Imposante dodenmis met barokke uitstraling

Sculpturen en weelderig uitgedoste figuren blijken magneet voor publiek.

Zip, zip, doen de talloze mobieltjes van toeschouwers. Ze leggen de prachtig witte sculpturen vast. Dansers zitten naadloos vastgesmolten in plastieken van mythische wezens. Een enorm paard leent zijn lijf aan een kaalgeschoren jongen: zie daar de wijze Centaur.


Naast hem toornt de Harpij hoog boven alle kijkers uit: half vrouw (met zes borsten), half roofvogel (met hanenpoten). Iets verder op het toneelpodium zitten drie ontroerende dames-op-leeftijd halfnaakt op een bankje, spiegel in de hand. Hun barokke pruiken zijn versmolten tot een puntige hoofdtooi vol vogeltjes, nestjes en eitjes. Samen staan ze symbool voor de Carrousel der Vergankelijkheid. Elders steekt een wit geschminkt, breed grijnzend gezicht van een punkclown uit een bolvormige, jacquard geweven buik.


Tussen zijn narrenslofjes hangt een wit gepleisterde penis van een paar decimeter, met engelenkrullen als schaamhaar. Een paar jeugdige toeschouwers verkneukelen zich over deze decoratieve vertoning van schaamteloos genot en plezier. Ze maken foto's voor Facebook. Toeschouwers kunnen de sculpturen bijna aanraken, tijdens hun rondgang door deze beeldenpracht; toneel-op-toneel.


Voor de Duits-Nederlandse dansopera Requiem werkte choreografe Nanine Linning samen met het Limburgse kunstenaarsduo Les Deux Garçons. Ze delen een fascinatie voor lichamelijke oerversmelting zoals van Siamese tweelingen en Centauren.


De eerste maakte er twee jaar geleden een dansvoorstelling over; het duo versmelt regelmatig opgezette dieren tot twee- of meerhoofdige kunstwerken. Zo drentelt in Requiem een driekoppige hellehond rond (een danser met boosaardig masker) aan de leiband van de Schepper (vertolkt door de 'kleine mens' Birgit Köhne).


De fraai vormgegeven fantasie in het eerste deel van Requiem krijgt door de intieme nabijheid een magisch effect. Dat vervliegt wanneer in het tweede deel zangers, dansers en orkest weer 'gewoon' het grote podium bevolken en de toeschouwers in de zaal zitten.


Requiem opent met een tableau vivant waarna het totaaltheater energiek losbarst, eerst op een fragment uit Dido & Aeneas van Henry Purcell, dan op de symfonische concertversie van Gabriël Fauré's beroemde dodenmis en later nog op een elektronische compositie (Michiel Jansen). Dansers steken voortdurend het grote toneel over. Soms kruipend als reptielen, soms rennend of stervend in andermans armen: een vertolking van de evolutie des levens.


Ze trekken weidse en lang gestrekte lijnen met hun ledematen, in pogingen groots te lijken en het brede podium te vullen met een levendige motoriek. Die wordt spijtig tegenwerkt door het matige, kille lichtplan vol slecht geplaatste spots. Gelukkig loopt de samenwerking wel gesmeerd tussen koor, orkest en dansers van Theater Osnabrück, waar Linning sinds drie jaar artistiek leider is.


Zangers golven mee met de dansers (onder wie een aantal dansstudenten uit Amsterdam), en sopraan en bariton figureren met vissenstaarten als mythische Sirenen. De kwaliteit van zang en dans is niet hemelbestormend - soms zelfs matig - maar door de prachtige ouverture en de barokke uitstraling maakt deze dodenmis langs mythische schepsels toch een imposante indruk.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden