Ik zocht naar jou en vond je niet

Een God die Nederlandse schrijvers leest, moet tegen een stootje kunnen. Hij wordt weggezet als een wrede patriarch, die kinderlevens verpest (bij Jan Wolkers), de geest grote schade toebrengt (Jan Siebelink, J.M.A. Biesheuvel) en als een praatjesmaker die in de Bijbel baarlijke nonsens laat vertellen (Maarten 't Hart). Hij werd met de bekeringsijver van een missionaris bestreden door Rudy Kousbroek en door W.F. Hermans, die zelf in zijn werk dwangmatig de chaos probeerde te bezweren. Hij werd overbodig geacht door Harry Mulisch, die Schepper in zijn eigen universum was, en door Multatuli, die dacht dat de mensheid zonder God kon, omdat ze hém hadden, de schrijvende verlosser die zich identificeerde met Jezus.


Ook bij de schrijvers die God wel opnamen in hun verbeeldingswereld moet Hij zijn wenkbrauwen hebben gefronst. Hij zag zichzelf als 'éénjarige muisgrijze ezel' die werd bereden door zijn aanbidder, de schrijver Gerard Reve. Een paar decennia later was het Désanne van Brederode, die zichzelf katholiek noemde en het verlangen naar een minnaar en een mooi jongemannenlichaam aan een kruis in haar werk vermengde. Bij F.B. Hotz was God een grijnzende almachtige, die neerkeek op zijn kleinzielige gelovigen en wellustig draaide aan de knoppen van het noodlot.


En dan was er nog de briljante Frans Kellendonk, die heen en weer geslingerd werd tussen hart en hoofd - het hart dat terugverlangde naar het 'bezielde verband' van zijn katholieke jeugd, het hoofd dat te slim was om menselijke projecties voor waar aan te nemen. Met de dood in het lijf schreef hij: 'Ik heb in het hart van de schepping een leemte ontdekt waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen.' Ook Renate Dorrestein zegt zich nog altijd thuis te voelen bij de rituelen van de Moederkerk van haar kindertijd, en de katholiek opgevoede Cees Nooteboom onderwierp een moderne flierefluiter in zijn roman Rituelen aan eeuwenoude symboliek.


Het is moeilijk om de Nederlandse literatuur te beschouwen zonder het over religie te hebben. We zijn in de literatuur nog lang niet van God los. Het aantal dichters bij wie ervaringen, of het maken van een gedicht, raakt aan mystiek, is groot. Zelfs voor schrijvers die je niet met religie associeert, zoals A.F.Th. van der Heijden en Hella S. Haasse, is kunst een middel waarmee je zin en samenhang kunt ontwaren. Kunst is, zei Hella Haasse eens, 'Geloven zonder God'.


Eerlijk gezegd had ik gehoopt, toen ik het boek van Jaap Goedegebuure, Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010, zag aangekondigd, op een naoorlogse literatuurgeschiedenis met religie als invalshoek. Een boek dat laat zien hoe en waarom de begrippen literatuur en religie in Nederland zo hecht aaneengesmeed zijn, ook in een tijd vanontkerkelijking - én het toenemende 'ietsisme' van intellectuelen voor wie het zonder inspiratie van elders wat al te kil is in het universum.


Dat boek heeft Goedegebuure, hoogleraar moderne letterkunde, criticus en biograaf van Marsman, helaas niet geschreven; de weidse titel is misplaatst. Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010 is een verzameling lezenswaardige essays over schrijvers en dichters die zich verhouden tot God, religie of mystiek. Aan bod komen, naast algemenere essays, Gerard Reve, Frans Kellendonk, Willem Jan Otten, Désanne van Brederode, Andreas Burnier, Oek de Jong, C.O. Jellema, Hans Faverey, Kees Ouwens en Maria van Daalen.


Het beste essay is dat over Kellen- donk, 'Ik zocht naar jou en vond je niet'. Het is een eerbewijs aan de alweer bijna vergeten schrijver, die ernstig zocht naar een manier om zijn kritiek op een afbrokkelende samenleving, zijn hang naar de geborgenheid van een gemeenschap en zijn 'onvruchtbare' homoseksualiteit met elkaar te verbinden. Kellendonk kwam uit op de paradox van het 'oprecht veinzen': uit volle borst geloven, dat lukt ons intellectuelen niet meer, maar het heeft zin om te doen alsof.


Kellendonk verbeeldde die complexe opvatting in zijn magistrale roman Mystiek lichaam (1986), een kathedraal van ideeën. Het boek kwam hem te staan op beschuldigingen een antisemiet en homohater te zijn. Goedegebuure geeft een fraaie analyse van die roman, die ook in de huidige discussie over de multiculturele samenleving een nuttige rol had kunnen spelen - al is het vermogen van lezers om ironie en symboliek te begrijpen in de afgelopen twintig jaar niet toegenomen.


Volgens Goedegebuure moeten we Kellendonks pleidooi niet lezen als ambigu, zoals Kellendonks verdedigers meenden. 'Hij liet er geen misverstand over bestaan dat hij die teloorgang (¿) betreurde.' Vervolgens ontrafelt Goedegebuure secuur de 'klucht' die Kellen-donk schreef, een roman zonder één sympathiek personage, een satanische lachspiegel van het moderne leven. Het essay doet verlangen naar meer van zulke messcherpe Kellendonk-romans, die helaas, door zijn vroege dood aan aids, niet meer kwamen.


Het op één na beste stuk is de epiloog, waarin Goedegebuure uitlegt waar zijn fascinatie vandaan komt. Nee, hij is geen kerkganger en is niet van plan zich te bekeren, legde de auteur, afkomstig van het Zeeuwse eiland Tholen en gedoopt bij de Gereformeerde Bond, vaak uit aan vrienden en collega's. Maar hij bleef wel een man van de taal, geïntrigeerd door het Woord. Toen de zieke Kellendonk in 1988 een 'alternatieve preek' moest afzeggen in het Amsterdamse Paradiso, nam Goedegebuure zijn plaats in. De lezing resulteerde in meer van zulke 'preken', en in twee boeken over de Bijbel. Niet geschreven door een gelovige, maar door een liefhebber van verhalen.


Denken over God, schrijft Goedegebuure, 'heeft altijd iets onbeholpens. Alsof je een kind ziet dat met een schepje en een emmertje de zee probeert in te dammen'. En dan doet hij een krachtige uitspraak over het 'bestaan' van God: 'God bestaat, alleen omdat we ons er iets bij kunnen voorstellen wat verder onvoorstelbaar, ongerijmd en ongrijpbaar blijft. God bestaat omdat de taal ruimte ervoor vrijmaakt, maar alles wat we erover zeggen perkt die ruimte weer in, lijft God in bij wat bekend en vertrouwd is.' Het is een door en door literaire godsopvatting: God bestaat, ook al bestaat hij niet.


Een mooi uitgangspunt voor dat overzichtswerk over literatuur en religie waar Goedegebuure, met zijn grote kennis en inlevingsvermogen, de aangewezen auteur voor is.


Jaap Goedegebuure: Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010.Vantilt, 208 pagina's; € 18,95. ISBN 978 946 004 054 2.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden