‘Ik zou dit niet kunnen voor een koekjesfabriek’

Ze begon ooit in de hulpverlening in Australië. Nu ijvert Liesbeth van Tongeren (50) als directeur van Greenpeace Nederland voor het milieu....

Vanuit haar werkkamer ziet Liesbeth van Tongeren (50) vooral water. En lucht. Het Nederlandse kantoor van Greenpeace is gehuisvest in een oud pakhuis aan het IJ, een paar verdiepingen boven de keuken waar Jamie Oliver 15-jarige rebellen laat koken.

De algemeen directeur van Greenpeace Nederland geeft haar Blackberry aan een assistente en neemt een slokje water. Uit een glas. Ze glimlacht. ‘Nee, we hebben hier geen plastic bekertjes, wel een wereld aan scharreltheeën.’

Ook is het pand uitgerust met bewegingsmelders op de lampen en hoogrendements-tl-lichten. Van Tongeren reist – net als al het andere personeel – altijd met het openbaar vervoer. ‘Behalve als ik ’s avonds op een ongure of onbereikbare plek beland. Dan neem ik heus wel een taxi.’

Je kunt het natuurlijk ook niet maken, richting je donateurs. Het is toch practice what you preach?

(Fel:) ‘Je moet er eerst zelf achter staan. Als je het zou doen uit verplichting aan je donateurs zit je er fout in.

(Kalmer:) Maar ik ben het met je eens, ik vind ook dat de donateur dat van je kan verwachten.’

Van een groepje Canadese actievoerders in een rubberbootje die eigenhandig Amerikaanse kernproeven voor de kust van Alaska blokkeerden in 1971, is Greenpeace uitgegroeid tot een succesvolle multinationale pressiegroep. Er werd – met meer en minder succes – geageerd tegen Franse kernproeven, het dumpen van kernafval in open zee en de jacht op walvissen en zeehonden.

Van Tongeren is nu vijf jaar directeur van Greenpeace Nederland, van oudsher – samen met Duitsland en Amerika – een van de grootste Greenpeacevestigingen. Ze heeft zo’n honderd man personeel onder zich. De milieuorganisatie is bijna een soort multinational, met honderden medewerkers in veertig landen en wereldwijd een omzet van ruim 150 miljoen euro. ‘Dat hele netwerk aan vestigingen werkt samen op hoofdthema’s: klimaat, energie, oceanen, bossen.’

Jullie hebben aandacht voor het milieu op de agenda gezet. Inmiddels wemelt het van de groene initiatieven. Al Gore kreeg een Nobelprijs en Shell werkt aan een groen imago. Is het moeilijker om als Greenpeace je gezicht te laten zien?

‘Ons doel is niet om veel gezien te worden, maar om milieueffect te bereiken.

‘Er wordt veel gepraat over het milieu, maar als je naar de cijfers kijkt, verslechtert het nog steeds. Het zijn vooral de middelgrote bedrijven die ingrepen toepassen. Bij de grote jongens zoals Monsanto, Shell of BP zie je weinig beweging van enige omvang. Shell adverteert veel met duurzaam, maar als je op hun begroting kijkt hoeveel ze er daadwerkelijk in investeren, nauwelijks.’

Maar zonder donateurs geen strijd voor een betere wereld. En de donateursaantallen lopen terug.

‘De inkomsten stijgen nog elk jaar. Vorig jaar hebben we anderhalf miljoen euro meer binnengekregen. En het aantal donateurs is min of meer stabiel, we zijn vorig jaar met vierduizend gezakt, op een totaal van 572 duizend.’

Klimaat, duurzaamheid en energie. Dat klinkt toch anders dan het aanpakken van zeehondenknuppelaars, walvisvaarders en olieverspreiders. Waar zijn de stoere ridders te boot gebleven?

‘Het is misschien mijn spreekstijl, maar kijk: (Van Tongeren wijst op een foto van meisje in boot met een rode helm) zij ging deze winter nog walvissen beschermen in de ijszee.’

Komen zulke acties misschien minder in beeld?

‘De media zijn enorm verveelvoudigd. Wil je nu impact hebben, dan helpt het niet als je alleen in het NOS Journaal zit of bij het nieuws van RTL4, dan moet je ook nog bij Pauw & Witteman, RTL Boulevard en De Wereld Draait Door. Volgens onze eigen telling zitten we meer dan ooit in de media, maar in de perceptie van een groep mensen zijn we minder zichtbaar.’

Maar dat is dus niet het geval?

‘Nou ja, perceptie is een feit. Dus als mensen dat zo zien, dan is dat voor hun zo.’

Is dat iets waar jullie dan heel erg je best voor doen, om die perceptie te veranderen?

‘Zoals ik al zei, wij zijn er vooral op gericht om effecten op het milieu te veranderen, dat is onze doelstelling, niet zichtbaarheid.

‘Maar we zijn wel altijd bezig om onze boodschap zo helder mogelijk te verwoorden. Dat is meer dan zeggen: geen oerbos meer kappen, alle leven in de oceaan moet blijven bestaan en we willen een gezond klimaat. Onze campaigners doen dat op topniveau, met mensen van ministeries en van het bedrijfsleven, maar je wilt het ook in normaal Nederlands kunnen uitleggen.’

Wat voor soort mensen werkt er zoal bij Greenpeace?

‘Veel hoog- en superhoogopgeleiden, academici en promovendi. Mensen die elders meer zouden kunnen verdienen, maar intrinsiek gemotiveerd zijn om hier te werken.’

Die hangen aan de gevels of zitten in de boten?

‘Dat zijn de onbetaalde vrijwilligers. Maar als die dan aan de gevel hangen met spandoeken, en het bedrijf zegt, wij willen wel praten, dan gaat een campaigner naar binnen om te onderhandelen. Daar moet je lef voor hebben, om met de Raad van Bestuur van Unilever om tafel te zitten en beleefd maar vasthoudend te blijven uitleggen wat Unilever moet veranderen. Dan moet je van goeie huize komen.’

Wat zegt zo iemand dan bijvoorbeeld?

‘Hoe snel stop je met het kappen van oerbossen in Indonesië?’

Waarom zou Unilever dat doen?

‘Omdat wij dan niet meer zullen zeggen dat Unilever een van de grootste verwoesters van oerbossen is.’

En dat is voor hen voldoende?

‘Je hebt twee varianten. Of het bedrijf doet het alleen omdat ze geen slecht imago willen. Of ze zien in dat ze domweg winstgevender worden als ze op duurzame wijze gaan produceren, want economie en ecologie kunnen enorm goed samengaan.’

Dat klinkt als een slogan.

(Van Tongeren praat door:) ‘Wat wij te bieden hebben is dat zij een beter bedrijf worden. Dat kan goedschiks of met meer druk.

‘Bij onze cosmeticacampagne spraken we bijvoorbeeld met bedrijven die zeiden: gifvrij, dat kan helemaal niet. Dan zeiden wij: jawel, kijk maar naar Weleda, Hema of Dr. Hauschka, die doen het ook. Dat werkt. Veel bedrijven zijn hun producten gaan veranderen naar aanleiding hiervan. Je daagt hen uit. En als je ook nog goede verkoopcijfers kunt laten zien, dat helpt.’

Van Tongeren studeerde internationaal recht. ‘Recht vanwege rechtvaardigheid, internationaal omdat dat niet alleen in Nederland moet gebeuren, maar wereldwijd.’ Als student werkte ze voor een kraakblad en een vrouwenhulporganisatie. Die maatschappelijke betrokkenheid is haar met de paplepel ingegoten. ‘Niet op een dwangmatige manier, mijn ouders en grootouders waren er gewoon mee bezig. Dan raak je besmet.’

Dus hielp Van Tongeren haar moeder al op de lagere school met het begeleiden van gezinnen uit Oeganda, die voor de toenmalige dictator Idi Amin waren gevlucht. ‘En we haalden kranten op voor de kinderen in Biafra. Maar dat deed de hele buurt in die tijd.’

Na het behalen van haar bul woonde Van Tongeren zes jaar in Australië, waar ze onder meer in een hulpverleningscentrum voor mishandelde vrouwen en in een vluchtelingencentrum werkte.

Hoe ben je in Australië beland?

‘Toen ik in 1983 van de universiteit kwam was er in Nederland geen werk te vinden. Met de bul kregen we eigenlijk min of meer de uitkeringspapieren binnen. Met mijn werkzaamheden als vrijwilliger kwam ik mijn tijd wel door, maar ik had zoiets van: is dit nu het leven?

‘Met mijn toenmalige vriend ben ik vervolgens naar Australië gegaan, aanvankelijk alleen om te reizen, maar het mondde uit in een langduriger verblijf. Ik heb nooit gedacht: ik ga emigreren. Ik bleef gewoon plakken. Telkens dacht ik: dit is leuk, ik doe het nog een jaartje. Bovendien is het een prachtig land en deed ik daar allerlei spannende jongenssporten, zoals surfen en zeezeilen.’

Je begon als vrijwilliger, maar werd vrij snel coördinator in een vrouwenhuis. Je leidinggevende capaciteiten manifesteerden zich direct?

‘Men vond mij daar geschikt voor, denk ik. In zo’n vrijwilligersclub kies je je eigen werk. Ik pakte snel werk op, regelde dingen. Dat zit in mij.’

Zat dat er al jong in: regelen, organiseren?

‘Ja, ja, ja. Dat zie je bij een heleboel vrouwen in leidinggevende posities. Ik ben bestuurslid bij Women on Top, die club rondom Heleen Mees, en daar hebben we het natuurlijk ook over onze levensloop. Het is opvallend om te zien dat het gros van die vrouwen op de lagere school al iets deed met regelen of organiseren, als klassenvertegenwoordiger of in een schoolparlement. Ik ook.’

Je werkte met mishandelde vrouwen en vluchtelingen. Dat moet behoorlijk heftig zijn geweest.

‘Het was héél heftig werk. En ook heel erg pionieren. Maar daardoor vond ik het juist ook zo interessant. Er kwamen mensen rechtstreeks uit vluchtelingenkampen in Cambodja – dat speelde toen – zonder dat er verder echt een infrastructuur voor bestond. Er waren niet eens tolken. Met handen en voeten moest je proberen uit te zoeken wat er met hen was. Het waren gezinnen met bijna alleen maar vrouwen, die amper aten. We wisten er aanvankelijk geen raad mee.’ (Ze valt even stil)

Hoe kon je daar goed mee omgaan?

‘Ik ben praktisch en regelend. Ik dacht meteen: hoe kan ik dit oplossen? Ik wist niet waarom ze niet aten. Maar misschien vinden ze wat wij hen voorschotelen gewoon niet lekker. Dus bedacht ik: we nemen ze mee naar de winkel en we laten ze daar gewoon aanwijzen: wat wil je eten? Dat werkte.

‘In Australië is alles pragmatischer, in die tijd althans. Je had daar geen casemanager nodig omdat iemand zeventien verschillende hulpverleners heeft. Je had gewoon één hulpverlener, dat was het. Ik weet nog dat ik terug in Nederland een keer koffie uit een automaat wilde halen. Ik kon uit twintig verschillende koffies kiezen. Dat vond ik zo typerend. In Australië heb je gewoon koffie of thee. Zo was dat ook in de hulpverlening.

‘Wat ik probeer te zeggen: je deed gewoon wat nodig was, wat je zag aankomen. En je maakt inderdaad emotioneel contact. Ik heb er in elk geval enorm veel van geleerd en het gevoel overgehouden dat ik een aantal mensen écht geholpen en begeleid heb.’

Waarom ben je uiteindelijk weer vertrokken uit Australië?

‘Om interessantere banen te krijgen zou ik van nationaliteit moeten wisselen en ik wilde mijn toegang tot Europa en mijn Nederlandse paspoort niet opgeven. Ook miste ik wat: je hebt daar het grote mooie buiten, maar weinig cultuur, filosofie, politicologie*’

Terug in Nederland werkte Van Tongeren achtereenvolgens bij een project voor het opzetten van diverse instanties in de vrouwenhulpverlening in Noord-Holland, bij een vrouwenopvang in Den Haag, bij de Dienst Welzijn van de gemeente Amsterdam, en de Sociale Dienst van Purmerend alvorens ze bij Greenpeace terechtkwam.

Wat is de gemene deler?

‘Ik heb altijd gekeken naar banen waar ik iets kan bijdragen, waar ik kan helpen de wereld een stukje beter te maken. Maar ook heel erg naar een plek waar ik zelf veel kan leren, om mijn nieuwsgierigheid te blijven voeden.

‘Ik heb nooit op m’n twaalfde gedacht: ja, ik moet directeur van Greenpeace worden. Maar zo terugkijkend denk ik: dit past wel héél goed.’

Waar komt dat ‘iets kunnen bijdragen’ vandaan?

‘Van mezelf. Dat heb ik altijd gehad. En het zit inderdaad ook in mijn familie. Mijn grootouders hadden een weeshuis, mijn moeder deed veel vrijwilligerswerk. Zij was van de generatie dat ze moest stoppen met werken toen ze trouwde en kinderen kreeg en ze was een capabele vrouw met een goede opleiding. Ze was hoofdverpleegkundige. Die zou dan thuis moeten gaan zitten met de kinderen, terwijl ze veel meer kon en vooral veel meer wilde. Dat deed ze dus ook. Ik zag haar al dat vrijwilligerswerk doen en ging daar in mee.

‘Iets bijdragen was een normaal onderdeel van mijn leven, net zoals voor mijn zoon van twaalf nu. Mijn partner zit in het bootteam van Greenpeace, dus boten en actievoeren zijn voor hem een normaal onderdeel van het leven. Van huis uit krijgt hij een beetje zorg mee voor de planeet en voor andere mensen. Je moet je kind niks opdringen. Maar ik denk dat een opvoeding met idealen vroeger of later vanzelf z’n vruchten gaat afwerpen. Maar dat zien we later wel weer.’

Is er iets veranderd in je eigen leefgedrag sinds je bij Greenpeace werkt?

‘Vooral op het gebied van cosmetica. Ik ben gestopt met parfum en met crèmes en deodoranten met geurstoffen. Er zitten grote hoeveelheden toxische en chemische stoffen in cosmetica. Er bestaan ook ‘schone’ producten, en die koop ik nu heel bewust. Maar ik had van tevoren geen idee.’

Hoe fanatiek verdedig je je standpunten? Ben je een predikant?

‘Nee. Als er een alternatief is, kijk daar dan naar. Dat is eigenlijk wat ik wil zeggen. Ik vind niet dat mensen nooit meer in de auto mogen, of nooit meer mogen vliegen. Maar kies er bewust voor.’

Hoe zou je jouw leidinggeven typeren?

‘Ik ben iemand die heel erg kijkt wat er in de situatie nodig is. Het is dus niet zo dat ik altijd een dienend leider ben of juist autoritair.

‘Bij Greenpeace heb ik eerst heel veel aandacht besteed aan de historie en aan hoe alles werkt. Het is een organisatie met een hele stevige en publiekelijk bekende historie, dus daar moet je je eerst in onderdompelen en niet denken dat je het allemaal opeens beter weet. Daarna heb ik gekeken wat ik kon toevoegen.

‘Ik moet wel een verbinding voelen met de doelstelling. Ik zou dit niet kunnen voor een willekeurige koekjesfabriek. Terwijl er heel veel koekjesfabrieken zijn.’

Hoeveel verdien je?

‘Dat mag je vragen, want dat is hartstikke publiek. Per jaar 94 duizend euro bruto.’

Dat is behoorlijk veel, voor een goededoelenorganisatie.

‘Er is een regeling voor directies in goededoelenland, een soort variant op de code-Tabaksblat. Greenpeace zit er nog ongeveer 20 duizend onder. En ik vind het zeker niet aan de hoge kant, gezien het type verantwoordelijkheden. Het is een organisatie met honderd mensen in dienst en driehonderd vrijwilligers en een inkomen van 23 miljoen. Als ik het wel te veel vond zou ik het veranderd hebben.’

Zijn werk en privé lastig te combineren met jouw baan?

‘Ik vind van niet. Ik ben redelijk handig in organiseren. Mijn partner werkt ook in Amsterdam, die geeft les aan de Theater Hogeschool en hij is ook regelmatig in de avonden weg. We werken allebei fulltime, maar in de buurt en flexibel. Dus ik kan om vier uur even naar huis en om zeven uur weer terug zijn voor die vergadering.

‘Ik heb een prettige werkweek. Maar als ik te weinig werk, word ik onrustig. Dan ga ik andere klussen erbij zoeken.’

Je zit bij Women on Top. Ben je voor quota om meer vrouwen in topposities te krijgen?

‘Absoluut. Omdat er al twintig jaar van alles geprobeerd is om een vrijwillige gedragsverandering te bewerkstelligen. Zo lukt het dus blijkbaar niet. Maar zo’n regeling moet wel eindig zijn en je moet ook niet in een keer met 40 procent beginnen, zoals in Noorwegen.

‘Begin volgend jaar met 10 procent, dat vind ik geen bizarre eerste stap. Het gaat mij erom dat vrouwen die willen en kunnen er ook kunnen komen. En dat is nu gewoon niet zo.’ *

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden