Ik zou gek worden achter de geraniums

De eerste keer dat Annemarie jorritsma solliciteerde was voor haar huidige functie van burgemeester. Daarvoor had ze het al tot minister en vice-premier geschopt....

tekst Roos Schlikker

Dacht u als kind al: ‘Ja, ik wil vice-premier van Nederland worden!’?

‘Nee, helemaal niet. Toen ik heel klein was, wilde ik nog wel hoge cijfers halen maar in mijn puberteit is die ambitie volledig weggezakt. Ik ben naar de MMS gegaan, de middelbare meisjesschool, omdat ik dacht dat ik dan niet zo hard hoefde te werken. Vond ik lekker makkelijk, ik had echt een pretpakket.’

En wat wilde u daar dan mee gaan doen?

‘Geen idee. Vermoedelijk had ik in mijn achterhoofd, dat ik een keer moeder zou worden. Maar mijn vader riep altijd: ‘Je moet een diploma halen, je moet een baan kunnen hebben, want stel dat de ruiter op het witte paard niet langskomt’, en daarom heb ik keurig de middelbare school afgemaakt. Vervolgens besloot ik een vervolgopleiding te doen waarvoor ik niet lang naar school hoefde en waarmee ik snel geld kon verdienen. Dat was dus de School voor Toeristische Vorming, want daarmee kon je na een jaar al aan de slag.’

U heeft heel praktisch gekozen.

‘Ja en het pakte goed uit, ik had vrijwel meteen daarna een baan bij een relatief klein reisbureau. Met een dijk van een salaris vond ik toen, 600 gulden bruto.’

Was u niet te slim voor dat werk?

‘Nee hoor, want ik kreeg veel verantwoordelijkheid. Ik heb nog steeds een hoop aan de ervaring die ik toen opdeed. Ik beheers mijn talen en als wij nu op vakantie zijn en er is een probleem word ik geacht dat even op te lossen. Bovendien ken ik de topografie van Nederland en heel Europa uit mijn hoofd.’

Wanneer kreeg u politieke aspiraties?

‘Nadat ik mijn eerste kind had gekregen zijn mijn echtgenoot en ik naar Bolsward verhuisd en al gauw kregen we daar onze tweede dochter. Toen ben ik MO Frans gaan doen. Uit verveling eigenlijk want een fulltime baan was in die tijd zeker in het noorden van het land not done. Uiteindelijk heb ik die opleiding nooit afgemaakt. Ik was inmiddels lid van de VVD en al vrij snel kwamen ze me vragen of ik niet in de gemeenteraad wilde.’

Zomaar?

‘Nou ja, zomaar... Het kwam doordat ik bij de eerste de beste vergadering meteen mijn mond opendeed. Ik viel op want ik was de enige vrouw. De andere dames kwamen alleen maar voor de nazit. Toen ik verscheen leek het ze wel handig, een leuke jonge meid in de gemeenteraad. Het was in die tijd behoorlijk populair aan het worden een vrouw op de lijst te zetten, dus dat kwam goed uit.’

U was niet gevraagd als u een meneer was geweest?

‘Dan had ik een baan gehad en ik weet niet of ik bereid was geweest al dat raadswerk erbij te doen.’

Wat wist u eigenlijk van politiek?

‘Weinig, maar ik ben er meteen helemaal ingedoken. Ik ben bij de VVD alle cursussen gaan volgen die zij gaven voor beginnende raadsleden, van spreken in het openbaar tot liberale filosofie en ga zo maar door. Ik vond het meteen enig.’

Wat vond u er leuk aan?

‘Het was de tijd van de echte polarisatie, van de enorm grote verschillen tussen rechts en links, dus er viel veel te discussiëren. Ik vond het mooi al die mannen ruzie te zien maken. Zelf was ik in het begin nog erg van het harmoniemodel trouwens, van het zoeken naar een oplossing.’

Wanneer is dat veranderd?

‘Dat consensusgedoe van mij kwam voort uit eigen onzekerheid. Ik was eerst redelijk bedeesd en bescheiden, maar naarmate ik het werk langer deed, kreeg ik meer zelfvertrouwen en werd ik brutaler.’

Noem eens een voorbeeld.

‘In het begin durfde ik niet hard op te treden tegen mijn collega-fractievoorzitter van de PvdA, meneer De Haas. Hij was wereldberoemd in Bolsward. Zelf vond ik het echter een lastpost. Hij had altijd ruzie met de burgemeester en de gemeentesecretaris en viel iedereen aan op de persoon. Op een gegeven moment besloot ik terug te slaan door te zeggen dat ik bij de begroting een amendement zou indienen voor een pak voor hem, omdat hij altijd dingen met gaten aan had. Daar heb ik toen nog De Telegraaf mee gehaald.’

U bent uiteindelijk in de landelijke politiek beland.

‘Ja, veel te snel naar mijn zin. In 1982 viel het kabinet-Den Uyl en toen heb ik aan de partij gevraagd mij op een onverkiesbare plek voor de Provinciale Staten te zetten. Dit met het idee in 1986 een serieuze poging te doen om in de Provinciale Staten te komen, als ik lang genoeg in de gemeenteraad had gezeten. Toen zeiden ze: ‘Zullen we je ook maar gewoon kandidaat stellen voor de Tweede Kamer?’ Ik heb geen moment gedacht dat het serieus was, meende dat ik vooral lijstvulling was. Maar op de een of andere manier vond men in Den Haag dat Friesland wel weer eens een Kamerlid zou moeten hebben en opeens zat ik zomaar in de Tweede Kamer. Dat was echt een cultuurschok.’

Het klinkt alsof u het eigenlijk helemaal niet leuk vond.

‘Ik zag er als een berg tegenop. We hadden twee kindertjes, ‘hoe gaan we dit doen’, vroeg ik me af. Uiteindelijk heeft mijn man me over de streep getrokken. Als hij had gezegd ‘Ik wil het liever niet’, had ik het niet gedaan. Ik zou mijn relatie niet voor de politiek in de waagschaal hebben gelegd.’

Maar u heeft jarenlang zware werkweken gehad. Heeft dat uw relatie echt nooit onder druk gezet?

‘Eigenlijk niet. Ik denk dat het voor ons heel goed was dat we niet alle dagen bij elkaar waren. Ik was een avondmens, kon vroeger nooit ’s avonds in bed komen en ’s ochtends er nooit uit, en hij lag er ’s avonds altijd op tijd in en werd weer vroeg wakker. Het kwam dus goed uit dat ik drie nachten per week in Den Haag zat, kon ik lekker mijn gang gaan. Toen we 25 jaar getrouwd waren hielden onze kinderen een kleine conference waarin ze ons meldden dat het huwelijk nog maar 12,5 jaar bestond en geen 25 omdat we elkaar zo weinig hadden gezien. Vond ik wel geestig.’

Kon u zich wel gemakkelijk losmaken van de kinderen?

‘Nee, daar had ik vreselijke schuldgevoelens over. Toen mijn dochter een keer haar pols brak, belde de school mijn buurvrouw in plaats van mijn man. Daar kan ik mij nog over opwinden. Een school die de pretentie heeft roldoorbrekend te zijn weigert de vader te bellen omdat ze denken dat een man zoiets niet kan oplossen! Vervolgens belde die buurvrouw natuurlijk mij in Den Haag. Toen konden ze me echt opvegen.’

U noemde het een cultuurschok toen u in Den Haag kwam. Wat is de grootste flater die u heeft geslagen?

‘De ergste was wel dat ik een motie van de oppositie heb zitten steunen. Tijdens de begrotingsvergadering diende Frits Castricum van de PvdA een motie in over de knielbus, een bus waar rolstoelen in konden. Daar had ik eerder iets positiefs over gezegd. Hij had precies mijn verhaal opgeschreven waarop ik vervolgens mee tekende. Toen ik terugkwam in de fractie kreeg ik ongelofelijk op mijn sodemieter. Ik had nooit zomaar met een andere partij mee mogen gaan. Daar heb ik echt slapeloze nachten van gehad.’

Wat is in uw carrière uw grootste kracht gebleken?

‘Dat ik in eenvoudige woorden een ingewikkeld probleem kan uitleggen. Ik denk dat dit van mij een goede volksvertegenwoordiger heeft gemaakt en daarna een goede minister. Niet iedereen hoeft het met me eens te zijn, maar ik kan wel goed vertellen waarom ik bepaalde beslissingen neem.’

Wat heeft u echt moeten leren?

‘Geduld opbrengen. De ene keer gaat niemand met je voorstel mee terwijl het drie weken later als een mes door de boter glijdt en je van alles gedaan krijgt. Zeker in de periode met Jan Pronk leerde ik dat ik nooit haast moest hebben. Hij hield ontzettend van onderhandelen, en was lang niet altijd erg geïnteresseerd in de uitkomst. Vanaf het moment dat ik dat inzag, kon ik heel goed met Jan opschieten.

Wat was uw grootste zwakte?

‘Je kunt aan mij altijd vrij goed zien wat ik ergens van vind. Als ik het idee heb dat iemand ontzettend zit te zeuren valt dat van mijn gezicht af te lezen. Dat is soms niet handig. Mijn ambtenaren hebben mij regelmatig tijdens besprekingen briefjes onder de neus geduwd waarop heel groot ‘Pokerface’ stond geschreven.’

Waar heeft u echt spijt van?

‘Dat ik, toen ik minister af was, terug gegaan ben naar de Tweede Kamer. Dat had ik niet moeten doen.’

Waarom niet?

‘Ik was het ontgroeid. Ik had het twaalf jaar gedaan voordat ik minister werd en dat was al lang. Toen Hans Dijkstal me na het ministerschap vroeg terug te komen, twijfelde ik al. Maar goed, Dijkstal zelf vond het hartstikke leuk, dus ik dacht: waarom niet. Maar ik vond het na een maand al verschrikkelijk. En toen zat ik daar met mijn 140 duizend voorkeurstemmen. Ik kon gewoon niet weg. Ik was dolblij dat het kabinet na een jaar viel.’

Een bevrijding.

‘Zeker. Ik nam me hevig voor een heel jaar niks te doen en te genieten van mijn wachtgeld. Maar ja, na drie dagen zat ik mij dood te vervelen thuis, verschrikkelijk. Toen zag ik de advertentie voor burgemeester van Almere staan en heb ik een brief geschreven. Het is de eerste keer in mijn leven dat ik echt ergens op heb gesolliciteerd. Gelukkig werd ik aangenomen.’

Verlangt u met de verkiezingen in aantocht echt helemaal niet meer terug naar Den Haag?

‘Nee. Ik ben nog best vaak in Den Haag bij het een of ander, maar er is nog geen moment geweest waarop ik heimwee had naar de goede oude tijd. Ik vond minister zijn fantastisch, maar er kleeft ook een heel groot nadeel aan: je hebt nergens anders tijd voor. Tegenwoordig bridge ik nog wel eens, daar kwam ik toen echt niet aan toe.’

U heeft een aantal keer behoorlijk onder vuur gelegen. Zo werd u ervan beschuldigd een snoepreisje te hebben aangenomen van bouwbedrijf Koop Tjuchem. Wat heeft dat met u gedaan?

‘Niets, want mijn geweten was schoon.”

Ik geloof niet dat het u niet geraakt heeft.

‘Nou goed... dat er over mijn familie gepraat werd, heb ik heel erg gevonden.’

U vindt dat u daar geen schuld aan heeft gehad?

‘Ik heb inderdaad een reis van het bedrijf geaccepteerd, maar in die tijd was zoiets doodnormaal. Iedereen deed het.’

Dat praat het toch niet goed.

‘Nee, nu zeg je: ‘Ik zou het nooit meer doen’, maar het is altijd gemakkelijk achteraf een oordeel te vellen. Toen ik het deed, was Koop Tjuchem nog een normaal en door iedereen zeer gerespecteerd bedrijf. Pas later tijdens de bouwfraudeaffaire bleek er van alles niet te kloppen.’

Maar het is natuurlijk niet handig, zeker niet als uw eigen man eigenaar is van een bouwbedrijf.

‘Waar ik heel boos over ben geworden, is dat men mij allerlei dingen rond het bouwbedrijf in de schoenen schoof, terwijl ik mij er mijn hele leven nooit mee heb mogen bemoeien. Vanaf het moment dat ik in de Kamer zat, hebben mijn man en ik met elkaar afgesproken niet samen over ons werk te praten. In de beperkte tijd dat we samen waren hadden we wel andere dingen te bespreken.’

U klinkt nog steeds woedend.

‘Ja, het emotioneert me nog steeds. Ik heb een stommiteit begaan, dat heb ik tijdens de parlementaire enquête ruiterlijk toegegeven. Daar mag ik op worden aangesproken, maar laat mijn familie er buiten.’

Vind u dat u beschadigd bent?

‘Natuurlijk! Ik heb er geen moeite mee als men mij bekritiseert, wie zijn nek niet uitsteekt en geen risico loopt, moet achter de geraniums gaan zitten. Maar kritiek moet wel gebaseerd zijn op feitelijkheden. En in dit geval ging het maar om halve feitelijkheden die als de hele waarheid gebracht werden. Dat blijft aan je kleven.’

Wat voor een ambities heeft u nog?

‘Mijn burgemeesterschap loopt tot 2009-2010, en ik ben nu aan het nadenken over wat ik daarna wil. Ik heb het naar mijn zin, maar er zitten een paar nadelen aan het burgemeesterschap. Je trekt immers niet echt zelf aan de touwtjes. Je bent weliswaar voorzitter, maar niet de politieke spil, en dat is lastig, want ik ben natuurlijk iets anders gewend. Misschien ga ik hierna nog iets doen op het raakvlak tussen politiek en bedrijfsleven. Dat kan best interessant zijn.’

Moet u niet toch eens achter de geraniums?

‘Ik moet er niet aan denken. Het ligt me niet. Ik zou gek worden.’

U heeft kleinkinderen. U kunt een hartstikke leuke oma zijn.

‘Mijn man past nu één dag in de week op op de kleinkinderen. Hij is een dag minder gaan werken en heeft natuurlijk altijd al veel tijd geïnvesteerd in onze kinderen en kleinkinderen.’

Bent u daar nooit jaloers op?

‘Daar ben ik hartstikke jaloers op. Hij zegt altijd dat dat contact het meest waardevolle in zijn leven is. Maar ja. ik moet er niet aan denken te stoppen met werken. Dat zit gewoon niet in me.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden