Immuun voor roddel en achterklap Ook in de verhalen van Salvador Espriu klinkt de dichter door

De Catalaanse schrijver Salvador Espriu (1913-1985), van wie de prozabundel Laia in het Nederlands is uitgebracht, geniet in eigen land voornamelijk bekendheid als dichter....

Espriu begon betrekkelijk laat met het publiceren van gedichten. Zijn debuut El cementeri de Sinera (Het kerkhof van Sinera) verscheen in 1946. Daarvóór had Espriu zich vooral toegelegd op het schrijven van prozateksten, die indertijd enthousiast ontvangen werden maar later, als gevolg van Espriu's succesvolle overstap naar de poëzie, enigszins op de achtergrond zijn geraakt.

Naar eigen zeggen was de onderdrukking van de Catalaanse cultuur na de Spaanse burgeroorlog voor Espriu de directe aanleiding om zich aan de dichtkunst te wijden. De poëzie leek hem het meest geschikte genre om een steentje bij te dragen aan een 'postuum testament' van een taal - het door dictator Franco verfoeide Catalaans - die hij ten dode opgeschreven achtte. Daarnaast speelde ook de vroegtijdige dood van zijn boezemvriend Bartomeu Roselló Pórcel (1913-1938) een belangrijke rol, omdat Espriu hierna hartstochtelijk op zoek ging naar een manier om het zo plotseling afgebroken werk van deze dichter (uit Majorca) voort te zetten.

Te oordelen naar de nu vertaalde verzamelbundel moet de muze echter al langer in Espriu's brein hebben rondgezoemd. Neem het titelverhaal 'Laia', de novelle die een piepjonge Espriu in 1932 voltooide: het gaat hier onmiskenbaar om een prozawerk, maar de messcherpe observaties en de beknopte, poëtische stijl verraden de hand van een dichter in spe.

Interessant is in dit verband het eveneens in de bundel opgenomen verhaal 'De regen'. De eerste twee hoofdstukken, 'Augustusregen' (1936) en 'Najaarsregen' (1937) hebben weliswaar een hoog poëtisch gehalte, maar het blijven ontegenzeglijk prozastukken. De laatste twee, uit 1938 stammende hoofdstukken, het prachtige 'Winterregen' en 'Meiregen, geborduurd' (die overigens beide opgedragen werden aan Roselló Pórcel) zijn daarentegen onvervalste prozagedichten. Interessant, omdat de lezer ruim vijftien pagina's lang getuige is van Espriu's ontluikende dichterschap.

Zowel in zijn proza als in zijn poëzie heeft Salvador Espriu zich altijd een somber auteur betoond. Zijn collega Josep Pla, de Catalaanse schrijver wiens Het grijze schrift enkele jaren geleden in het Nederlands vertaald werd, vat dit in een tot nawoord bij de vertaling omgetoverd literair portret als volgt samen: 'Espriu's levensvisie is die van Prediker (. . .) Twintig eeuwen na de verlossing verschijnt een waarnemer die nergens verlossing ziet, die louter het bestaan constateert van een maatschappij in het overduidelijke stadium van dierlijkheid, in het stadium van het Oude Testament (. . .).' Maar even later nuanceert Pla zijn stelling door er op te wijzen dat 'deze schrijver van de bittere pil' ondanks zijn beklemmende levensvisie en het grote aantal doden in zijn werk de pil voor de lezer verguldt door de meest naargeestige ogenblikken op te fleuren met iets kluchtigs.

De novelle 'Laia' is wat dit aangaat illustratief. Rond de plaats van handeling, het fictieve vissersdorpje Sinera (anagram van de plaatsnaam 'Arenys de Mar') hangt een onheilspellende sfeer. Gelukkige mensen zijn er nauwelijks te vinden (zelfs de pastoor wordt 'getergd door een geheime beklemming') en de bewoners zijn zó bekrompen dat ze elkaar het liefst het graf in zouden roddelen. Aan de rand van het dorp loert de vredig ogende, maar verraderlijke Middellandse Zee, die regelmatig dood en verderf zaait onder de bevolking.

De mysterieuze vissersdochter Laia is een geliefd object van de dorpsspot. Als kind werd ze gepest vanwege haar zwakke gestel en haar neerslachtige buien. Maar tot woede van haar dorpsgenoten, groeide ze later uit tot een mooie vrouw. Ze trouwt uiteindelijk met de visser Quelot en krijgt na enige tijd een misvormd kind, wat uiteraard koren op de molen is van de kwaadsprekers in Sinera.

Nadat de diepbedroefde Laia een pak slaag heeft gekregen van haar man, besluit ze haar heil te zoeken in een buitenechtelijke liefdesrelatie. Een gewaagde stap, maar de jarenlange pesterijen hebben haar immuun gemaakt voor roddel en achterklap. Ze beseft bovendien dat het 'fatsoenlijke bestaan' waar ze ooit zo hevig naar verlangde, nimmer realiteit zal worden in Sinera.

Dan slaat het noodlot toe: een cholera-epidemie raast over het dorp en maakt tientallen slachtoffers, onder wie Laia's zoontje. De verguisde vrouw is ten einde raad en gebiedt haar minnaar Quelot te doden. Ze wil volledige genoegdoening voor zoveel ellende en smeekt de beschermheilige van Sinera, Sint Rochus, om hulp. Deze in het verleden vaak barmhartige schutspatroon wil, of kan het tragische lot dat Laia en vele dorpsgenoten wacht niet afwenden.

Geen opgewekt verhaal dus. Maar Espriu vertolkt het prachtig. De speelse, haast achteloze wijze waarop hij met zijn scherpe pen de van afgunst en haat doortrokken geest van de inwoners van Sinera opensplijt, dwingt grote bewondering af. Espriu laat zich niet verleiden tot het formuleren van een moreel oordeel. Hij zet deze - overigens zeer menselijke - roddelaars liever in hun hemd door niet alleen de leegheid van hun komische geklets, maar ook hun ontstellende eenzaamheid te tonen. Niet voor niets klampen deze mensen zich vast aan een bonte club beschermheiligen: van hun medemens hebben ze immers niets te verwachten.

Espriu bedient zich daarbij van een aantrekkelijke, persoonlijke stijl, waarin geen ruimte is voor holle frasen. Soms hanteert hij zelfs een telegramstijl, die de vaart in het verhaal ten goede komt: 'Schedel van een schaap, beweeglijkheid van een hagedis: Ventura de kosten. Bijgelovig, aanbidder van Sint Pancratius. Verwoed speler, won altijd. De kaarten bleven vastzitten aan zijn watervlugge handpalmen en doken weg in zijn zakken.'

In deze bundel staan verder enkele korte verhalen en gedichten die alle verbonden zijn met de hoofdtekst. Zo behelzen 'Paulina' en 'Tereseta-die-de-trap-afging' (een verbluffend knap geschreven 'mini-roman') het levensverhaal van twee figuranten uit 'Laia'. Bij het reeds genoemde 'De regen' ligt het verband overigens minder voor de hand.

Hoewel dit prachtige, subtiele boek over het algemeen goed vertaald is, stuitte ik op een aantal slordigheden en fouten die een capabele corrector niet over het hoofd zou mogen zien. Zo mag je toch aannemen dat Espriu in de volgende zin niet God, maar zijn dienaren ziek en hongerig wilde laten zijn: 'God trok zijn handen af van de vesting van zijn dienaars, gekweld door honger, getroffen door de pest.'

Salvador Espriu: Laia. Uit het Catalaans vertaald door Adri Boon. Menken Kasander & Wigman. ¿ 35,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden