'Ik vrees dat ik de zin van het leven niet meer ga ontdekken'

De Vlaamse acteur Jan Decleir – de komende weken te zien op het Zeeland Nazomerfestival – weet de demonen die hem lange tijd teisterden te temmen....

tekst Steffie Kouters en  Koos Breukel

Vaak zaten de drie Vlaamse reuzen met elkaar te schilderen, de laatste anderhalf jaar voor de aangekondigde dood van de grootste reus uit hun gezelschap. Een ‘onwaarschijnlijk aangename tijd’, zegt acteur Jan Decleir over deze dagen in het Antwerpse atelier, met de zieke taalkunstenaar Hugo Claus en de schilder Fred Bervoets. Het monster alzheimer had minder grip op Claus als hij in een klein clubje zat – in de besloten omgeving van het schildershol kon je nog prima met hem praten. ‘En Bervoets is een verteller, als een kindje dat commentaar geeft op wat hij aan het doen is, dus het was goed die twee samen te hebben.’ Jan Decleir stiefelde tussen de beide grootmeesters door, lacht hij, ‘Het hulpje in de keuken’.

Met die warme, diep-resonerende stem, een stem om bij weg te dromen: ‘Het was een van de meest intense perioden uit mijn leven. In plaats van de liefde af te bouwen, groeide ze alleen maar. Toen kwam dat zwarte gat. Daar sta je dan, ineens.’

Hoe was het om mee te maken dat zo’n goede vriend geestelijk achteruitgaat? ‘Ik heb me eigenlijk meer verwonderd over wat hij allemaal nog kon. Alle gesprekken waren fantastisch. We stelden hem vragen over vroeger, Parijs, Rome. Soms viel hij even stil. ‘Wat was het laatste dat ik zei?’ En dan vond hij het weer. Het was Hugo op zijn best. Duidelijke, aaneensluitende verhalen, vol met deugnieterij.’ Vrolijk: ‘Iemand anders moet die later maar eens controleren. Of hij er een potje van heeft gemaakt en mij van alles heeft wijsgemaakt.’

Had u het weleens over zijn beslissing het moment van sterven in eigen hand te houden? ‘Soms praatte hij erover. Maar Hugo maakte er niet zo’n zaak van. Hij wou niet een soort militant zijn voor euthanasie, of een boegbeeld, waarvoor hij later wel is misbruikt.

‘Hij kon zeer goed vertellen over zijn ziekte. Dat ging niet gepaard met huilbuien. Het droevige was aan hem niet besteed. Regisseur Fons Rademakers was een echte maat van hem. Toen ik Hugo zei hoe triest ik het vond dat Fons was overleden, zei hij: ‘Maar Jan, méér champagne hadden we niet kunnen drinken hoor.’

‘Eigenlijk pleegde hij een lichte vorm van ironisch verzet – er was toch niets meer aan te doen. Heel onrechtvaardig, dat hij werd bestreden met zijn eigen wapens. Zijn fierheid was dat enorme, enorme geheugen. Hij was nooit te kloppen, in wat voor soort spelletjes, quizzen, wetenswaardigheden dan ook.

‘Hugo was niet iemand van: het houdt op voor mij, dus de wereld staat stil. Hij wilde nog steeds naar tentoonstellingen. Daarbij moest je hem wel begeleiden, omdat het motorisch allemaal niet meer zo goed ging. Tot aan de laatste dag was hij geïnteresseerd. Ik kan me voorstellen – ik was er niet bij – dat hij die ochtend de krant nog heeft gelezen.’

U ging ook nog samen naar bokswedstrijden. ‘Hij hield van boksen, hè. Ik ben bevriend met een bokser, die plotsklaps furore maakte. Het was een cadeautje Hugo mee te nemen naar het Sportpaleis om deze jonge kerel te zien. Sugar Jackson, heet hij. Een boksersnaam, hè.’

Met die diepe stem: ‘Sugar Jackson... De match na de dood van Hugo had hij geregeld dat er een stoel leeg bleef voor Hugo, met een roos erop. Hij sprak het hele Sportpaleis toe: dat hij bad voor Hugo Claus.’

In zichzelf, zacht lachend: ‘Sugar Jackson voor Hugo Claus. Ongelooflijk.’ Dan: ‘Het was leerzaam, met Hugo het leven rond te trekken. Het moest méé zitten. Er moest genoten worden.’

Is hij al komen spoken, zoals Cees Nooteboom hem verzocht in zijn grafrede? ‘Nee. Nee.’

Jan Decleir schiet in een aanstekelijke lach: ‘Ik denk dat het ’m geen bal meer kan schelen.’

Hij trommelt met zijn vingers op de houten tafel in de zaal van het Antwerpse theater Zuidpool, de tijdelijke repetitieruimte. Het is stil en donker; de stoelen voor de toeschouwers zijn schimmen. Alleen de tafel, onder de schijnwerpers, is felverlicht.

De beste Vlaamse acteur zegt: ‘Ik vind de dood alles bij elkaar niet zo leuk. Een vuil vies kalf.’

U doet het kalf onrecht. ‘Ja’, humt hij in zichzelf, ‘Eigenlijk wel.’

De komende twee weken is Jan Decleir weer even dicht bij zijn oude vriend. Op het Zeeland Nazomerfestival, aan de oever van de Oosterschelde, zal hij Onder het Melkwoud voordragen, het meesterwerk van dichter Dylan Thomas, in de alom geroemde vertaling van Hugo Claus.

Het is voor het eerst in bijna tien jaar dat Decleir weer speelt in het theater, zijn optreden in de eerste Nederlandse Mozart-moslim-opera (2006) van schrijver en Dichter Des Vaderlands Ramsey Nasr buiten beschouwing gelaten.

‘Ik heb er bést zin in’, zegt hij. ‘Ik sta telkens weer verbaasd over de vertaling: hoe fris de tekst is, hoe klaar, hoe helder, weinig cryptische dingen. Zoals Hugo in het leven stond. Niks in de handen, niks in de zakken. Niks te verstoppen.’ Opgewekt: ‘Hoewel...’

Waarom heeft u zo lang geen theater gedaan? Hij mompelt iets, met ‘toevallig’ erin. Pas later, halverwege het gesprek: ‘Acteren is als een schat die je moet vrijwaren. Dat doe je omwille van het plezier dat je eraan beleeft: kan ik dit, vind ik dit mooi, boeiend om te vertellen? Ik moet me er goed bij voelen, al klinkt dat eigengereid. Mijn nieuwsgierigheid drijft me om ja te zeggen, maar als je te veel compromissen sluit, omdat je mee moet in de dromen van anderen, ontstaat er walging. Dat heb ik door schade en schande geleerd. Dan wil ik weg, wil ik het niet meer.’

Heeft u dat wel eens gehad? ‘Ik ben er toch wel eens dichtbij geweest.’

Wanneer? Stilte. ‘Het is lastig te vertellen, maar dat was tijdens de opera die door Ramsey werd geregisseerd. Ik vind Ramsey een fantastisch leuke man, maar ik heb daar een geweldige kater aan overgehouden. Als spelers stonden we voor opdrachten waarvan we dachten: waar komt dat vandaan, wat wil Ramsey daarmee? Ik vond het zo plat. Zo nietszeggend. Open deuren intrappen. Wat sta ik hier nu in godsnaam te doen?, vroeg ik me af. Waarom?

‘Dat is vreselijk, als je op de scène staat. En er werd maar gediscussieerd over theater. Theater moest wéér opnieuw uitgevonden worden.’

Hartgrondige zucht. ‘Dan denk ik: en zó belangrijk is het nu allemaal ook weer niet.

‘Veel van de theatermakers – nu ben ik aan het zagen – zijn een soort projectontwikkelaars. Vaak heb ik het gevoel, maar misschien is het maar gelul van mij, dat de acteur er eigenlijk niet zoveel meer toe doet. De makers, zoals ze tegenwoordig heten, hebben iets bedacht en plaatsen daar mensen in, in plaats van uit te gaan van het kloppende hart, de spelers. Terwijl: ik ben eigenlijk van opleiding artiest. Een acteur maakt iets uniek, avond na avond. Je kunt niet zeggen: ‘Dit is de partituur, die speel je, en dat is het dan.’ Het is veel meer dan dat.’

En u bent natuurlijk een monumentale acteur. Niet iemand om zich te onderwerpen aan zo’n maker. Hij knikt voorzichtig.

Is het de reden dat u zo lang geen theater hebt gedaan? ‘Ja. Ja. Als ik had laten weten dat ik beschikbaar was, zou ik waarschijnlijk wel gespeeld hebben.’

Alle drie uw kinderen acteren ook. ‘Helaas, ja. Ook de jongste, van 18. Ik hoopte dat hij wiskundige zou worden, of zoiets. Voor mijn dochter valt het nog goed mee, maar mijn oudste zoon heeft toch moeite met die vaderfiguur, in die acteurswereld.’

Het is ook wel erg moeilijk de acterende zoon van Jan Decleir te zijn. ‘Het is niet leuk. Staat er in de kranten: ‘Jenne Decleir, tussen haakjes de zoon-van, zal te zien zijn in’ Hij is toch zelf iemand? Stom dat ik hem Jenne heb genoemd. Die naam begint ook al met een J. Lastig met afkortingen. Ik had hem Louis moeten noemen.’

Hij wil natuurlijk even goed worden als u – een onmogelijke opgave. ‘Een moeilijke opgave. Jenne weet dat ik het rottig vind voor hem. Maar hij weet ook dat ik hem niet kan helpen door te verdwijnen, door te stoppen. Daar help ik hem zeker niet mee. Integendeel.

‘Voor de televisie hebben we een keer samengewerkt. Hij had een hoofdrol, ik een kleinere rol. Jenne was alleen maar bekommerd om me. ‘Niet te lang op de set’, zei hij, ‘Geen te lange draaidagen.’ Zoals hij is. Zo lief. Een karaktertrekje, dat het voor hem niet gemakkelijker maakt. Hij zou assertiever mogen zijn.’

U praat beschermend over uw kinderen. ‘Zo bang was ik, voor waar ze allemaal doorheen moeten. God, waar ben ik toch aan begonnen, denk ik dikwijls. Uit liefde, niet dat ze ongewenst zijn. Maar goed: ze doen waar ze zin in hebben, dat is een voorwaarde om Nog niet om gelukkig te zijn, maar om toch met een zekere vrolijkheid de boel te benaderen. Want als elke dag een opdracht wordt...’

Wanneer wordt elke dag een opdracht? ‘Als je iets doet dat tegen je zin is. Omdat je nu eenmaal iets moet doen.’

U heeft drie kinderen, bij drie verschillende vrouwen. Dat vind ik wel een prestatie. ‘Dan ben je hardleers. Telkens denken: nu kan ik het. Die zal’

Dat is mijn grote liefde. ‘Ja. En dan gaat het toch weer fout.’

Tja: zo begin je eraan. ‘Ja, maar ja. Elke keer een kind erbij enne...’ Hij kreunt. ‘En ik had het allemaal kunnen weten. Ik kom uit een gezin met vijf kinderen, dus ik weet dat een gezin niet altijd rozengeur en maneschijn is.’ Lachend: ‘Dus het is dubbeldom. Maar leg die vinger nu alsjeblieft niet in de wonde.

‘Hugo kon weleens belerend zijn, zonder dat hij dat wilde zijn. Dan zei hij: ‘Ik ben nu met die vrouw, maar het kan ook ineens half 11 zijn.’ Dat was een poging van hem om te zeggen: ‘Jan, hou er rekening mee dat het over kan gaan.’

Sinds jaren heeft u een veel jongere vriendin. ‘Vrouw. Ik ben getrouwd, voor de tweede keer. Ze is 38.’

Wat is het toch dat oudere mannen op jongere vrouwen vallen? Aarzelend, nadenkend: ‘Zou het de jeugd zijn? Dat voelt niet zo aan, met haar. We lonkten al een eeuwigheid naar elkaar. Ik vind haar bijzonder sprankelend. Geweldig intelligent. Er zijn een heleboel aspecten aan deze dame die mij erg aantrokken. Ze is ongelooflijk zelfstandig. Iemand die de zaak naar haar hand zet, in de boze wereld van de wolf en Roodkapje. En daar komt dan nog het hele dierlijke bij

‘Ik zou met haar graag oud worden. Maar het leeftijdsverschil is nogal groot.’

‘Jan is een gulzige man’, werd mij verteld. Is dat ook een reden dat uw vorige relaties stukliepen – dat u verder wilde, meer uit het leven wilde halen? Hij denkt na, met zijn ogen dicht. ‘Veelvraat, ja.’ Lange stilte. Ernstig: ‘De relaties die zijn mislukt heb ik zeer, zeer, zeer betreurd. De introspectie die erbij hoort als je eraan terugdenkt praat mij niet helemaal vrij. Ik heb daar niet altijd een goed gevoel bij. Mislukkingen zijn het, echt mislukkingen. De voorzichtigheid waarmee ik daarna aan een andere relatie begon, is eigenlijk in strijd met de gulzigheid waarover u het heeft.

‘Ik heb lang de naam gehad hier, in dit land, in het milieu waarin ik zit, een geweldige versierder te zijn. Maar de vlag dekte de lading niet. Ik vind vrouwelijk gezelschap zeer aangenaam. En dan is er nog altijd dat spel, dat wordt gespeeld. Ik was niet echt een versierder; ik was een speler. Daar ben ik van verlost. Ik leef ook meer teruggetrokken dan vijftien jaar geleden. Een beetje naar binnen gekeerd. De grote evenementen ontwijkend.’

Vijftien jaar geleden ging u meer op stap. ‘Niet kunnen stoppen, hè. Bacchus moest te pas en te onpas overal over gaan. Ook leuk hoor: slokje verdiend. De oma van mijn vrouw lost cryptogrammen op. Als er dan eentje is gelukt, zegt ze: ‘Slokje verdiend’ en neemt een glaasje. Tegen haar kleindochter zegt ze: ‘Ik zoek `soms heel eenvoudige cryptogrammen uit.’ Dat belonen van mezelf, dat deed ik vroeger ook.’

U drinkt ook minder? ‘Veel minder. Ik kon zeer zwaarmoedig zijn, een somberte die over alles heen hing. Vaak heb ik gedacht dat het een genenkwestie is. Ups en downs.’ Hij maakt een golfbeweging, met zijn hand. ‘Het was een beetje hoe heet dat? Manisch? Met drank erbij ging het echt báf. Dan sloegen de demonen toe.

‘Mijn moeder had dat manische ook. Een prachtvrouw, een klein, stevig, mooi mens. Maar ze was niet gelukkig. Het lukte niet. Toen kwam ook haar zoon nog eens te sterven – het was haar lievelingszoon, hè.’

Acteur Dirk Decleir, vier jaar ouder dan Jan en zijn grote voorbeeld, de broer die hem alles leerde – leerde lezen, leerde kijken naar mensen – verongelukte in 1974. Er zijn weinig oude interviews met Decleir te vinden waarin hij níet over Dirk praat. ‘Het verdriet is lang ondraaglijk geweest’, zegt hij nu.

Die scherpe pijn, is die ervan af? ‘Die neemt af.’ Ironische glimlach: ‘Het leven zorgt wel voor nieuwe verdrietjes.’

Later: ‘Mijn broer had geen auto moeten rijden. Ik ben ervan overtuigd dat dat niks voor hem was. Net als voor Hugo Claus. Meneer liet zich rijden, altijd het liefst door erg mooie dames. Het zou een ramp geweest zijn als hij zelf had gereden. Aan Hugo kon je zien dat hij er niet bij was. Dat hij in gesprekken ja en nee zei en gewoon niets had gehoord.

‘Zo’n kop die alle kanten op gaat De meisjes die ik in mijn dagdromen heb gered uit branden en water, van de verbrandings- en de verdrinkingsdood, om ze later te kunnen bezitten – dat zijn er vele geweest. Ineens ben je een paar uur verder. Iets wat je niet mag overkomen, als je autorijdt. Angstaanjagend, als je naar Amsterdan bent gereden en je de weg niet meer herinnert. Niet weet dat je Gorinchem voorbij bent gegaan, dat je over drie bruggen bent gereden.’

In de tussentijd was u in gedachten meisjes aan het redden uit de rivier? ‘Dan ben je slecht bezig, hè.

‘Ik speelde destijds in All for love, de tragedie over Antonius en Cleopatra. De heren hadden daar allemaal hetzelfde kostuum aan: een zwarte jas en een wit hemd. Héél modern was dat. Maar in mijn verbeelding liep ik over de scène troepen te bevelen in een Romeins rokje, met leren scheenbeschermers, en droeg ik een helm met zo’n pluim erop en een scharnier ervoor. Onwaarschijnlijk kinderachtig. Zo cheap gaat dat.’

Ineens zegt hij: ‘Het spelen is voor mij geen must. Ik zou kunnen stoppen met spelen. Het zou geen grote straf zijn.’

Echt waar? ‘Dat zou ik echt kunnen. Maar van schilderen alleen kan ik niet leven, hè. De economie, dat is een aspect. Film wil nog weleens een handje toesteken. Dat ik denk: ik zal maar eens naar Duitsland gaan om daar mijn lijntjes op te gaan zeggen. Oneerbiedig gezegd. Ik heb het geluk zo nu en dan een vluchtheuvel te hebben, waarmee ik een deel van mijn vrijheid koop.

‘Het wordt steeds moeilijker leuke filmrollen aangeboden te krijgen. Ik ben opgegroeid met teksten, literatuur. Nu regeert de generatie van de beeldcultuur. Beeld, excitement, effecten. Makkelijk. Dit zegt me niks, denk ik als ik zo’n scenario lees.

‘Altijd hoop je: en nu komt er iets spannends. Maar dan is het de zoveelste boksfilm. Waarbij de bokser wordt uitgebuit door de sponsor en toch weer de ring in moet, terwijl hij dat beter niet had kunnen doen. En ja hoor: hij gaat voor de bijl. Meestal speelt er dan ook nog een klassieke vrouwengeschiedenis doorheen.’

Maar dat moet toch onbevredigend zijn voor u: goede filmrollen vinden is lastig en veel moderne theatermakers zijn projectontwikkelaars, in uw ogen. ‘Ach, eigenlijk zit ik hier te lullen over een luxeprobleem. Ik krijg voldoende aanbiedingen. Ik heb nu nog vier scenario’s liggen die ik moet lezen. Daar zit er wel eentje tussen waarvan ik denk: wie weet. Ik hou er een leuke tijd aan over, ontmoet interessante mensen en krijg er tegelijkertijd nog voor betaald ook.’

Toch is het jammer. ‘Het is jammer, dat geef ik toe.’

Heeft u genoeg uit uw talent gehaald? ‘Ik denk het niet. Ik heb toch behoorlijk veel tijd verdaan aan onnozeliteiten. Maar ik heb daar geen schuldgevoel over.’

U heeft ook heel veel gepresteerd. ‘Toch denk ik dat Ik heb nog tijd hoor. Ik kan nog iets goedmaken.’

Later: ‘De zin van het leven heb ik nog altijd niet ontdekt. Ik vrees dat ik die ook niet ga vinden. Om niet te zeggen dat ik ervan overtuigd ben dat het volstrekt zinloos is.’

Maar de perioden van de manische stemmingswisselingen zijn voorbij? ‘Daar doe ik ook wel iets voor. Ik wil het niet meer zo ver laten komen. Als de demonen de kop opsteken, ga ik er tegenin.’

Wat zijn die demonen precies? ‘Kleine klootzakjes zijn het. Het zit in de mens. Een somberte die komt aanzetten en als je er een beetje in meegaat’ Hij lacht verontschuldigend: ‘Ik denk altijd: iedereen kent het.

‘Nu kan ik het aan. Destijds had ik een bevriende dokter, naar wie ik toe ging als ik ze voelde opspelen. Hij spoot iets uit een cactusplant tussen mijn schouderbladen. Flauwekul allemaal. Ik ben motorrijder geweest. Als ik tijdens zo’n periode dronk en ging motorrijden was het gewoon gevaarlijk. Da’s suïcidaal.’

Werd u ook kwaad? ‘Erg kwaad. Soms op anderen, vooral op mezelf. Brullen. Echt onhebbelijk zijn. Als kind kon ik dat al hebben.’

Die woede kwam zomaar opzetten? ‘Mijn moeder kon dan op een bepaalde manier naar me kijken. Ze zag iets in me. Haar vader was een succesvol man, in zijn dorp. Alles wat hij aanpakte, lukte. Maar hij dronk. Hij had zeven dochters. Allemaal waren ze bang voor die man.’

Uw moeder zag soms haar vader in u. ‘En ik heb hem niet gekend.’

Hoe temt u de demonen? ‘Ik heb een partner met wie ik erover kan praten. Dat helpt. Zij maakt het ook de moeite waard inspanningen te doen om het niet te ver te laten komen. Eigenlijk is het meteen goed gegaan vanaf het moment dat we samen waren. Soms zonder ik me even af, van de rest van de wereld. Als ik dan maar niet de nacht in trek.’

Want dan gaat u drinken. ‘Is het hek van de dam.’

Buiten, op het terras, kijkt iedereen op wanneer Jan Decleir voorbijwandelt – een levende legende, op zwarte klompen. Een man die net een vers glas Jupiler heeft gehaald stopt abrupt. ‘Ghhhodddverdoemme’, zegt hij, op zijn Antwerps.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden