In alles het licht

Eind zestiende eeuw was Rome, amper bekomen van de verwoestingen door Spanjaarden en Duitsers, een stad van dubbelzinnigheden. De paus zelf ging de kerken langs om aanstootgevende en te profane afbeeldingen te laten verwijderen....

DEZE VRAAG: wie is The Genius of Rome in de titel van een Londense tentoonstelling over het ontstaan van de barok in de schilderkunst?

Caravaggio is de onmiddellijke gedachte. Met zijn komst, rond 1590, naar Rome begon een revolutie in de schilderkunst. Zijn werk beheerst met enkele schilderijen alle zalen van de Royal Academy of Arts, waar de expostie wordt gehouden. Zijn Jongen met fruitmand, dat hij rond 1593 schilderde - twintig jaar was hij toen! - staat op het affiche.

Caravaggio was een genie. Maar het werkelijke genie is natuurlijk de stad Rome. Want de uiterste genialiteit van die stad is altijd geweest dat ze genieën heeft gewekt of aangetrokken. Op de tentoonstelling toont de stad haar genialiteit. Van 1592 tot 1623.

Die jaartallen in de titel doen wat komisch aan, juist in hun exactheid. Zij vormen de regeringsperiode van drie pausen: Clemens VIII (1592-1605), Paulus V (1605-1621) en Gregorius XV (1621-1623). (Voor de preciezen: tussen de eerste en de tweede hoort nog Leo XI, maar die regeerde maar 26 dagen.) Toen Clemens VIII aan de regering kwam, was het Concilie van Trente - die poging tot antwoord op en herstel van de slag van het Protestantisme - nog geen dertig jaar geleden geëindigd. De Contra-Reformatie kreeg gestalte, in verinnerlijking en veruiterlijking: er werd gebeden en gebouwd. De zichtbare grootheid, in kerken bijvoorbeeld, moest de triomf van het geloof (en van de beleving daarvan) laten zien. Nieuwe orden, waaronder de jezuiëten, gaven mede aan de geest van die Contra-Reformatie gestalte.

In 1592 was het pas 65 jaar geleden dat de Sacco di Roma plaats had, de plundering van Rome door Duitse en Spaanse troepen. Een verwoesting zonder weerga. Historici zien de gebeurtenis als het einde van het evenwicht van de Renaissance. De paus, ook een Clemens (de zevende), moest vluchten en zat een half jaar gevangen.

Rome begon aan zijn zoveelste wedergeboorte, een wedergeboorte van de kunst en van het geloof en die in relatie tot elkaar. Clemens VIII had nog veel te maken. En hij kende een streefjaar voor de vernieuwing van de stad: 1600, dat een heilig jaar zou zijn.

Clemens VIII is voorbeeldig voor de dubbelzinnigheid van de tijd. Hij is een vrome en ascetische man, maar in uiterlijk vertoon zet hij een pauselijke traditie voort. Hij was ook een echte puritein, streng in de leer van Trente, ook in de kunsten. Kort na zijn kroning ging hij persoonlijk de Romeinse kerken af om aanstootgevende en profane afbeeldingen te laten verwijderen. Vooral de bij traditie ontblote heiligen, Laurentius, Sebastiaan, Maria Magdalena, wekten zijn ergernis.

Clemens was geen eenling. Het Concilie had nogal wat geschriften over de beeldende kunst en de kerk voortgebracht, alles wat wij nu conservatief zouden noemen, maar eerder traditioneel was. Giuseppe Cesari, bijgenaamd Cavaliere d' Arpino, was zijn lievelingsschilder. Cesari was een maniëristische schilder die op de tentoonstelling in Londen alleen in de context van Caravaggio wordt genoemd.

De dubbelzinnige wereld wordt in Rome het sterkst vertegenwoordigd door een aantal kardinalen, onder wie vooral Francesco Maria del Monte. Del Monte had een hele hofopvoeding en -cultuur achter zich, voor hij zich als vertegenwoordiger van de Medici in Rome vestigde. Aan de hoven had hij zijn zeer verfijnde smaak voor schilderkunst, literatuur en muziek ontwikkeld. Tijdgenoten roemden zijn charme, zijn sobere levensstijl ook, maar niet minder zijn vermogen het leven als een spel te zien. Zijn ambiguïteit uit zich in zijn levensstijl en in zijn voorkeur voor kunsten: hij maakte een scheiding tussen privé en publiek.

Al heel vroeg, in 1595, kocht hij van de omstreden Caravaggio twee schilderijen, De waarzegster en De valse kaartspelers. Hij zou zijn grote beschermer worden. De twee schilderijen beelden scènes uit het dagelijks leven uit, ze zijn volks en heel realistisch. Dat was nieuw, al is er gewezen op de grote bloei van literatuur door heel Europa in die tijd. Zeker De kaartspelers is heel dynamisch, en die dynamiek wordt niet in het minst veroorzaakt door de contrasten van licht en donker. Van de werking van die tegenkrachten zal Caravaggio de grootmeester worden, en daarmee ook de grootmeester van de beweging.

Al meteen zijn vroege werk in Rome is een uitdaging door de directheid en natuurlijkheid. Alleen een genie kan een heersende kunststroming verouderd en daarmee kunstmatig doen lijken. Dat effect had Caravaggio's werk op het maniërisme. Zijn vroege werk is niet alleen naturalistisch, het is ook uiterst zinnelijk. Een prachtig voorbeeld is het schilderij Jongen met fruitmand: de fruitmand is van een uiterste overdaad, de jongen met zijn ontblote schouder, zijn wat zware ogen, licht wijkende lippen - hij is de beginnende zinnelijkheid zelf.

De zinnen keren terug in de schilderkunst, zo sterk dat het op de tentoonstelling lijkt of ze zojuist de kunst hebben veroverd. De barok is weer nieuw, althans bij Caravaggio, want alle hem omringende schilders, tijdgenoten en navolgers zijn er om zijn uniciteit te laten uitkomen.

De interpretaties van Jongen met fruitmand - zo eenvoudig op het eerste gezicht - zijn talrijk: een dichterlijke elegie (de jongen heeft iets kwetsbaars en droevigs), een symbolische uitbeelding van de liefde, in het bijzonder de liefde van Christus. Het schilderij is ook gezien als de personificatie van de herfst en is ook psychologisch geduid: Caravaggio's vermeende homoseksualiteit zou in dit schilderij - en in andere met jongens als centrale figuren - zichtbaar worden.

Natuurlijk zijn al die andere mogelijke interpretaties het boeiendst: achter de revolutie werkt een grote, allegorische, traditie door. Die traditionele kant is voor Caravaggio's religieuze werk overtuigend aangetoond door de Nijmeegse kunsthistoricus Bert Treffers in zijn studie Genie in opdracht: middeleeuwse religieuze topen krijgen in een nieuwe stijl gestalte.

De herleving van Rome trekt genieën van elders aan. Vele kunstenaars uit het noorden gaan naar Rome. Maar zij brengen ook de verworvenheden van de eigen schilderkunst mee. Zij stonden in Rome ook in hoog aanzien. Jan Breughel, Paul Bril, Rubens, de Duitser Adam Elsheimer en anderen werden niet alleen door de 'kunst-kardinalen' bewonderd en gekocht. Zij oefenden - Breughel met zijn op kopie geschilderde stillevens, Elsheimer met zijn landschappen - een heel grote invloed uit op de Italiaanse schilderkunst. Het is niet overdreven te zeggen dat de grote periode in de schilderkunst in een samengaan van noord en zuid gestalte heeft gekregen. De tentoonstelling laat dat schitterend zien. Vooral Elsheimer is met indrukwekkend werk vertegenwoordigd.

De tentoonstelling opent met het genre van het stilleven. Caravaggio heeft overigens maar één stilleven geschilderd, maar hij zou in Rome de eerste zijn geweest. En, naar het heet, onovertroffen. Dat laatste schrijf ik met opzet: de samenstellers van de expositie zijn wel erge caravaggisten. De catalogus, zeer omvangrijk en met enkele werkelijk briljante studies, wijst het ook uit: Caravaggio is in alles de grootste geweest. Bij het stilleven is ook het veel meer revolutionaire genre gevoegd: dat van het gewone leven. Natuurlijk kreeg Jongen met fruitmand hier zelfs een dubbele plaats: de fruitmand is een stilleven.

Schitterend is de tweede afdeling die aan de muziek is gewijd. Beroemde stukken als De muzikanten, jongens 'betrapt' bij het stemmen van de instrumenten, en De luitspeler hangen hier (beide werden door Del Monte gekocht). Ook hier is Caravaggio de grootste, de muzikanten van andere schilders laten het zien. Hij is in alle zalen het licht, de andere zorgen voor de schaduw.

De indeling naar genres of aard van de voorstelling is wat kunstmatig, zoals de derde afdeling die aan de klassieke kunst is gewijd aantoont. Hier lopen twee begrippen 'klassiek' door elkaar: dat van de oudheid en dat van schilderkunst die in deze beslissende jaren klassiek van karakter is, zoals het werk van Annibale Carracci (ook zo'n grote schilder die het ongeluk trof in het totaal vernieuwende werk van Caravaggio). De vierde afdeling laat de ontwikkeling van de portretkunst zien: van staatsie naar levendigheid. Er is een werkelijk prachtige afdeling helemaal gewijd aan de landschapskunst. Hier wreekt zich de indeling van de expositie; hoe mooi zou het zijn geweest als deze afdeling gecombineerd was met die van de invloed van het noorden op juist de landschapsschilderkunst.

Een van de allermooiste culturele verschijnselen manifesteert zich hier: dat van de cirkelgang. 'Geïtalianiseerd' zal de noordelijk schilderkunst naar 'huis' terugkeren en daar lang blijven nabloeien.

Natuurlijk is de afdeling religieuze schilderkunst verreweg de boeiendste, want hier staan we voor het hart van de barok: het samengaan van geest en vlees, uiterlijk en innerlijk, in een religieuze eenheid. Absoluut hoogtepunt hier - voor mij van de hele tentoonstelling - is de Johannes de Doper van Caravaggio. Zijn grotendeels ontklede lichaam is niet dat van de boetedoener in de woestijn die hij was. Wat op ons als zeer zinnelijk, in elk geval allerminst ascetisch overkomt, is mede het uiterlijk bewijs van zijn heiligheid: zijn lichaam deelt in de glorie van zijn innerlijk. De Apollo van Belvedère leende zijn torso!

Het schilderij was bestemd voor een kapel die halverwege een pelgrimsroute lag. De bedevaartganger kon hier over zijn zonden treuren, zoals de jonge Johannes met licht gebogen, zeer ernstig hoofd dat over de zonde van de mensheid doet. In volslagen eenzaamheid. Hoe vrij het schilderij ook is, het is onvrij in wat het aan innerlijk wil uitbeelden, naar de gangbare visie op de Doper, die in de Contra- Reformatie werd verhevigd.

In deze nieuwe schilderkunst wordt de heilige vermenselijkt, de klassieke goden trouwens ook. In de religieuze kunst - en dat is echt revolutionair - wordt gebroken met de traditionele, geïsoleerd geraakte vormen van de heiligen. Er staan mensen.

In de catalogus staan twee uitstekende stukken over de nieuwe heiligen. Een werd geschreven door een van de inrichters van de tentoonstelling, de Amerikaanse Beverly Louise Brown. Zij legt meer de nadruk op de uiterlijke verschijningsvormen. Het tweede is van de al genoemde Nijmeegse kunsthistoricus Treffers. Hij duidt - zoals in zijn studie Genie in opdracht - de uiterlijke vormen, de naar wij menen dramatische gebaren, vanuit de affectieve, franciscaanse spiritualiteit die het geestelijk leven in de Contra-Reformatie mede beheerst. Het zeer nieuwe heeft een zeer vertrouwde middeleeuwse inhoud. Juist dat samengaan van wat tegendelen lijken, maakt de religieuze kunst zo fascinerend. Eindelijk raakt ook het lichaam bezield door de heiligheid. En hoezeer aanvaard door de gelovigen bewijst de functie van de Johannes de Doper van Caravaggio.

Caravaggio zorgde hier voor een tweede hoogtepunt. Zijn Madonna di Loreto laat twee knielende bedelaars of pelgrims zien - vuile voeten, alledaagser kan het nauwelijks - voor Maria's huis. Zij staat met het kind op de arm in de deur; het kind zegent de twee. De dubbelzinnigheid is schitterend: de twee kunnen een verschijning hebben van Maria, maar ze kunnen ook gewoon op de stoep van haar huis knielen. Het is allebei waar, want het is allebei hetzelfde.

Rubens bezocht Rome twee keer, in 1600 (hij was toen 23) en in 1608. Hij neemt alles in zich op - ook hij is, in een Aanbidding van de herders, een meester in het licht en donker - maar zijn Romeinse werk heeft al die losse geniale zwier die hem, ook hier op de tentoonstelling, uitzonderlijk maakt.

In 1608 is Caravaggio al twee jaar weg uit Rome: hij moest vluchten om onder een proces vanwege manslag uit te komen. Hij zal de stad niet meer terug zien. In 1610 sterft hij in Porto Ercole, op weg naar Rome, onder zeer dramatische omstandigheden. Maar in Rome schilderde hij door in zijn navolgers, de Caravaggisten, onder wie de Nederlander Honthorst, die met drie prachtige schilderijen op de tentoonstelling aanwezig is.

In 1622 verklaart Gregorius XV vier grote figuren uit de Contra-Reformatie heilig: Ignatius van Loyola, Phlippus Neri, Theresia van Avila en Franciscus Xaverius. De herleving was voltooid, ook in de kunst. En de barok zal nog heel lang en gelukkig leven, tot zij in zichzelf verstoft, als alle grote stijlen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.