Essay

'Ik wil niet zijn wie ik in Nederland ben'

Na negen jaar als journalist in Turkije werd Fréderike Geerdink afgelopen september dat land uitgezet. Ze is nu in Nederland, maar ze verlangt intens naar Diyarbakir, de Koerdische stad waar ze haar standplaats en haar hart achterliet.

Beeld Sanne de Wilde

'Hier, neem mijn jas, dan krijg je het niet koud', zegt een man tegen me. We zijn met zo'n veertig mensen in een vallei in het uiterste zuidoosten van Turkije, waar een groep burgeractivisten als menselijk schild probeert het geweld tussen de Koerdische gewapende groep PKK en het Turkse leger te belemmeren. Ik maak er een reportage over en ben er maar voor een middag, maar een paar vrouwen vragen me waarom ik niet een nachtje blijf. Ik heb niks bij me, zeg ik, wijzend op mijn kleine tas met werkspullen en mijn outfit: spijkerbroek, instappers, T-shirtje. De jas biedt uitkomst. 'Geef later maar eens terug', zegt de eigenaar, terwijl hij de donkerblauwe gevoerde jas met slijtplekken op de manchetten in mijn handen duwt.

Zes dagen later zit ik in die jas in het vliegtuig van Istanbul naar Amsterdam. Ik ben vies, na twee nachten in de vallei en drie nachten in een Turkse politiecel. Mijn advocaat kwam in de cel een set schone kleren brengen, maar die zijn ook al weer vies en ik heb me maar één keer een beetje kunnen wassen. Ik heb het warm en koud tegelijk op mijn stoel helemaal achter in het vliegtuig. De jas drapeer ik als een dekentje over me heen en ik bestel een derde miniflesje witte wijn.

Mijn laatste zes dagen in Turkije, voor de autoriteiten me op 9 september het land uitgooiden. De vallei, zo bleek, lag in verboden gebied omdat er een militaire operatie gaande was. De staat heeft me vanwege mijn aanwezigheid als journalist daar bestempeld als 'gevaar voor de openbare orde, veiligheid en gezondheid', en dat betekent: exit. Nu ik die zes dagen in twee alinea's samenvat, kan ik mijn tranen niet bedwingen, maar het gekke is: ze lijken wel uit mijn gedachten verdwenen. Ik zie de beelden niet steeds voor me, ik droom er niet over, ik voel geen behoefte er telkens weer over te praten. Mijn verlangen om dáár, in Turks Koerdistan, te zijn, is intens, ik heb mijn hart daar achtergelaten, maar tegelijkertijd gaat mijn leven door nu ik tegen mijn wil in Nederland ben. Ik werk. Ik zie vrienden af en toe en ga soms naar de kroeg. Ik plan een reis naar Iraaks en Syrisch Koerdistan om verhalen te maken.

(Tekst gaat verder onder foto)

Geerdink in de bus in Koerdistan, afgelopen zomer.Beeld Cigdem Yuksel

Na mijn uitzetting vraag ik me de eerste dagen af waarom ik niet heftiger reageer op wat me overkomt. Zomaar van de een op de andere dag weggerukt uit het leven waarvan ik hou, dat is toch niet niets? Waarom lig ik niet snikkend in bed, waarom slaap ik gewoon goed, waarom eet ik braaf gezond en zuip ik niet te veel? Heel simpel gezegd weet ik wel waarom: zo zit ik gewoon in elkaar. Iets poëtischer: ik mocht weliswaar niets meenemen toen ik eruit werd gegooid en kwam op Schiphol aan met de kleren die ik droeg en een kleine tas met nauwelijks spullen, maar ik had mezélf wel bij me. Mij sla je niet zo makkelijk uit het lood, blijkt maar weer.

Toch knaagt er iets, natuurlijk. Dat ik stevig ben, heeft in mijn leven ook altijd betekend dat ik mijn eigen keuzes maak en me welbeschouwd door niets of niemand de weg laat wijzen, behalve door mijn eigen hart in gemoedelijke samenwerking met mijn verstand. Zo kwam ik ook in Koerdistan terecht, in Diyarbakir. Zomer 2012 was dat. Eigenlijk ging ik maar voor een paar maanden om de research af te ronden voor het boek waar ik aan werkte (inmiddels verschenen onder de titel De jongens zijn dood). Na een paar maanden dacht ik: Diyarbakir is een heerlijke stad om te wonen, de sfeer en de mensen liggen me, er is hier werk genoeg voor een freelancejournalist, waarom zou ik hier niet blijven?

Consequenties

Het had consequenties, die keus van mij. Een belangrijke is dat ik mijn leven zonder geliefde leef. Ik heb twee langere relaties gehad, de laatste kwam (gelukkig) vijf jaar geleden ten einde. Eigenlijk vind ik dat ik, sinds ik relatieloos ben, een behoorlijk gedoevrij leven heb, zoals ik het graag noem. Ik hoef alleen mijn eigen bagage maar te dragen, en dat bevalt prima. Aan de andere kant zou ik mijn leven graag willen delen, gewoon omdat ik ervan hou. Ik sta er open voor, denk ik - maar kijk een seconde naar mijn dagen en je ziet dat er niet eens ruimte is voor een man. Mijn koffer raakt nooit uitgepakt, ik ben altijd onderweg en ren doorgaans op stel en sprong het nieuws achterna. Mijn leven staat in het teken van mijn werk.

Dat is maar goed ook, want een man ging zich in Koerdistan niet aandienen. Niet omdat ik een 'te vrije vrouw' ben, zoals in Nederland nogal eens wordt gedacht over het 'conservatieve' Koerdistan. Juist in dat deel van Turkije, waar een langdurige politieke strijd woedt waarin vrouwenemancipatie een centraal thema is, vind je zat mannen die het niet eens echt opzienbarend vinden, een vrouw met het leven zoals het mijne, en die onafhankelijkheid heel normaal vinden. Maar ja, de single mannen die je dan tegenkomt, blijken ook getrouwd, en wel met de strijd, met de revolutie. Dat blijken oersterke huwelijken.

Het leven dat ik leidde op de plek waar het zich afspeelde, gaf ruimschoots genoeg voldoening om een eventueel gemis aan liefde te compenseren. Het is niet alleen dat ik van de journalistiek hou en daar verhalen in overvloed zijn, want daarin is Koerdistan natuurlijk niet uniek. Het zijn ook nog eens verhalen over een thema dat me op het lijf geschreven is: een politieke strijd die over mensenrechten gaat, of eigenlijk over identiteit, over mogen zijn wie je bent. In combinatie met de mensen, het volk.

Die strijd heeft de afgelopen decennia de ontwikkeling van de regio en van het volk getekend en gevormd, en volgens mij de aard van de mensen versterkt. Trots en warm, bescheiden en zelfverzekerd, vervuld van pijn maar nooit zonder troost, zwaar maar zo hartelijk en liefdevol. Ondanks de keiharde werkelijkheid waar de Koerden elke dag mee moeten leven, droegen ze mij er nog bij. 'Je gaat toch niet weg?', vroeg een buurvrouw me aan het begin van de zomer, toen het geweld in de regio weer oplaaide. 'Je laat ons toch niet in de steek, juist nu?' 'Absoluut niet', antwoordde ik. 'Ik blijf.'

(Tekst gaat verder onder foto)

Geerdink met een inwoonster van Diyarbakir.Beeld Cigdem Yuksel

Ik leg het uit aan vriendin S., zoekend naar mijn woorden 's avonds in een café met een glas wijn. Ik zeg: 'Dus hier zit ik, alleen, mijn moederland ontgroeid, mijn nieuwe thuis uitgegooid. Ga ik ooit ergens anders vinden wat ik daar had? Kan een andere plek, een ander volk me zo raken? Die diepe voldoening en die verbondenheid met een plek en de mensen en de strijd, is uniek. Ik ben het kwijt. En een relatie, hoe zou ik die nu ooit nog kunnen aangaan? Bij wie pas ik, met dat maffe leven van mij, met ervaringen die ondeelbaar voelen? Hoe ga ik niet verbitterd raken?' Mijn stem was de hele avond vast, maar nu niet meer. Als ik klaar ben, zegt ze: 'Het lijkt wel of je een geliefde bent verloren'.

We zijn door een wrede derde uit elkaar gerukt, die geliefde en ik. Ik ben mezelf niet verloren terwijl ik daar was, en omdat ik ook zonder kan, val ik niet om. Maar het gemis is er niet minder om. Kan ik ooit terug? Mijn advocaat zweert van wel, en twee, drie jaar hoeft het volgens hem niet te duren. Stel, het duurt wel drie jaar, wíl ik dan nog terug? Of heeft mijn leven dan een andere wending genomen en is mijn tijd in Koerdistan definitief voorbij zonder dat ik me daar nu al van bewust ben of zelfs maar kan zijn? Mijn leven gáát verder want zo is het leven, maar voor het loslaten van wat was, is het nog te vroeg.

'Wat doe je het toch goed', zegt vriend G., bij wie ik een tijdje in huis zit na mijn aankomst in Nederland. Maar wat hij sterk vindt, vind ik zelf een beetje gek. Hoe kan dat eigenlijk, dat ik niet instort, geen nacht zwetend wakker word, geen woede- of paniekaanvallen heb, geen woeste huilbui, al is het maar één keer? Dat kan niet alleen karakter zijn, denk ik. Wat ben ik aan het doen, waar ben ik mee bezig hier in Nederland?

Opgesloten

Het leven gaat verder, mijn werk gaat verder, want zo gaat dat in de freelancejournalistiek, maar verder sta ik stil. Ik heb het niet bewust zo vormgegeven, maar ik merk dat ik me in een coconnetje heb opgesloten. Bij G. en zijn vrouw M. thuis werk ik van 's ochtends tot het eind van de middag of tot 's avonds laat aan mijn hoek aan de tafel in de woonkamer, 's avonds dompel ik me alleen of met M. onder in Downton Abbey, ik eet, ik slaap, en dat is dat. Veel vrienden, ook goeie, heb ik nog niet eens gezien sinds mijn aankomst op Schiphol.

Fysiek ben ik in Nederland, maar met mijn hart, mijn wezen ben ik er niet, en wil ik er ook niet zijn. En als ik Nederland wel binnenstap - een treinreis, een boodschap, een reportage - gaat het makkelijk mis. Ik voel me opgejaagd, ik voel me niet thuis en de assertieve heks in mij, die zich in Koerdistan zonder enige moeite gedeisd houdt, speelt dan telkens op. Een aanvaring met een NS-mevrouw, wrijving in wat tegenwoordig voor postkantoor moet doorgaan, verbijstering en bijna woede in een veel te grote supermarkt om zoveel keus, zoveel troepvoedsel, zoveel schappen barstensvol met helemaal niks. Ik wil niet zijn wie ik in Nederland ben. Ik wil blijven wie ik daar was. Zacht, meegaand, geen onvertogen woord, gefocust maar ten koste van niets of niemand, helemaal op mijn plek. Bij G. en M. sluit ik me intuïtief in mezelf op.

Reportage 

In augustus sprak de Volkskrant met Fréderike Geerdink. Haar verhalen over de Koerdische kwestie zijn controversieel. 'Want dat is hét probleem van Turkije, daarmee hangt hier alles samen.' Lees hier het interview. (+)

Koffer staat klaar

En nu? In Nederland wil ik niet blijven, het is mijn land niet meer en eigenlijk nooit geweest, ook niet voordat ik acht jaar en elf maanden geleden naar Turkije vertrok. Te gepolijst en tegelijkertijd te hard. Iraaks Koerdistan? Onvergelijkbaar met de Turkse Koerdische grond en met de Koerden en de strijd die ik ken, en conservatiever en kapitalistischer ook nog. Dat wordt niks. Syrisch Koerdistan? Te klein, te weinig verhalen, een prachtig Koerdisch democratisch experiment en een inspirerende revolutie, maar tegelijkertijd te veel oorlog voor iemand die geen frontlijnjournalist wil zijn. Terwijl ik dit verhaal schrijf, staat mijn koffer met helm en scherfwerend vest al klaar. Ik vertrek voor een maand naar Irak en Syrië. Ik kijk ernaar uit en zal er vaker naartoe gaan om verhalen te maken, maar blijven wil en kan ik daar niet.

Berlijn, denk ik soms. Veel Koerden, veel Turken, veel te doen voor een journalist en betaalbare woonruimte is er ook nog. Maar daar zal ik uit mijn schulp tevoorschijn moeten komen. Ik ken er niemand, laat staan dat ik kan bivakkeren bij vrienden die me zo onvoorwaardelijk de ruimte geven me in mezelf terug te trekken. Ik zal het leven weer moeten oppakken. 'Koud hoor, de Berlijnse winter', zegt een Nederlandse collega in Berlijn, bij wie ik zijn stad voorzichtig ter sprake breng in een persoonlijk berichtje op Twitter. Komt goed uit dan, denk ik, dat ik nog een donkerblauwe gevoerde jas heb, met een beetje versleten manchetten. Die zal ik met trots en liefde dragen op elke koude dag in welk land of in welke stad ik ook terecht kom, tot ik hem kan terugbrengen naar de Koerd die hem mij gaf.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden