Imaginair

Vorig jaar heeft literair Frankrijk de vijfhonderdste geboortedag van François Rabelais gevierd met vijf nieuwe edities van het complete werk, een cd-rom, biografieën, en vooral veel diners en feesten....

De boeken van de imaginaire bibliotheek bestaan alleen in Rabelais' werk. Afhankelijk van de editie die je leest, is de titellijst 139, 140 of 141 werken lang. Rabelais verzon ze om de geleerdheid en de denkbeelden van zijn tijdgenoten op de hak te nemen. Calvinisten, scholastieken, ijdeltuiten van de Sorbonne - niemand wordt gespaard die zich buiten de gelederen der humanisten ophoudt.

Na meer dan vijfhonderd jaar zijn de imaginaire titels op het eerste gezicht alleen nog maar leuk. Wie wil niet een boek hebben als De Kunst om in gezelschap netjes een Poepje te laten, Het gereedschap des Echts, of De zweetlucht der Spanjolen, Gesuperkokelikantikeerd door Frater Inigo? De ware betekenis van zulke titels is raadselachtig geworden, maar wie op onderzoek uitgaat, zal met die niet-bestaande boeken toch een interessante tentoonstelling kunnen maken. Laten we eens een van de vele vitrines imaginair vullen.

Erasmus moet voor Rabelais een groot inspirator zijn geweest. In een aantal verzonnen titels kiest de Fransman op satirische wijze partij voor de Rotterdammer, bijvoorbeeld met de titel De optimitate triparum, dat door Beda geschreven zou zijn. Beda was theoloog aan de Sorbonne, hoofd van het Collège Montaigu, en tegenstander van onder anderen de lutheranen. Tegen de bijbelvertalingen van Erasmus en Le Fèvre d'Etaples publiceerde Beda een lijvig boekwerk, de Annotationum. Die leggen we dus in de vitrine. Een verklarend bijschrift legt uit dat Beda een dikke buik had, en dat dat wellicht de reden was waarom Rabelais het imaginaire boek De optimitate triparum noemde, 'Over de weldaad van pens'.

Een tweede Rabelais-titel die zinspeelt op de kwestie van Erasmus' bijbelvertaling, is een boek van Sutor: Over iemand die hem schelm had genoemd, om te bewijzen dat schelmen niet door de kerk veroordeeld worden. In de vitrine komen de echte boeken van Sutor: De translatione Bibliorum, gericht tegen de bijbelvertaling, en de Antapologia, Sutor's weerwoord tegen Erasmus' beschuldiging van plagiaat.

Erasmus verbleef tijdens zijn eerste bezoek aan Parijs in het beruchte Montaigu-college. Behalve om zijn strenge leer stond dit ook bekend om zijn gruwelijk slechte voedsel; een reden te meer waarom Rabelais' tijdgenoten om Beda's 'pens' gelachen zullen hebben. Een andere imaginaire titel luidt De modo faciendi boudinos, 'Over de wijze waarop men bloedworst maakt', toegeschreven aan Johannes Major, directeur van het college. 'Bloedworst' verwijst ook naar de harde lijn die Major voorstond ten opzichte van ketters.

Ook van Major leggen we dus een anti-ketterboek in de vitrine, maar dan wel naast Huizinga's biografie van Erasmus, die we openleggen bij pagina 29. Daar kunnen we lezen: 'Erasmus kon volstrekt niet tegen het harde leven in het Collège Montaigu. De bedorven eieren en de verpeste slaapvertrekken zijn hem zijn leven lang bijgebleven.'

En zo vertelt onze vitrine niet alleen iets over de imaginaire bibliotheek van Rabelais, maar ook iets over de drijfveren van Erasmus.

Classicus, humanist, zeker. Maar zijn werk kun je nu ook zien als een levenslange wraak op dat slechte eten en die rotte eieren.

Ed Schilders

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden