Ik was blij dat ik op het verhelderende begrip esprit de corps was gestuit

In Den Haag, pal voor het gebouw van de Tweede Kamer, kocht ik een boek. Een tweedehands boek bij een stalletje met tweedehands boeken....

Het was de jaren vijftig-look van de bundel, in combinatie met de aanbevelingen achterop van The Times Literary Supplement die de verhalen aanprees als verbaal vuurwerk, fizz and bang, en als iets tussen strong punch and Embassy fruit-cup in, dat mijn interesse wekte. Fizz en bang uit de late jaren vijftig – dat moest ik natuurlijk lezen.

Lawrence Durrell, begreep ik toen ik thuis de handboeken erop nasloeg, was in de 20ste eeuw een belangrijk schrijver die diepserieuze overtuigingen koesterde over grote onderwerpen als de menselijke psyche (een mierenhoop van tegengestelde neigingen) en de kosmos (een continuüm van tijd en ruimte). Bovendien was hij de gevierde schrijver van het beroemde Alexandria Quartet: vier romans over Alexandrië rond de Tweede Wereldoorlog.

Zo diepserieus en beroemd was Durrell dat The New York Times in maart 1970 kopte dat hij het niet meer zag zitten. ‘Durrell in Despair Over Future of Man’. Bij een bezoek aan Amerika, tijdens een degelijke lunch, had hij zo indringend gesproken over de teloorgang van de wereld, door kernwapendreiging en genetische manipulatie, dat zijn wanhopige gemoedsgesteldheid niemand meer kon ontgaan.

‘We zijn allemaal monsters geworden’, zei de schrijver streng, terwijl hij zijn bier dronk en nog een mossel in ogenschouw nam.’ Van deze Durrell had ik dus een verzameling lichtzinnige verhalen gekocht. Verhalen over de Britse diplomaten Antrobus en Sir Claud Polk-Mowbray, over hun collega’s Mungo Piers-Foley en this fellow Dovebasket, en over Drage de ambassadebutler die last begint te krijgen van visioenen. Over kringen waarin er wereldproblemen ontstaan wanneer een diplomaat per ongeluk een mot inslikt tijdens een ambassadediner. Zeker wanneer dat diner wordt gegeven ter ere van het Communistische Servische Volksgilde van Handel en Hout. Nou goed, dat soort verhalen dus. Fizz en bang.

Zelf was ik net de laatste weken hevig in de ban geraakt van het verschijnsel van de reclame. Niet de reclame voor wasmiddelen en auto’s, maar de reclame voor ideeën en voor de eigen clan. Al die voorspelbare speeches en toespraken die je moet aanhoren van politici en ambtenaren, bestuurssecretarissen en clubvoorzitters, al die saaie en inwisselbare opinies hebben immers overduidelijk maar één doel: reclame maken voor het eigen bestaan. De eigen organisatie draait altijd voortreffelijk, niemand maakt fouten, er zijn kleine problemen geweest maar die zijn voortvarend opgelost, en de eigen overtuiging is veruit de beste.

Een boeiend en bruisend publiek debat levert dit reclamedenken niet op. Zoals de schrijver Frédéric Beigbeder zegt: ‘Marketing is een perversie van de democratie.’ Zolang politici zich laten dirigeren door de kiezersmarkt, blijft het land een ‘orkest dat de dirigent leidt’ - en hetzelfde geldt voor de marketing- en reclame-samenleving als geheel. Zolang iedereen alleen zijn eigen voortreffelijkheid blijft aanprijzen, gaat de kwaliteit van de samenleving er niet op vooruit.

Hierdoor, door mijn nieuwe fascinatie voor het reclamedenken, herkende ik veel in de verhalen van Durrell over Antrobus en Sir Claud Polk-Mowbray. De korpsgeest en de ijver waarmee problemen voortvarend worden opgelost en het blazoen van de eigen club smetteloos schoon wordt gehouden. Natuurlijk gaat ook in ambtelijke kringen wel eens iets mis, iemand maakt een faux pas en laat een hondenrace uit de hand lopen, maar dan maakt men met zo iemand korte metten en wordt hij meteen overgeplaatst. Naar een betere positie natuurlijk. ‘Upwards, old boy. It’s always upwards in the service.’

Ook herkende ik veel uit eigen ervaring. Want laat ik nou net in Den Haag zijn geweest, zoals ik al zei. En laat ik daar nou, geloof het of niet, zelf net een gesprek hebben gevoerd met Polk-Mowbray. Ouder geworden, natuurlijk, maar met nog steeds hetzelfde oog voor het esprit de corps, en hetzelfde gevoel voor normen en waarden. In het algemeen, zei hij trots, houden ambtenaren het belang van de eigen organisatie goed in het oog. ‘Je minister dienen gaat in je genen zitten, op een departement leef je in een virtuele wereld, daar ben je niet meer bezig met de burger.’

Al met al was ik dankbaar dat ik de wereld van Lawrence Durrell had leren kennen en dat ik op dat verhelderende begrip esprit de corps was gestuit. Want opeens begreep ik waarom speeches van politici en bestuurders en afdelingshoofden zo saai zijn. Waarom ze niet spreken over de werkelijkheid zoals die is, maar zoals die het beste uitkomt voor hun partij, hun dienst, departement, hun bedrijfsafdeling, hun organisatie. Het is de korpsgeest. Esprit de corps, een kameraadschappelijke vorm van egocentrie.

Ik las nog eens het interview met Durrell in de New York Times. ‘Meneer Durrell,’ stond er, ‘een kleine, zware man met een groot hoofd, gaf toe dat zijn dag-des-oordeels-filosofie niet geheel oorspronkelijk was. ‘Niemand leest tegenwoordig Oswald Spengler nog, de Duitse filosoof die De Ondergang van het Avondland heeft geschreven’, zei hij tussen trekjes aan zijn Gitane sigaret door, ‘en dus kan ik zijn ideeën jatten.’ De schrijver knipoogde met zijn hazelnootbruine ogen en bracht het gesprek op de liefde, een onderwerp waarin hij vanwege de sex in het Alexandria Quartet deskundig heet te zijn.’

Jawel, ik weet het zeker, dit jaar ga ik me wijden aan Lawrence Durrell. Aan de ondergang van het avondland en aan het esprit de corps. Fizz en bang.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden