Ik wil een redelijke vrouw zijn, die de privacy van haar dierbaren respecteert

Vrouwelijke auteurs bewerken tijdens hun literaire arbeid hun persoonlijke ervaringen zodanig dat ze voor iedereen acceptabel en verteerbaar worden. Dat is een vorm van automutilatie, zegt Désanne van Brederode....

Een schrijver heeft een vrij beroep. Toch voel ik mij zelden helemaal vrij in mijn werk. Die onvrijheid doe ik mijzelf aan: ik wil een bescheiden, redelijke vrouw bevonden worden die de privacy van haar dierbaren respecteert. Die de verhalen die vrienden haar toevertrouwen niet gebruikt in haar boeken – en die haar boeken niet gebruikt om, over de hoofden van de lezers heen, alles wat haar aan haar naasten niet bevalt nu eens ferm aan de kaak te stellen.

Volgens mij ben ik in al deze dingen niet uniek. Ik vrees dat er veel vrouwelijke auteurs zijn die zelfcensuur toepassen, al was het maar om niet aan andere vrouwen en moeders te hoeven uitleggen hoe ze nu écht over bepaalde zaken denken* ‘Want in je boek stelde je het allemaal wel erg extreem, cynisch of ridicuul voor.’

Uiteraard probeer ik mijn innerlijke censor al schrijvende de mond te snoeren, maar ik betrap me na publicatie van het geschrevene geregeld op Connie Palmen-gedrag. Dat wil zeggen: waar nodig leg ik omstandig uit hoe ik het geschrevene heb bedoeld en hoe het gelezen dient te worden.

Soms lieg ik dan alsnog. Ik beweer glashard dat ik mijn woede heb overdreven ten behoeve van het verhaal, dat ik personage X geheel heb opgetrokken uit het stof waar dromen van zijn gemaakt en nog nooit zo’n rotmens in het echt heb ontmoet. Ik zeg dat de absurde angsten en fantasieën van personage Y niets met die van mij te maken hebben, terwijl ik weet dat ik juist in deze passages op mijn eerlijkst ben geweest. De meningen die ik zowel fictieve personages toedicht als die welke ik uitspreek namens niemand anders dan mijzelf, ontneem ik soms hun scherpte door ze met terugwerkende kracht onder te brengen in de categorie ironie.

Wil ik aardig gevonden worden? Misschien. Wil ik niemand kwetsen? Ik wil vooral betrouwbaar zijn. Ondubbelzinnig, waarachtig, eerlijk, consequent, geloofwaardig. Althans: in het echte leven, voor de mensen in mijn directe omgeving. Ik wil dat ze kunnen geloven dat ik mijn felicitaties en mijn medelevende woorden meen, dat mijn innerlijk leven samenvalt met wat ik uiterlijk laat blijken – ik wil dat ze niet bang hoeven zijn dat ik iets acteer of nog erger: iets achterhoud. Sterker, ik wil zelf ook kunnen geloven in mijn betrouwbaarheid. Dus probeer ik de mensen tegen wie ik aardig doe omdat ik meen dat dit zo hoort, ook daadwerkelijk aardig te vinden. Dat kost meer moeite dan ze te beschrijven zoals ik ze zie.

De mij door het toeval in de schoot geworpen schoonzus of de dito stiefmoeder hebben niet gevraagd om een schrijvend familielid, dus wie ben ik dan om ze op te voeren in een roman? Ze hebben mij toch nooit iets aangedaan? En als ik ze zou portretteren zoals ik ze zie, dan hebben zij geen verweer* Dat is toch eigenlijk niet fair? Omwille van mijn naasten en de vriendelijke lezers die ik soms ontmoet, doe ik mijn werk af als bezigheidstherapie, een enerverende hobby, gezellig gekrabbel – en krabbel daarmee dus terug. Nogal wat mensen in mijn nabijheid mogen hun handen dichtknijpen dat ik een conflict liever onder vier ogen uitpraat, dan dat ik revanche neem in een boek.

Aanspreekbaar

Inderdaad. Voor schrijvende vrouwen hoeft niemand bang te zijn. Ze zijn redelijk, consequent, bereid hun werkwijze toe te lichten, ze spelen niet op de man en houden zowel rekening met de gevoeligheden van hun naasten als met hun onuitgesproken verlangen naar betrouwbaarheid. Schrijfsters zijn aanspreekbaar, op ooghoogte, en durven aansprakelijk te zijn. Heeft Connie Palmen met de roman Lucifer verwarring gezaaid, wordt ze beschuldigd van immorele geschiedvervalsing, dan legt ze geduldig uit hoe het allemaal zit.

Natuurlijk ken ik ook mannelijke schrijvers met scrupules. Van één weet ik dat hij graag een boek zou schrijven over een dode vriend. Wat hem weerhoudt zijn een paar nabestaanden; de schrijver wil niet dat deze mensen er pas tijdens het lezen van zijn boek achterkomen dat de overledene een groot geheim voor hen had.

Toch lijkt het erop dat schrijvende vrouwen hun werk eerder aanpassen, anticiperend op reacties uit hun omgeving, terwijl schrijvende mannen van mening zijn dat de omgeving zich maar aan hen dient aan te passen. ‘Kun jij het niet verdragen dat je in mijn roman figureert? Dan zoek je toch een vriend die niet schrijft!’

Er zijn veel mannelijke schrijvers die in hun werk rekeningen vereffenen of wraak nemen op bestaande personen – die ze zo vilein beschrijven dat de term karikatuur nog vriendelijk klinkt. De auteur die zijn ex-vrouw haat, zet haar in zijn boek op haar lelijkst neer en laat haar tergend langzaam aan kanker sterven, zonder zich af te vragen wat hun beider kind hiervan zal vinden, zonder zich te bekommeren om wie dan ook. Schrijvers gaan polemieken aan, mogen openlijk vijanden hebben en er is alle ruimte voor hun slachtofferschap. Hun aanstelleritis kan bespot worden, maar niemand zal in één moeite door hun werk diskwalificeren.

Nog zoiets: alle feministische golven ten spijt, is er nog altijd veel kritiekloze belangstelling voor schrijversvrouwen. In interviews en biografische documentaires komen ze ruimschoots aan het woord en mogen we horen waar meneer het liefst mee ontbijt, hoe zijn dagritme eruit ziet en op welke momenten hij onaanspreekbaar is, want aan het scheppen. Natuurlijk haasten de toegewijde echtgenotes zich te zeggen dat ze zelf ook hun (artistieke) bezigheidjes hebben, maar de schrijvende man komt op de eerste plaats. Mevrouw voert secretaressetaken uit, zet koffie voor gasten, knipt recensies uit, houdt plakboeken bij en een zwarte lijst van vijanden van het genie – en mag als dank voor alle moeite vooraan zitten bij talkshows, of oorverdovend krijsen als er een prijs in ontvangst valt te nemen.

Dat een fenomeen als ‘de vrouw van’ in deze tijd nog bestaat, daar sla ik steil van achterover. En was ik een man geweest, ik zou me doodschamen voor een geliefde die status en eigenwaarde ontleende aan het getrouwd zijn met, en het verzorgen van mij.

Het is opvallend dat schrijfstersmannen zelden in de media opduiken. Zo het de mannen al wordt aangeboden, bedanken ze waarschijnlijk voor de eer. Hun bekende vrouwen staan evenmin te juichen, gok ik. Stel dat de indruk wordt gewekt dat ze niet op eigen kracht een roman kunnen schrijven! Dat ze ondersteuning nodig hebben, mentaal, fysiek of zelfs financieel! Dat lezers gaan twijfelen aan hun autonomie, hun zelfdiscipline – of, nog erger, gaan denken: ‘Geen wonder dat die boeken van mevrouw X zo vernuftig in elkaar steken; ze bespreekt iedere wending eerst avondenlang uitvoerig met haar man!’ Dat moet koste wat kost worden vermeden.

Een mannelijke auteur die zijn vrouw naar de voorgrond schuift, die haar openhartig laat vertellen hoe het is om met zo’n groot, grillig ego getrouwd te zijn, stelt zich bewonderenswaardig kwetsbaar op, want hij deelt de eer, als een parodie op het Zij gelooft in mij van wijlen André Hazes. Maar een vrouwelijke auteur die hetzelfde zou doen, toont daarmee dat ze ofwel helemaal niet geëmancipeerd is, want afhankelijk, ofwel te geëmancipeerd. De immer luisterende, dienstbare echtgenoot zou een meelijwekkend watje lijken. En alweer is er die ergerlijke, vrouwelijke bekommernis om hoe ‘men’ de liefdesrelatie beoordeelt. Als het maar normaal lijkt.

Onvolwassen

Mannen die persoonlijk leed in geuren en kleuren beschrijven, heten sensibel en zacht – vrouwen die exact hetzelfde doen, heten sentimenteel, humorloos en onvolwassen, aangezien ze niet kunnen relativeren. Wanneer een vrouwelijke auteur zich op literaire avonden precies zo zou gedragen als die lieve Jan Siebelink, en voor een groot publiek voor de zoveelste keer een traan zou wegpinken om haar dode vader – dan zou het oordeel over haar niet mals zijn. Wat een aanstelster, wat een effectbejag, waarom gaat dat mens niet naar een therapeut in plaats van ons lastig te vallen met haar oude zeer? Is zij wel een goede moeder geweest, met al dat gewroet in haar moeilijke jeugd?

In de biografieën van mannelijke schrijvers worden huwelijksbedrog, hoerenloperij, een moeilijk karakter en een totaal gebrek aan belangstelling voor de eigen kinderen goedgepraat door te wijzen op ’s mans bindingsangst, voortkomend uit een verstikkende relatie met zijn moeder, op zijn zin voor avontuur, zijn grote hart, zijn vrije geest en zijn scheppingsdrift. Toegegeven, het is misschien naar geweest voor vrouw en kinderen dat mijnheer zo weinig thuis was, maar de werken die hij de wereld heeft nagelaten en die zo eigen zijn, zo vernieuwend en zo markant van taal, maken die kleine zondetjes ruimschoots goed.

In de biografieën van vrouwelijke schrijfsters worden dezelfde neigingen gediagnosticeerd als ziekelijk. Knap dat de dichteres Anne Sexton, ondanks haar hysterische nymfomanie, nog zulk rijp werk kon afleveren, staat er dan.

Opvallend is dat de meest openhartige, eigenzinnige, monomane schrijfsters en dichteressen regelmatig zelfmoord hebben overwogen – en soms ook pleegden.

Nog altijd bewerken literaire schrijfsters hun persoonlijke ervaringen zodanig, dat deze ‘verteerbaar’ worden. Dat zou je ook een vorm van zelfmoord kunnen noemen. In elke geval een vorm van automutilatie. Begeerte, verdriet, woede, minachting en een door en door zwarte kijk op de mensheid mogen wel beschreven worden, maar de angel moet eruit zijn, de schrijfster moet boven haar eigen emoties staan en dus in al deze passages uiterst geestig zijn, of de emoties dusdanig fictionaliseren dat geen lezer er een ongemakkelijk gevoel bij krijgt. Helga Ruebsamen kan prachtig over wraak en lust schrijven, maar het blijft wel grappig. De pornografische verhalen van Anne Vegter zijn ook vooral grappig en hetzelfde geldt voor het hele oeuvre van Charlotte Mutsaers; dat wordt in veel kritieken en door veel lezers gezien als excentriek, kunstzinnig, erudiet en intelligent, maar alweer: grappig. Om over het werk van Maria Stahlie nog maar te zwijgen. Het is briljant, maar vooral ‘lekker raar’. Arnon Grunberg is ook raar, maar die zet zijn lezers daarbij wél aan het denken – de bovengenoemde vrouwen lijken geen hond aan het denken te zetten. Hun werk wordt beoordeeld als l’art pour l’art.

Daarnaast zijn er schrijvende vrouwen die graag precies zo serieus genomen willen worden als hun ‘bestsellende’ mannelijke collega’s. Een nobel streven. Ware het niet dat ze meer tijd lijken te besteden aan de emancipatiekwestie dan aan een originele stijl. Schrijft Heleen van Royen over lust, dan doet ze dat op een machomanier. Telt voor een man de cupmaat van een vrouw, nou, dan telt voor haar hoe groot een man geschapen is. Size does matter.

In boeken van meer intellectuele feministes is een vrouw de held en torent ze hoog boven de seksistische, op macht beluste mannen in haar omgeving uit. Programmatisch schrijven noem ik dat, en het gaat ten koste van een vrij innerlijk leven van de personages.

Aan het derde deel van Mystiek Lichaam gaf Frans Kellendonk het volgende motto van Carry van Bruggen mee: ‘Distinctiedrift is levensdrift, eenheidsdrift is doodsdrift.’ Je zou kunnen stellen dat vrouwen die zich willen toe-eigenen wat van oudsher van mannen is, of mannen die zeggen dat ze meer bewondering hebben voor vrouwen dan voor mannen, of zo graag eens in een roman ‘een vrouw’ willen zijn (zoals Oek de Jong in interviews over zijn boek Hokwerda’s Kind beweerde), hun doodsdrift laten prevaleren. Ze generaliseren en maken van hun personages archetypes met archetypische verlangens en archetypische beperkingen. En alle omkeringen zijn even archetypisch.

Laat ik nu juist geloven dat het heerlijke van schrijven en van lezen is, dat je even niets met rollen te maken hebt. Dat je eindelijk een onbepaald individu kunt zijn, ruimer, wijder, voller, rijker dan je vanaf de dag dat je werd geboren bent geweest, toen je moeder aan de vroedvrouw vroeg: ‘En, wat is het? Een jongetje? Een meisje?’

Als ik al schrijvende vecht, dan is het niet voor de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, maar voor de vrijheid die we nog kenden voordat er op een echo iets te zien was, namen werden bedacht, voordat er geboortekaartjes werden ontworpen en zoete roze, of stoere blauwe trappelpakjes werden gekocht.

Schrijven en lezen zijn activiteiten waarin we op ons allervoorgeboortelijkst kunnen zijn, drijvend in en drinkend van het vruchtwater van de verbeelding.

En bomvol levensdrift.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden