ILO moet zich net zoals vakbeweging vernieuwen

Volgens critici heeft de ILO onvoldoende macht en zadelt ze arme landen op met westerse regels. Maar Jelle Visser acht de organisatie juist een voorbeeld voor anderen....

De voorvechters van internationale arbeidsrechten hebben iets waar ijveraars voor een beter milieu alleen maar op kunnen hopen: de ILO. Onderdeel van de Verenigde Naties, ziet deze organisatie toe op de handhaving van internationale arbeidsnormen. Samen met het IMF mocht de organisatie aanschuiven bij de G20.

De ILO is echter niet onomstreden. De voorstanders wijzen op een indrukwekkend stelsel van internationale verdragsteksten. Het zijn er 159 volgens de jongste telling. Enkele gaan over grondrechten als vrijheid van vakvereniging, het verbod op discriminatie, en op kinder- en dwangarbeid. Andere verdragsteksten gaan over veiligheid en gezondheid op het werk, de lengte van de arbeidsdag en sociale zekerheid. Critici menen dat de ILO onvoldoende werk maakt van de naleving van deze rechten en geen machtsmiddelen heeft om overtreders aan te pakken. Tegenstanders menen dat de ILO ontwikkelingslanden een westers niveau van sociale bescherming opdringt dat deze landen zich niet kunnen veroorloven.

De ILO kan geen harde maatregelen treffen tegen landen die internationale arbeidsnormen schenden. Via internationale onderzoeksmissies en publiciteit kan de ILO wel druk uitoefenen en een land aan de schandpaal nagelen. Soms schrikt dat investeerders af en wordt de oppositie erdoor gesterkt. Tijdens het apartheidsbewind in Zuid-Afrika was de ILO vaak het aanspreekpunt voor de oppositionele vakbeweging. Maar in een dictatoriaal land als Birma (Myanmar) haalde de jarenlange campagne tegen de schending van het verbod op dwangarbeid weinig uit. Ook in landen als China of in Saoedie- Arabië, om slechts twee voorbeelden te noemen, speelt de ILO weinig klaar. Om wat te bereiken heeft de ILO steun in een land nodig en daarvoor zijn politieke en maatschappelijke vrijheden en een vrije vakbeweging nodig.

Vergelijkend onderzoek over 123 bij de ILO aangesloten landen, verdeeld over alle wereldregio’s, wijst uit dat de kans op bekrachtiging van internationale arbeidsnormen groter is naarmate de vakbeweging sterker is. Daarom lijkt de ILO het meeste te bereiken in Europa, Latijns-Amerika en Zuidelijk Afrika, en het minste in Zuidoost-Azië, het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Voor de ILO is het niet goed dat de vakbeweging in alle wereldregio’s op de terugtocht is en buiten de publieke en beschermde sectoren van de economie steeds minder aanhang heeft. Wereldwijd is minder dan eenvijfde van de werkenden (buiten de landbouw) lid van een vakbond. Net als de vakbeweging staat ook de ILO voor de opgave zich te vernieuwen via politieke en maatschappelijke bondgenootschappen die haar bereik in de dienstensector en de informele economie vergroten.

Tegenstanders stellen dat de ILO ontwikkelingslanden opzadelen met westerse regels voor sociale bescherming die deze landen zich (nog) niet kunnen veroorloven. Het gevolg, zo menen zij, is dat de informele economie, zonder enige bescherming, groter wordt en werkgelegenheid in de formele economie verdringt. Met andere woorden, de ILO zou averechts werken, de ontwikkeling van landen vertragen en de verschillen in landen vergroten.

Uit mijn onderzoek blijkt dat het aantal bekrachtigde ILO verdragsteksten stijgt met het welvaartspeil. Rijkere landen leggen zichzelf hogere normen op en kunnen dat blijkbaar ook omdat ze dat met een hogere arbeidsproductiviteit terugverdienen. Zo bezien is er niets aan de hand. Maar er zijn veel armere landen, vooral in Midden en Zuid-Amerika en in delen van Afrika, die relatief veel internationale arbeidsnormen onderschrijven. Ondervinden ze daar nadelen van en wentelen ze de kosten af op zwakkere groepen?

Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz merkt terecht op dat sommige internationale arbeidsnormen en vakbondsrechten doelen op zichzelf zijn. Naast hun bijdrage aan economische groei moet de ILO ook op zijn bijdrage aan sociale ontwikkeling beoordeeld worden. De bevordering van de sociale dialoog kan bovendien bijdragen tot het verminderen van conflicten en risico’s in veel regio’s. In eerdere crisissituaties bleken landen met een goed functionerende sociale dialoog zich sneller van een economische tegenslag te herstellen. Dat is van groot belang in de huidige wereldwijde recessie waarin, volgens de ILO, wereldwijd de werkloosheid met nog eens 59 miljoen oploopt tot bijna 300 miljoen mensen. Als de ILO kan helpen bij het opbouwen van conflictoplossende instituties door landen van elkaar te laten leren, dan is dat een positieve bijdrage.

Ten slotte, ongeacht het gemiddelde inkomen of welvaartspeil bieden landen die meer internationale arbeidsnormen onderschrijven ook een hoger niveau van sociale bescherming voor werkenden. Nader onderzoek leert dat dit niet ten koste gaat van bijvoorbeeld vrouwen en niet de verschillen in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen vergroot. Er is dus geen steun voor het argument dat de voordelen van de ILO behaald worden door de kosten op zwakkere groepen af te wentelen. Mijn conclusie is dat de balans uitvalt in het voordeel van de ILO als verdediger van de grondrechten van de arbeid en een hoger peil van sociale zekerheid op wereldniveau. Dus toch een voorbeeld voor anderen?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden