‘Ik zat mijn eigen geluk in de weg’

Edward van de Vendel (42) was vijftien jaar leraar voor hij zich fulltime op het schrijven stortte. De winnaar van de gouden zoen 2007 Vindt het niet erg dat hij vrij onbekend is....

tekst aimée kiene

In Grand Café Engels in Rotterdam zit schrijver Edward van de Vendel aan een tafeltje tussen draaideur en raam.

Dus dit is je kantoor.

‘Dit is een van mijn werkplekken. Ik woon een gedeelte van het jaar in Parijs, daar heb ik een aantal van dit soort cafés. En hier in Rotterdam heb ik er ook een paar.’

Waarom?

‘Ik vind het niet fijn om achter de computer te zitten, omdat ik veel te snel ben afgeleid. Dan ga ik mijn e-mail checken en koffiezetten en honderd andere dingen doen. Daarom moet ik een werkplek creëren waar ik geen afleiding heb. En als ik in een café koffie heb besteld, dan blijf ik het eerste half uur in elk geval zitten. Ik lees eerst de krant, en zo kom ik langzamerhand in de sfeer om te gaan schrijven.’

Dus je zit hier achter een laptop?

‘Nee. Ik schrijf.’

Ben je de laatste schrijver op aarde die dat zo doet?

‘Dat zal wel meevallen, denk ik. Ik zet het daarna wel in de computer. Als je schrijft ben je langzamer dan als je typt, dus je hebt iets meer ruimte om na te denken over hoe je iets opschrijft. Ik schrijf veel poëzie en dan wil ik weten wat ik heb weggehaald. Dat kan alleen als je met pen werkt, dan kan ik teruglezen wat er eigenlijk stond.’

Moeten de cafés aan bepaalde voorwaarden voldoen?

‘Ja, dat luistert nauw. De tafeltjes moeten niet te dicht bij elkaar staan, de muziek mag niet overheersen. Het moet eigenlijk een beetje tuttig zijn. Als er niemand is, vind ik dat heel vervelend. Dan heb ik het gevoel dat ik enorm opval. Zoals waar we nu zitten, met ruimte om ons heen: dat is perfect. Ik hoor allerlei dingen, maar ik kan het niet verstaan.’

Wat voor werkdagen maak je?

‘Effectief schrijf ik niet heel erg lang. Een uur of twee per dag.’

En zit je dan de hele dag in een en hetzelfde café?

‘Nee, dat zou weer te veel opvallen. Ik zwerf van het ene café naar het andere. Een stuk of drie per dag. En tussendoor ga ik cd’tjes luisteren, of naar de film.’

Dat klinkt als een heerlijk bestaan.

‘Ja. Ik heb niks te klagen.’

Voordat je schrijver werd, was je leraar.

‘Ik wilde altijd al meester worden. Mijn vader was hoofd van een school en mijn moeder was kleuterleidster en later remedial teacher. Ik kon me niks romantischer voorstellen dan een eigen lokaal dat ik zou mogen inrichten en een klas met kinderen die een jaar bij me zouden blijven.’

Waar groeide je op?

‘In Beesd, een heel klein dorpje in de Betuwe. Ik was de oudste van drie. Een lief en braaf jongetje. Ik speelde niet veel buiten. Voetbal vond ik wel leuk, maar ik was er slecht in.’

Wat deed je wel graag?

‘Liedjes luisteren. En lijstjes maken. Dan ging ik alle voetbalclubs opschrijven die er in Nederland zijn. Op mijn kamer.’

Je was erg op jezelf.

‘Ik was heel erg op mezelf. Pas toen ik bleef zitten op de middelbare school in Culemborg werd het leuk. Ik was ineens de oudste van de klas. Ik ging meedoen aan het schoolcabaret en kreeg een leuke vriendengroep. Ik kreeg meer zelfvertrouwen en ging leuke kleren kopen.’

Na de middelbare school ging je naar de pabo. Was dat een goede keus?

‘Meteen. Ik ben nog wel halverwege de opleiding van de christelijke school in Gorinchem naar een openbare school overgestapt. Ik was inmiddels van mijn geloof gevallen.’

Was dat een heel bewust moment?

‘Ja, het was op een dag tijdens de kerstvakantie dat ik dacht: ik moet naar Utrecht, naar de grote stad. Ik heb het diezelfde middag nog geregeld. Dat heb ik af en toe in mijn leven, van die abrupte omslagen.’

Wat is zo leuk aan het leraarschap?

‘Het is geweldig kinderen een jaar bij je te hebben en te zien hoe ze zich ontwikkelen, hoe ze groeien. En het is vrolijk. Als jij leuk bent in de klas, krijg je dat in tienvoud terug. Kinderen hebben een enorm gevoel voor humor. De dingen die kinderen meemaken, maken ze voor de eerste keer mee. Als ze vrolijk zijn, zijn ze heel vrolijk. Als ze verdrietig zijn, zijn ze heel verdrietig. Maar ze staan ook jouw hulp toe.’

Wat voor eigenschappen zijn nodig om je staande te houden in een klas?

‘Je moet gevoel voor humor hebben. Dat is echt heel erg belangrijk. Er zijn veel leerkrachten die dat niet hebben. En je moet je eigen positie in de klas goed voor ogen hebben. Je moet alles van die kinderen weten, daar moet je echt je best voor doen. Maar jij moet nooit vergeten dat je degene bent die de boel aanvoert. Je kunt niet het beste vriendje van die kinderen zijn.’

Na vijf jaar in het onderwijs richtte je een eigen school op.

‘Dat was niet gepland, dat ging gewoon zo. Ik werkte in Heemstede met een aantal heel leuke collega’s. Ik dacht: het is toch het leukste om helemaal zelf te verzinnen hoe een school eruitziet? Dat had niets te maken met de school waar ik werkte, het was geen tegenreactie. Het leek me geweldig om te bedenken welke je vakken je gaat geven en waarom. Een groepje collega’s ging mee en een aantal ouders ging ons ondersteunen. Het duurde lang voordat we het in de politiek voor elkaar kregen, maar na twee jaar lukte het.’

Wat wilde je anders gaan doen?

‘Ik wilde vooral dat het geen automatisme zou zijn, dat we niet gewoon zouden doorsjokken van de ene les naar de andere. Een voorbeeld. Je moet in Nederland elk jaar verkeersles geven. Maar ik merkte dat de kinderen veel meer wisten dan wij in de verkeersles aanleerden. Ik vond het onzinnig wat we aan het doen waren, maar het moest, want het stond nu eenmaal in het curriculum. Dat soort dingen konden we opnieuw bekijken. En nieuwe schoolboeken aanschaffen.’

Jij werd directeur. Was dat logisch?

‘Niemand wilde het doen. Ik was de jongste van iedereen. Ik was 27 toen ik directeur werd. Mijn collega’s waren eind dertig, begin veertig. Dat was moeilijk. Ik moest niet alleen een school oprichten, ik was ook verantwoordelijk voor de collega’s.’

Je moest leiding geven.

‘Dat vond ik heel zwaar. Personeelsmanagement vond ik echt moeilijk. Het idee dat ik ’s ochtends wakker gebeld kon worden door een leerkracht die zou zeggen: ‘Ik ben ziek vandaag en ik kom niet’. En dat ik dat binnen een half uur moest oplossen.’

Was de school een succes?

‘Hij is heel snel gegroeid. We begonnen met vijftig kinderen en na twee jaar waren dat er al tweehonderd. Ik moest steeds maar nieuwe leerkrachten aannemen. Maar het sloopte me, en na vijf jaar was het op. De beslissing te stoppen nam ik ook weer van de ene op de andere dag.

‘In die tijd wilde ik ook gaan schrijven. Ik had gedichten geschreven voor kinderen, maar daar had ik niks mee gedaan. Mijn toenmalige vriendje ging me stimuleren die gedichten op te sturen naar een uitgeverij. Daar zeiden ze: ‘Je moet er meer maken, dan maken we er een boek van.’ Twee jaar later kwam mijn eerste boek uit, een dichtbundel.

‘Ik wist zeker dat er meer was in het leven dan lesgeven. Ik voelde dat er een zon stond te dringen in mijn leven, maar dat ik geen ruimte had om ernaar te kijken. Oei, dat klinkt ontzettend stom literair, zeg. Ik ga een beter beeld verzinnen...

‘Ik voelde dat ik mijn eigen geluk in de weg zat. Ik heb nog zes jaar op een geweldige school in Drenthe gewerkt, terwijl ik schreef in mijn vrije tijd. Elk jaar ging ik een dagje minder werken en toen ben ik gestopt.’

Je hebt wel eens gezegd dat je nooit wilde stoppen met lesgeven, omdat het een egoïstisch bestaan zou zijn, alleen schrijven.

‘Ja, daar was ik bang voor. Maar raar genoeg ben ik min of meer gedwongen te stoppen. Ik kreeg een beurs van het Fonds voor de Letteren. Die beurs was zo ruim dat ik er niet meer bij kon werken: dan verdiende ik te veel om voor de beurs in aanmerking te komen.

‘Ik was bang voor een navelstaarderig bestaan. Maar die angst bleek ongegrond. Ik ben zo veel verschillende dingen gaan doen: ik maak prentenboeken samen met tekenaars, ik schrijf liedjes, ik geef gastlessen op de Hogeschool voor de Kunsten over jeugdpoëzie. Ik spreek zoveel mensen, dat zoek ik ook op. Van alleen stilletjes schrijven zou ik ongelukkig worden.’

Je hebt een heleboel boeken geschreven en veel prijzen gewonnen. Toch ben je niet zo bekend. Steekt je dat?

‘Nee, helemaal niet. Ik zou niet weten wat bekendheid op zich toevoegt. Wat ik wel leuk vond, was de tijd nadat ik het kinderboekenweekgeschenk had geschreven. Dat boek werd natuurlijk groots verspreid. Als ik dan op scholen kwam om voor te lezen, dan kenden de kinderen mijn naam niet, maar wel de titel: Wat rijmt er op puree? Als ik daarover begon, riepen ze: ‘Oh dat! Dat is een vet boek!’ Dat vind ik dan geweldig.

‘Natuurlijk vind ik het fijn als ik prijzen krijg en als recensenten mijn werk goed vinden. Maar mijn rechtvaardiging als schrijver zit hem erin dat ik gelezen word. Dat hoeft niet in grote aantallen te zijn, het gaat niet om het geld verdienen, als er maar kinderen zijn die plezier aan mijn boeken beleven. Ik schrijf kinderliteratuur. In dat woord zit mijn publiek: het kind. Je moet ontevreden zijn als je boeken niet worden verkocht.’

Kun je er van leven?

‘Vrij makkelijk. Ik ben niet rijk, maar ik heb ook geen zorgen.’

Wat verdien je aan een boek?

‘Aan de boeken verdien je bijna niks. Je krijgt 10 procent van de prijs van het boek, exclusief btw. Dat is weinig. Soms is het maar 5 procent, omdat de tekenaar de andere helft krijgt. Van een gewoon boek verkoop je vier- tot vijfduizend exemplaren.’

Wat is de oplage van je best verkochte boek?

‘De dichtbundel Superguppie is een relatieve bestseller: er zijn 24 duizend exemplaren verkocht in vier jaar. Geld verdien je met lezingen geven, opdrachten, lesgeven.’

Hoe schrijf je kinderliteratuur?

‘Alle thema’s in mijn kinderboeken zijn thema’s van mijn eigen leven. Wie ben ik? Hoe belangrijk is liefde voor me? Wat gebeurt er als iemand doodgaat? Maar het grote verschil is dat bij kinderen alles voor de eerste keer gebeurt. Die dingen zijn echt ontzettend groot en levensbepalend.

‘Je kunt niet te beschouwelijk schrijven. Beschouwen is iets wat volwassenen doen, kinderen kunnen dat helemaal niet. En je moet humor gebruiken. In elk boek, hoe triest ook, moet altijd iets vrolijks gebeuren. Zodat je ziet dat er altijd hoop is.

‘Elk boek begint met de stem van de hoofdpersoon. Die moet je eerst hebben. Je begint met een hoofdpersoon en zo gauw je die hebt, weet je ook voor welke leeftijd het boek zal zijn.

‘Ik word eigenlijk overvallen door een hoofdpersoon, die op een bepaalde manier praat. Zo zit ik nu in mijn hoofd met een meisje van zes, die aan het begin van het boek van de trap afdondert, blijft liggen en denkt: ‘Hhmmm, dit doet pijn.’ En dan staat ze weer op. Ik kan haar niet een kwartier op de grond laten liggen en een beschouwing laten geven over die valpartij. Zo van: wat doet dit met mijn leven?. Dat doet een kind van zes niet. Een kind van 14 die van de trap valt, gaat denken: ‘Ooh, dit gebeurt altijd met mij.’ Of die denkt: hier mag niemand iets van weten. Die heeft een veel groter schaamtegevoel. Vanuit de hoofdpersoon komt dus een stijl van schrijven naar voren.’

De twee jeugdromans die je hebt geschreven gaan over Tycho Zeling, een opgroeiende homoseksuele jongen. Dat lijken me thema’s die dicht bij jou liggen.

‘Het zijn geen autobiografische boeken, in die zin dat ik die verhalen niet heb meegemaakt. Maar Tycho staat wel dicht bij mij.’

Het tweede boek over Tycho Ons derde lichaam heeft dit jaar de Gouden Zoen gekregen, de prijs voor het beste jeugdboek. Het speelt tegen de achtergrond van het Eurovisiesongfestival. Was je niet bang dat het tegen je kon werken: een homojongen die van alles beleeft tijdens het Songfestival?

‘Ik heb lang geaarzeld. Het was een risico. En er zijn vast ook mensen die het om die reden stom vinden. Maar het is alleen maar het decor van het boek. Het conflict dat zich innerlijk afspeelt in de vriendschap tussen Tycho en zijn huisgenote Vonda wordt verscherpt doordat ze in een kleine wereld terechtkomen die veel druk op ze legt. Een wereld die heel erg om uiterlijk draait en juist niet om innerlijk.

‘Ik ben stomtoevallig meegeweest naar het Songfestival in Riga, als Lets delegatielid. Dat was krankzinnig. Ik was tijdens een vakantie bevriend geraakt met een Letse jongen en dat bleek een heel beroemde zanger te zijn. Hij nodigde me uit. Letland was een van de grote favorieten, maar werd die avond 24ste van de zesentwintig landen die meededen.

‘Wat ik die week heb meegemaakt, heb ik verwerkt in het boek, maar het is slechts decor. Ik hoop niet dat mensen denken: een boek over het Songfestival, dus: oppervlakkig. Dan komen ze bedrogen uit.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden