Impressie uit een rokersleven

Columnist Jacq. Veldman drukt haar laatste sigaret uit. Flarden uit een rokersleven.

Beeld Paul Faassen

1. Ik inhaleerde

En ik blies uit. En met het uitblazen, blies ik alles wat er die verhipte dag op mijn pad was gekomen er helemaal uit. Een sigaret roken, dat is eigenlijk hetzelfde als een uurtje naar de yoga gaan, dacht ik - want tijdens het roken heb je álle tijd om intelligente verbanden te leggen, waar je normaal gesproken gewoon niet aan toe komt.

Het zou een van de laatste keren zijn dat ik op mijn dakterras een sigaret rookte, maar dat wist ik nog niet. In de verte hoorde ik een trein door de wissels schuren. Reizigers op het treinbalkon zouden worden heen en weer geschud en tegen elkaar aan vallen. Her en der zou een buil op een voorhoofd ontstaan of een liefdesrelatie die er anders nooit zou zijn gekomen.

Ik moest denken aan dat treinbordje waarop vroeger stond: 'Op Vol Balkon Liever Niet Roken'. En vól waren de balkons vroeger. Kwam misschien omdat niemand die ochtend bij het opstaan het universum had gevraagd om een zitplek, want dat kon toen nog niet. Niemand twitterde pissige mentions aan die #kut @NS_online die niet genoeg treinstellen had ingezet cc @ProRail, want je had nog niet eens een telefoon op zak.

Je ging op pad en die avond kwam je thuis en dan hoopte je maar dat je vader en moeder nog leefden en je huis er nog stond. Sommige mensen bekeken elkaar tersluiks. De rest staarde afwisselend naar zijn eigen hoofd en dwars daar doorheen naar de wereld buiten. Weilanden met honderd koeien. Een houtfabriek. Weilanden met twee paarden die doodstil stonden en dan ineens begonnen te galopperen alsof zij hun veulen van school hadden moeten halen en hen dat nu pas was ingevallen. Het water droop van een paraplu zo je schoen in. Iemand stootte met zijn aktetas in je rug. Tenminste, je hoopte dat het zijn aktetas was. En nét als je dacht: zal ik dan nu maar eens gaan beginnen met hyperventileren, hoorde je het schurende geluid van een aansteker en vulde de bedompte ruimte zich met sigarettenrook. Al snel hoorde je nóg een aansteker, of drie. Dan werd het langzaam blauw en vervaagden de tersluikse blikken, de weilanden, de koeien en de paarden. Op het eind zag je alleen nog maar vaag de weerspiegeling van je eigen gezicht in de ruit, terwijl je langzaam stikte, maar daar ging je toen nog niet dood aan.

Niemand werd woest, niemand wees op het bordje - dat dééd je gewoon niet. En al had iemand de rokers in kwestie wél gewezen op het bordje en een beroep gedaan op hun welwillendheid, dan was er misschien een milde discussie ontstaan, in de trant van ja kijk, wat is vol. Nederland nog niet in elk geval, en een vol treinbalkon - dat moest je ook ruim zien. Dus dan haalde je gewoon een uurtje wat minder adem. Kon allemaal.

2. Verslaafd aan iets anders

Maar goed, dan ben een jaar of twintig, oké dertig, verder en je kijkt zo eens om je heen en de meeste rokers van mijn leeftijd waren inmiddels dood. Of ze waren gestopt en andere dingen gaan doen waaraan ze verslaafd waren geraakt. Mijn voorheen rokende vriendinnen konden niet meer stoppen met eten en sleepten zichzelf als walrussen mijn trappen op. Zeker vier van mijn exen konden niet meer stoppen met hardlopen of waren iets dwangmatigs gaan doen in de mountainbikerij. Ik op mijn beurt was halfslachtig door blijven roken, want ik ben zo sloom als een slak in de meeste zaken. Wellicht moeten we ook niet onderschatten dat ik ergens een licht masochistisch genot ontleende aan de steeds onwaarschijnlijker locaties waarop rokers werden geacht hun sigaret op te steken. Het kon niet anders dan een kwestie van tijd zijn voordat men voor ons een gat in de grond zou graven en ons daar alvast in zou gooien, met een aansteker erbij.

Te mijner verdediging: ik was een gematigd roker. En misschien een wat atypische roker ook - zo moest ik stoppen met het kijken naar Mad Men omdat ik kotsberoerd werd van al dat gekettingrook. Aan de andere kant: als er nog drie sigaretten in mijn pakje zaten, ging ik dat aantal verrekenen met het aantal uren dat de dag nog telde. En mocht mijn pakje leeg zijn, dan ging ik desnoods 's nachts nog de snelweg op. Niet bij noodweer, natuurlijk. Ja natuurlijk, óók bij noodweer. Eventueel krabde ik een halfuur lang het ijs van mijn auto. Niet dat ik nog wilde roken die dag. Maar toch. Het huis was anders gewoon een beetje leeg.

Ja en op een gegeven moment zet dat je wel een beetje aan het denken.

Beeld Paul Faassen

3.Who am I kidding..

...dat zette me echt totaal niet aan het denken, haha! Evenmin als waarschuwende teksten in de trant van 'Roken vergroot de kans op dit en dat' want die waren vrij gemakkelijk weg te wuiven met gedachten als: enfin, je moet toch érgens dood aan gaan. En: och, de kans dat ik morgen onder een tram loop, is misschien wel net zo groot en bovendien hébben wij hier helemaal geen trams. Rokerslogica, maar krijg er maar eens een speld tussen.

4. Dit had nog jaren zo kunnen voortgaan.

Ware het niet dat er levensechte horrorfoto's op pakjes sigaretten kwamen. Om te beginnen natuurlijk een levensechte foto van een stel frisse kipfiletlongen en daarnaast een stel doorrookte zwarte longen - maar dat zijn meteen ook de vrolijkste plaatjes die erbij zitten. Ze zijn zelfs enigszins nostalgisch - de zwarte clichélong is al zo oud dat die mij linea recta terugvoert naar mijn jeugd. Om precies te zijn naar het wijkgebouwtje waar ik om onduidelijke redenen als kind elke woensdagmiddag de evangelische indoctrinatieknutselclub bezocht. Aan de muur hing een poster van twee paar longen, waarvan één paar zwartgeblakerd. Zoek de tien verschillen - tenminste, ik ging ervanuit dat dat de intentie was. Ik keek er vaak peinzend naar, terwijl ik mijn kruis borduurde. We kregen limonade gazeuse. De uitgehoeste-rokerslong roept bij mij dus niet zozeer angst en afkeer op, maar eerder een blij verlangen naar de jaren zeventig.

Nee, ik heb het dus over de allerállernieuwste generatie sigarettenverpakkingen. Een horrorfoto van een man met enórm abces op de plek van zijn keel. Een donders knappe man in een doodskist, een treurende vrouw met een huilende peuter op haar arm ernaast. Een verrot gebit waarvan de honden geen brood lusten. Een bloed ophoestende vrouw. Toen ik de foto's voor het eerst zag, moest ik hard lachen. Van schrik. En omdat ik even dacht dat het een wrede grap was. Of een optie.

'Nou doe mij maar de gewone verpakking hoor, haha!', zei ik tegen het meisje achter de sigarettenbalie.

'Nee, dit zíjn nu de gewone', zei het meisje meelevend.

Beeld Paul Faassen

5. De elektronische sigaret dan maar?

(Kort intermezzo, waarin ik koortsachtig de elektronische sigaret googelde. Er waren tekenen dat het gezonder was, tekenen dat het ongezonder was en tekenen dat je in de paar dagen die je nog restten nooit de vinger erachter zou krijgen hoe het precies met de langetermijneffecten zat.)

6. De horrorfoto

Wacht, ik wist het al, ik ging gewoon vanaf nu altijd mijn ogen dichthouden als ik sigaretten kocht. En als ik er eentje wilde opsteken. Of nog beter, ik zou elke keer mijn sigaretten in een oud pakje zónder horrorfoto stoppen. Ik zou het eerst staand proberen en met één hand, want ik probeer altijd alles eerst staand en met één hand. Later zou ik capituleren en aan de keukentafel gaan zitten. Ik moest mijn ogen erbij dichthouden. Het zou een geklooi van jewelste zijn. Sommige sigaretten zouden wegrollen. De gezusters kuttekat zouden ermee aan de haal gaan. Er zou gevloek zijn van mijn kant. Er zouden doormiddenbrekingen zijn van de kant van de sigaretten. En als het dan eindelijk was gelukt, dan moest het bij het volgende horrorpakje opnieuw. Net zolang totdat ik mezelf helemaal had doodgerookt. Hetgeen misschien niet héél lang ging duren - maar dat was dan ook de enige troost in dit alles.

Dus toen wist ik dat ik een probleem had.

Beeld Paul Faassen

7. Op het dakterras

Het zou de laatste keer zijn dat ik op mijn dakterras een sigaret rookte. Ik stak een sigaret op. Ik inhaleerde. Ik blies uit. En met het uitblazen, blies ik álles wat er die verhipte dag op mijn pad was gekomen er helemaal uit. Het keel-abces. De intens knappe maar morsdode man. Die malle lieve rokerslongen. Limonade gazeuse. En toen legde ik een paar intelligente verbanden waar ik normaal gewoon nooit aan was toegekomen en dacht: who are you kidding?

Hou er nou maar gewoon mee op.

Dus ik drukte hem uit.

En dat was dat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden