Jan Zekveld-Willem Wijnbergen), met de dirigent (Van Royen-Haitink; Hutschenruyter-Mengelberg in 1904), dan wel met iedereen, zoals in 1967 Piet Heuwekemeijer.

Zijn plan schokte de orkestgemeenschap: het repertoire moest niet alleen worden vernieuwd, maar ook uitgebreid met kamermuziek en werk voor kamerorkest. De musici van het orkest moesten, binnen het bestaande Concertgebouwpotentieel, gestimuleerd worden tot het vormen van uiteenlopende ensembles, met een impresario in vaste dienst. Al bleef het symfonieorkest 'middelpunt van de instelling', dit plan ging in veel opzichten verder dan het aanstellen van een Bour of Maderna. Heuwekemeijer was er al eerder mee aangekomen. Hij bedacht het in de oorlogstijd, toen hij nog bij de tweede violen zat. Toen Heuwekemeijer later nog eens om zich heen keek, zag hij dat ze bij het Gewandhausorkest in Leipzig ook zoiets in praktijk brengen, al sinds jaar en dag.

Aan de Van Baerlestraat gold het plan als vloek in de kerk, erger dan het geblaf van de herdershond Argos die het orkest in gelukkiger jaren uit pure dankbaarheid cadeau had gedaan aan zijn directeur. Het bestuur verbood Heuwekemeijer mee te reizen op de Amerikaanse tournee die hij zelf voor het orkest had georganiseerd. Kort daarop volgde ontslag, en had Piet Heuwekemeijer tijd om weer eens op autorijles te gaan.

Wie was Heuwekemeijer?

Zijn alleraardigste levensverslag heeft, aanvankelijk, Kees de Jongen-achtige trekjes. Jochie uit de Utrechtsestraat, moeder is ziekenzuster, vader drijft een zaakje in muziekinstrumenten. Klein huisje, groot gezin. Piet mag vioolspelen met Tuschinski-bioscoopmusici, en volgt de hbs 'met driejarigen cursus'. Doorleren is niet te betalen. Jongste bediende bij een verzekeringsbedrijfje aan de Keizersgracht; bij een emaillefabriek aan de Cruquiusweg; Piet de Jongen wordt boekhouder (een ervaring die hem in het orkestleven van pas zou komen); Piet wordt volontair/tweede violist bij het Concertgebouworkest, waar Eduard van Beinum, tweede man onder Mengelberg, tot Piets eigen verbazing iets in zijn proefspel ziet.

Herinneringen aan de theatrale Mengelberg en de bonhomme Van Beinum; schaamtevol geheugenverlies wanneer het gaat om de ontslagen joodse collega's en het beklemde stilzwijgen in het orkest. Plannen, orkestplannen, met de hoboïst Stotijn en een groepje oudere collega's, tevens liefhebbers van kamermuziek: 'Algemeen was men van mening dat alles na de oorlog anders moest dan vroeger.'

Gekozen tot bestuurder van de vereniging van Concertgebouwmusici, fungeert hij als kop van Jut bij de rellen in 1951 rond de 'foute' dirigent Van Kempen, waarbij het orkest en masse van het podium loopt; met Heuwekemeijer worden 61 musici op staande voet ontslagen en weer aangenomen. Woordvoerder bij salarisproblemen, oplosser van tourneeperikelen. In 1959, kort na de dood van Van Beinum, wordt de violist directeur.

De houwdegen Heuwekemeijer die zich na zijn ontslag in 1967 op de organisatie wierp van de Omroeporkesten en -koren, mocht een deel van zijn plan-Heuwekemeijer nog verwezenlijkt zien. De vorming van het Orlando Strijkkwartet, was een van zijn triomfen. Dat het verhaal na zijn pensionering in steeds boekhoudkundiger vaarwater belandt - Heuwekemeijer werd loslopend adviseur en rapporteur voor het orkestenbestel - bevestigt de constatering dat het met musici vreemd kan lopen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden