'Ik wil geen zieligheid uitstralen'

Lilian Blom (58) over Louis Ferron, de schrijver overleed 26 augustus 2005 op 63-jarige leeftijd...

In juni, op Sicilië, was Louis niet vooruit te branden, en hij had last van zijn maag. Maar de huisarts had tijdens een bezoekje vlak voor onze vakantie geen alarm geslagen. Op een dag maakte ik met een digitale camera een foto van hem, van opzij, terwijl hij op het balkon van ons prachtige huis naar de Etna stond te turen. Ik keek de foto terug en schrok me rot. Hij is heel erg ziek, realiseerde ik me. Dat heb ik hem niet verteld, want ik wilde hem niet onrustig maken. Ik heb hem juist gekoesterd, de rest van de vakantie deed ik alles wat hij wilde, heb hem in een ligstoel onder de olijfboom gezet.

Toen we weer in Nederland waren zijn we naar het ziekenhuis gegaan. Wij dachten aan een maagzweer, maar het bleek veel erger: het was uitgezaaide kanker, zelfs een chemokuur had geen zin meer. 'Ik ben op, kortom', zei Louis - en daarin berustte hij. 'Als ik het leven van een keurige meneer had geleid', redeneerde hij, 'die braaf lid was van een oudercommissie, die maar één n keer per jaar aangeschoten was, die naar de buurvrouw keek zonder haar ooit te hebben aangeraakt, dán zou ik boos zijn geworden als ik ongeneeslijk ziek was verklaard. Nu ben ik in het leven het gevecht aangegaan, en ik heb dat gevecht verloren.'

In de weken die hem restten was Louis omringd door warmte en liefde, door vrienden, kinderen en zijn kleinzoon Kai van wie hij zo veel hield. Hij wist dat hij veilig was. Maar de laatste twee dagen voor zijn dood was hij angstig. Door de morfine kon hij niet helder meer denken. Hij dacht dat ik gekidnapt was, hij wilde me elk moment zien, ik mocht zijn handen niet meer loslaten.

Op 23 augustus, drie dagen vóór zijn dood, bracht uitgever Robbert Ammerlaan hem het eerste exemplaar van zijn nieuwe roman Niemandsbruid. Louis heeft het in ontvangst genomen, op een kraambed, zo leek het, waar de kraamvrouw ten slotte komt te overlijden. De gelijkenis tussen boek en werkelijkheid was verpletterend: op 23 augustus leeft Adele Schopenhauer, hoofdpersoon in Niemandsbruid, op haar ziekbed nog één n keer op. En op 25 augustus, om kwart voor vier 's middags, verwisselt zij het tijdelijke met het eeuwige - precies op de dag en het moment dat de arts kwam om te bespreken wanneer euthanasie zou worden toegepast. Die veelbetekenende passages heb ik op de allerlaatste avond, hier, in de tuinkamer, vier of vijf keer voorgelezen. Louis viel steeds in slaap, maar wat hij me nog wel liet weten: dat hij onbewust heeft gevoeld dat dit zijn laatste roman zou zijn.

Op de heetste dag van het jaar werd hij begraven. Veel is aan me voorbijgegaan. Gelukkig zijn er foto's die laten zien hoe prachtig het was. Er waren ontroerende toespraken, onder meer van Jan Siebelink, aan wie hij begin dit jaar nog het eerste exemplaar van Knielen op een bed violen aanbood. Ik kreeg lieve briefjes van schrijvers. En ik word heel erg goed opgevangen door mijn dochters, door buren, door vrienden - en dan vooral door Gert, die me bij alle financiële perikelen steunt.

Maar alles is confronterend, op dit moment. Ik zie op tegen de kerstdagen omdat die me naar de strot zullen grijpen, als ik in m'n eentje een fles wijn opentrek, voel ik me haast een alcoholiste, de Albert Heijn durf ik amper in om een eenpersoonsmaaltijd te kopen, bang dat iemand me zal aanspreken. Want ik wil geen zieligheid uitstralen.

Louis en ik waren twintig jaar samen, als dikke maten. Sinds eind vorig jaar trokken we ons steeds meer terug in ons eigen bastion, in dit huis, waar we een nieuw soort behaaglijkheid hadden geschapen en fijn aan het cocoonen waren. Nu is datzelfde dierbare huis me te groot en te leeg, en vlucht ik het steeds weer uit, omdat de waarheid zo gruwelijk is dat ik hem nauwelijks onder ogen durf te zien.

Gaat het alweer een beetje beter?, vragen sommigen, en dan ben ik verbijsterd. Wat is je referentie?, vraag ik me op zo'n moment af, waar kom ik dan vandaan, waar ga ik naartoe? Voorlopig gaat het steeds slechter. Het kost me veel moeite om afspraken te maken en mijn tijd in te delen. In die zin is het maar goed dat ik weer Engels doceer aan de hogeschool, voor de broodnodige structuur in het bestaan. Maar de zelfverzekerde, onafhankelijke, vrolijke Lilian van vóór de zomer is nu zo broos als de pest, een porseleinbordje dat aan zeven kanten gelijmd is. Ook weet ik niet wat er van de empatische docente over zal blijven die ik lange tijd geweest ben: misschien zal ik wel veel minder compassie hebben met het kleine leed dat studenten af en toe parten speelt.

Dat Louis een groot oeuvre nalaat is een troost - mijn moeders leven zat in een koffertje toen ze overleed. Maar zijn boeken zijn nooit bestsellers geworden. Hij was geen publieksvriendelijke man, hij weigerde te slijmen, hij deed nooit een knieval voor de commercie. Ik hoop van harte dat Niemandsbruid een groot verkoopsucces wordt. Als ik vijfvoudig miljonair zou zijn kocht ik er tweehonderdduizend exemplaren van, zodat hij eindelijk ook eens in de toptien komt. Want dit is mijn grootste angst: dat zijn werk niet langer gelezen wordt, dat de mensen hem zullen vergeten.

Vlak voor zijn dood zei Louis dat hij goed op me zou passen. Daar merk ik vooralsnog niks van. Ik zou hem graag nog tien jaar hebben verzorgd als ik hem op die manier bij me had kunnen houden. In zijn werkkamer, die ik intact zal laten, bekijk ik zo nu en dan fotoboeken, werp ik een blik op zijn typemachine - zijn bril ligt er nog op, het laatste velletje dat hij volschreef steekt eruit. Sproet, onze kat, komt er vaak. Ze dementeert, en jammert omdat ze Louis niet kan vinden. Ze kotst en poept er de boel onder.

Eigenlijk doet Sproet alles wat 'k zou willen doen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden