Ik wil onopvallend zijn

Hij was zeer verlegen en werd vier keer afgewezen bij de toneelschool, maar is al jaren een van Nederlands meest gevierde acteurs: arjan Ederveen (50)....

Onlangs heb je 30 minuten, een reeks ‘reality docudrama’s, op dvd uitgebracht. Kun je nog lachen om de Groningse boer die een neger in zich had?

‘Ik kijk zelden dingen terug. Voor de dvd moest ik alle afleveringen van 30 minuten terugkijken. Dat vond ik eigenlijk ontzettend leuk. Ik dacht: wat is dit goed gemaakt. Ik heb geen moeite om naar mezelf te kijken, hoewel het altijd even schrikken is en ik stoor me vaak aan dezelfde dingen. Zoals verkeerd timen bijvoorbeeld. Maar ik kan er ook gewoon trots op zijn.’

Heb je dit altijd al willen doen?

‘Als kleuter wilde ik balletdanser of banketbakker worden. Ook verkleedde ik me graag en mijn broer en ik gaven toneelvoorstellingen in de garage voor buurtkinderen. Met een grabbelton in de pauze, die was populairder dan wij.

‘Op de middelbare school deed ik geen toneel. Ik denk dat ik niet durfde, ik was hartstikke verlegen en onzeker in die tijd. Toch wist ik dat ik toneel wilde spelen. Ik zie het als een soort roeping. Als je iets echt wilt, moet je het ook proberen, je komt er vanzelf achter of het lukt.’

Hebben je ouders daarbij nog een rol gespeeld? Je moeder was cabaretière en je vader goochelaar?

‘Ze hebben me vast geïnspireerd, als kind gingen mijn broers en ik wel mee naar optredens en mijn vader testte zijn goocheltrucs op ons uit.’

Toch heb je je eerst op de etaleurschool aangemeld, waarom?

‘Ik was nog heel jong, kwam net van de mavo, die ik met moeite had afgerond en dacht: ik word eerst decorbouwer. Maar dat ging al snel mis omdat ik had verzwegen dat ik kleurenblind was. Dat was toch wel een probleem.’

En toen naar de toneelschool?

‘Nou ja, nee. Ik heb meer dan vier keer gesolliciteerd bij de toneelschool. Maar ze wilden me nergens hebben. Ik was een slome snijboon, ‘te jong’, ‘geen talent’, ‘te eigenwijs’, van alles zeiden ze. Achteraf kun je misschien zeggen dat ze een fout hebben gemaakt. Maar het gebeurt natuurlijk vaker, hoeveel mensen hebben geen fantastische carrière die niet op de toneelschool hebben gezeten, of andersom? Ze moeten gewoon keuzes maken.

‘Uiteindelijk werd ik op de kleinkunstacademie aangenomen. Omdat mijn oudste broer op de toneelschool zat. Toen dachten ze ‘dan zit er vast talent in de familie, laten we het maar proberen’. Ik was allang blij. Maar het ging niet geweldig. Ik had niet echt een goede zangstem. Bij de eerste collectieve zangvoorstelling van mijn klas dacht ik: als ik nu niks doe dan lig ik eruit. Dus heb ik gevraagd of ik de act aan elkaar mocht praten. Doe maar, zeiden ze. Vervolgens heb ik gedaan alsof ik een vader was van de oudervereniging, ofzoiets. Een typetje, mijn eerste. Dat werd een succes, mensen vonden me leuk.’

Vonden mensen je daarvoor niet leuk dan?

‘Nou nee, ik plaatste mezelf nooit zo op de voorgrond. Maar na die voorstelling ging het balletje rollen. Dat was een ontdekking, eindelijk ontdekte ik mijn talent. Ik was als kind of tiener nooit heel grappig geweest, ik speelde nooit de komediant of clown, maar ik bleek wel een komische gave te hebben. Het is een gave, zo zie ik dat.’

Na de kleinkunstacademie vormde je het duo ‘De Duo’s’ met Kees Prins die later Jiskefet zou gaan doen.

‘Kees en ik waren klasgenoten. Op school vormden we al een duo, we waren dikke vrienden, deelden hetzelfde gevoel voor humor en dezelfde afkeer van geëngageerd cabaret. We gilden van de daken dat we niet maatschappijkritisch waren. Ik heb het altijd liever over gewone dingen gehad.

‘We liepen samen stage bij het Werktheater en hebben een show voor de VPRO gemaakt. We zijn gewoon naar de directeur gestapt: dit is het plan en wij zijn leuk. De VPRO was het summum in die tijd, een walhalla voor iedere programmamaker. Dat vond iedereen. Koot en Bie en Freek de Jonge zaten bij de VPRO. Dus dat wilde ik ook.’

Na Prins, die al snel voor filmrollen werd gevraagd, ging je samenwerken met Tosca Niterink, Thea voor het grote publiek. Jullie hebben ruim tien jaar samengewerkt.

‘Ik zag Tosca voor het eerst bij een uitvoering op de kleinkunstacademie. Ik was toen al van school. Ik vond haar heel goed, een beetje raar, maar dat ben ik ook. Voor de VPRO mochten we een proefprogramma maken: we wisten niet precies wat we wilden, tot we die tanden in deden. Het werd Theo en Thea, eigenlijk een kinderprogramma voor volwassenen.’

Hebben jullie nog contact?

‘Met Kees heb ik nog wel contact, we zien elkaar van tijd tot tijd, hij heeft De Grote Verdwijntruc, een revue over een goochelaar met Alzheimer, ook geregisseerd en ik denk zeker dat ik nog wel een keer iets met hem zal maken. Met Tosca heb ik vrijwel geen contact meer. Die is ook niet meer geïnteresseerd in het vak, ze schrijft nog wel, vooral gedichten geloof ik, maar ze leidt een heel teruggetrokken leven, die heeft er geen zin meer in.

‘Toen ik met Kees werkte dacht ik, dit is het dus, ik blijf honderd jaar samen met Kees en dit is wat we gaan doen. Maar ik denk dat het zeker in creatieve beroepen heel logisch is dat je tijdelijk met elkaar werkt. Het duurt even voordat je samen in iets valt, dan is er een tijd chemie en op een gegeven moment wil je weer andere dingen en scheiden de wegen. Net als met relaties eigenlijk.’

Voor iemand die zichzelf een einzelgänger noemt, werk je opvallend graag in duo’s.

‘Ik heb een klankbord nodig. In mijn eentje ben ik onzekerder. Als je met iemand samenwerkt ontstaat er een soort chemie, dat ligt me goed.

‘En ik zit natuurlijk met het rare probleem dat ik dyslectisch ben en toch schrijf. Schrijven kost me moeite, dat kan ik ook niet alleen. Daar heb ik Evelien (Jansen, collega bij Ederveens productiebedrijf de Toko, red.) voor. Zij controleert me. Voor het creatieve proces heb ik weer anderen, ik werk graag met dezelfde mensen, zoals met regisseur Pieter Kramer.

‘Je moet jezelf nooit op maar één persoon richten, je moet zorgen dat je een familie om je heen creëert. Ik heb een aantal mensen die ik altijd om raad vraag over mijn werk, ik vertrouw hen en ze zijn altijd kritisch. Dat is moeilijk, maar ik heb het nodig.’

Veel mensen kennen je vooral van Theo en Thea en Kreatief met Kurk, vind je dat vervelend?

‘Ach, het is eindeloos herhaald, dus ik snap dat wel. Het blijft aan je kleven. Als je zoiets maakt weet je dat natuurlijk niet, maar als je daarna allang iets anders doet wordt het toch altijd weer genoemd. Maar het was een geweldige tijd en ik vind het nog steeds goed wat we deden.’

Je bent trots op wat je bereikt hebt?

‘Ja, op 30 minuten ben ik erg trots. En op een aantal theatervoorstellingen die ik zelf geschreven heb. Zoals De Grote Verdwijntruc, of het stuk dat in reprise is gegaan bij Toneelgroep Amsterdam, Echt iets om naartoe te leven, over een lesbische kinderboekenschrijfster.

‘Als ik terugkijk sta ik er versteld van: de hoeveelheid dingen die ik gedaan heb. Heel erg veel. Eigenlijk ben ik hartstikke trots op mijn loopbaan, of nou ja vooral ontzettend dankbaar en blij dat ik zo eigenwijs ben en met oogkleppen ben doorgegaan met wat ik wilde doen.’

Heeft je verlegenheid je nooit in de weg gezeten op het podium?

‘Zodra ik een rol heb, kan ik me daarachter verschuilen. Ik doe het ter compensatie natuurlijk. Dat werkt. In het dagelijks leven probeer ik trouwens zo min mogelijk aandacht op me te vestigen. Geen pruiken of verkleed naar een feest met een dresscode, in het wit, of in leer of rubber naar een homofeest. Ik begin er niet aan. Ik ben het liefst zo onopvallend mogelijk als mezelf.’

Had je ook een onopvallende kantoorbaan kunnen hebben?

‘Daar heb ik weleens over nagedacht. Maar ik moet maken, creëren. Ik zou altijd iets creatiefs hebben gedaan, decorontwerper, kok, tuinarchitect. En anders op de markt met spulletjes, dan kun je toch nog leuk je kraampje inrichten. Als ik op een kantoor elke dag hetzelfde zou moeten doen was ik ongelukkig geworden. Ik hou te veel van de afwisseling: toneel, film, tv én schrijven. Dat is ook meteen het nadeel van dit vak, het is heel erg onzeker.’

Geldt dat ook voor jou?

‘Het gaat altijd in ups en downs. Maar tegenwoordig twijfel ik niet meer of een nieuw project het zal redden. Ik ben minder bang om niet meer gevraagd te worden, het komt allemaal wel goed denk ik nu. Maar dat was jarenlang anders. Daardoor heb ik wel altijd heel hard gewerkt.

‘Ik heb geen standaard uiterlijk. Na de kleinkunstacademie dacht ik: ik ben dun en lelijk, dat is niet voor alle rollen geschikt. Dus moet ik zelf voor mijn werk zorgen, want ik word toch niet gevraagd door anderen. En ik wilde altijd ontzettend graag zelfstandig zijn. Dat heeft ook met mijn opvoeding te maken. Mijn ouders hebben me heel erg meegegeven dat je financieel onafhankelijk moet zijn.’

Is dat ook de reden dat je reclames hebt gedaan en voor Joop van den Ende hebt gewerkt?

‘Natuurlijk. Je bent een dief van je eigen portemonnee als je het niet doet. Nooit spijt van gehad. Creativiteit kon ik er misschien niet altijd in kwijt, maar je bent een hoer als acteur: je verkoopt jezelf.

‘Het verschil tussen hogere en lagere kunst zit wat mij betreft vooral in het verschil tussen zelf iets maken of spelen in iets dat al bestaat. Je moet genoeg creativiteit, energie hebben om zelf te creëren en daarin te durven geloven. Dat is best moeilijk. Om het allemaal te verzinnen.

Ben je er rijk van geworden?

‘Rijk? Nou, ik zou zeggen welgesteld. Dat ben ik zeker, ik kan alles doen wat ik wil, maar ik kan niet stoppen met werken. Niet dat ik dat wil, hoewel ik wel een pensioen opbouw.

Althans dat regelen anderen voor me, want ik ben helemaal niet goed in dat soort dingen. Als ik ooit stop met werken dan ga ik misschien toneelles geven aan kinderen of gehandicapten, dat lijkt me wel leuk. Maar helemaal niet meer werken, daar kan ik me niets bij voorstellen.’

Heb je altijd genoeg tijd voor een privéleven gehad?

‘Ik ben getrouwd, mijn vriend en ik zijn al meer dan vijftien jaar samen. Ik ben heel blij dat hij niet in de toneelwereld zit. Het is fijn om binnen je relatie werk heel erg buiten de deur te houden. We wonen in een groot pand en hebben een eigen etage: living apart together in the same building zeg maar. Ideaal.’

Heb je ooit kinderen gewild?

‘Jawel, ik had wel vriendinnen die draagmoeder wilden zijn. Maar dat was in de tijd dat aids de kop op stak. Ik wilde me niet laten testen, wilde niet weten of ik die vreselijke ziekte had. Als ik een vrouw zwanger had willen maken had dat natuurlijk wel gemoeten. Dus ging het van de baan. Toen mijn vriend en ik pas samen waren hebben we het over adoptie gehad, maar nooit echt serieus. En nu ben ik daar te oud voor. In een volgend leven wil ik daarom graag terugkomen als vrouw, zes kinderen baren en hun opvoeding tot levenswerk maken, heerlijk lijkt me dat.’

Je bent je beide broers en je vader verloren. Wat heeft dat met je gedaan?

‘Mijn oudste broer is aan aids overleden, vrij kort daarna is mijn andere broer aan een bloedziekte overleden. Mijn vader kreeg Alzheimer en is ook gestorven. Ik ben alleen over met mijn moeder. Zeker nu zij ook oud is, denk ik soms, straks sta ik er alleen voor. Dat geeft me dan een kutgevoel.

‘Kijk, dat mijn vader is overleden hoort bij het leven: als kind neem je op een gegeven moment afscheid van je ouders. Mijn oudste broer is heel lang ziek geweest. Maar mijn andere broer is plotsklaps overleden. Dat was zo’n ontzettende shock, dat was onvoorstelbaar. Maar ja, dat is het lot, je krijgt het op je bord en je moet het eten zoals het opgediend wordt.’

Kon je doorwerken in die tijd?

‘Ik heb altijd doorgewerkt, ik geloof dat er een keer een herhaling van Kreatief met Kurk is uitgezonden omdat ik echt niet meer kon, maar verder was werken juist prettig. Het gaf me houvast, de wetenschap dat ik door kon met iets.’

Krijg je dan niet de behoefte om er iets autobiografisch van te maken?

‘De Grote Verdwijntruc gaat over Alzheimer. Maar dat was eigenlijk niet echt autobiografisch, het ging meer over wat er gebeurt met een goochelaar die Alzheimer krijgt. Ik heb geprobeerd om een volledig autobiografisch verhaal te schrijven over het verlies van mijn broers. Maar dat lukt me niet, dan blokkeer ik, dan komt er zo veel verdriet boven. Het lukt gewoon niet.

‘Daarom ga ik nu een film maken met de fotograaf Erwin Olaf. Het wordt een tijdsbeeld over de tachtiger, negentiger jaren. Een fictief verhaal met autobiografische elementen over drie vrienden die een pand kraken in Amsterdam en daar een creatief bolwerk beginnen. Een van de drie krijgt aids en overlijdt en de twee overgeblevenen blijken ineens geen vrienden meer te zijn. Kraken en aids dus.’

Je staat erom bekend dat je niet graag interviews geeft, toch doe je het.

‘Het hoort er nou eenmaal bij, maar ik vind het vaak moeilijk. Ik moet altijd nadenken en heb soms gewoon geen antwoord. Daarom doe ik het ook niet goed in praatprogramma’s. Ik ben niet ad rem, zoals Paul de Leeuw, die heeft altijd een antwoord klaar, dat kan ik niet. Alleen als typetje kan ik dat, niet als mezelf.’

‘Zelfs bij Wroeten dat ik zogenaamd als mezelf deed, zonder bril, schmink en pruik op, was ik niet helemaal mezelf. Met een camera erbij word ik zelfbewust en bovendien moet ik de hele tijd praten, dat ben ik al niet. Als ik mezelf ben, ben ik stil, zit ik op een stoel en staar ik uit het raam.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.