Ik voelde me als een ventje in een Gummbah-cartoon

Jeanne Prisser bericht over wat zich afspeelt in de voorhoede van de beeldende kunst. Deze week: Wim T. De Kunstenaar en Vijftig Soorten Breigaren.

Wim T. Schippers, The Lump, 1966. Beeld Collectie Stedelijk Museum

Amsterdam, 15 februari

Is Wim T. Schippers zelf ook een kunstwerk? Welzeker. Altijd al geweest. En dan vooral zijn neus. Dat is het eerste wat je aan hem opvalt; het eerste wat je waardeert. Het is een neus met een drempeltje erin, kraaiachtig van vorm en licht overhellend - een ideale neus om mee rond te neuzen. Komt er ooit een tentoonstelling over beroemde neuzen dan verdient de neus van Wim T. een plekje in de eregalerij, pal naast die van Mulisch en het exemplaar uit Gogols verhaal.

Tot hier Wim T. De Neus. Nu: Wim T. De Kunstenaar. Die heeft sinds afgelopen weekeinde een eigen zaal in het Stedelijk, een logisch eerbetoon, daar het museum de kunstenaar-performer al sinds diens 20ste verzamelt en inmiddels 101 werken van hem bezit, waaronder veel video. Bij wijze van opening werden zondagmiddag daarom enkele fragmenten uit zijn nieuwe programma HOOGWATER (voorheen LAAGWATER) opgevoerd. Dat was op de eerste verdieping. Rond de monumentale trap. Waar zo'n tachtig bezoekers waren toegestroomd.

Eerst werd een aria gezongen. Dat was mooi. Daarna verscheen acteur Titus Muizelaar, die een verhandeling hield over de etymologische eigenaardigheden van het woord pannekoek (Pfannkuchen, pancake), en daar werd om gegrinnikt. Het was het soort hogere onzin dat ooit als ontregelend en baanbrekend gold, en waarop iemand als Hans Teeuwen in zijn eerste programma's fijntjes voortbouwde, maar die hier een tikje oubollig voelde en plotseling begon ik te vrezen: oubolligheid zou toch niet het lot zijn van het gehele corpus van Wim T.'s kunst?

In gezelschap van Wim T. Schippers verplaatsten we ons naar de Wim T. Schippers-zaal.

Ik posteerde me voor een ding: houten onderstel, bontachtig tussenstukje en daarop een rood met blauw sponzig object. Ik liep er omheen en voelde me als een ventje in een Gummbah-cartoon, zo een waarop drie kerels met hun voeten in ladenkastjes staan, en dat er dan één zegt: Oké, en nu stoppen we allemaal een banaan in ons oor! Dat was goed - ik hou van bananen - maar het werd beter: een video waarin een jonge Wim T. als salonpianist komt optreden en een gruwelijke bak herrie produceert; vooral de hoofden van de toehoorders zijn de moeite waard: strakke monden, pupillen die heen en weer schieten als visjes in een te krappe kom. Het filmpje deed me mijn overpeinzingen rond oubolligheid op slag vergeten. Om Ernie te citeren: GhGhGhGh..!!

Ingang van het stadje Castelo de Vide (Portugal). Beeld Frans Beerens

Zaterdag, 14 februari

Die culturele voorhoede. Soms is ze scherp als de tong van een humeurige Amsterdamse tramconducteur en soms is ze zacht als geitenwol, vlossig en vleselijk, zonder aan zeggingskracht in te boeten. Niet dat ik de fotowandtapijten van Frans Beerens ook maar met één vinger beroerde toen ik ze zag hangen in een zaaltje in museum De Pont in Tilburg. Maar waren het foto-vloertapijten geweest, ik had mezelf er kreunend van genot in gerold.

Beerens noemt zijn wandtapijten 'materiële foto's' en het duurde verdikkeme even voordat ik me realiseerde hoe vernieuwend dat is. En dat ik ondanks mijn hübsche bij-de-tijdheid blijkbaar toch van een zekere leeftijd ben. Want hoe vertrouwd ik inmiddels ook ben met de digitale fotografie en haar fysieke absence, zeg 'foto' en ik denk onwillekeurig aan van inkt verzadigde papieren objecten, verkleurde polaroids, omgevouwen hoekjes en geliefkoosde kiekjes. Niet aan koude en onstoffelijke computercodes. Frans Beerens evenmin. Die wilde zijn foto's nog tastbaarder en lichamelijker maken, ook al had hij zijn digitale data al omgezet naar papier of zelfs een fotoboek. Daarmee haakte hij aan bij de recente vooruitstrevende ontwikkeling die ik, bij gebrek aan een pakkende denominatie, le retour à la tangibilité zou willen dopen.

Illustratie vrij naar Otto Dix' Portret van journalist Sylvia von Harden, 1926 Beeld Claudie de Cleen

Uit naam van die Nieuwe Tactiliteit (denk: vinyl, ambachtelijke kleiborden, stencilmachines en grootmoeders garen) liet Beerens zijn foto's weven. Samen met het Tilburgse TextielLab bedacht hij een manier om zwart-witafbeeldingen, niet toevallig van archaïsche dorpjes, een 'houtje-touwtjekas' (Beerens' woorden) en een oude tapijtwerkplaats, te vertalen in een geraffineerde mengeling van geiten- en schapenwol en linnengarens. En met welk een resultaat! Wie had ooit kunnen bedenken dat deze... tja, toch redelijk saaie afbeeldingen door die behandeling zouden veranderen in zinnenprikkelende, sensuele objecten, die uitnodigen tot strelend wangcontact, zoniet meer? Ik niet, en waarschijnlijk Frans Beerens zelf ook niet. Die was slechts uit op een beter perspectief, een nieuwe scherptediepte, en zal zeker niet hebben verwacht dat zijn kunstwerken zo'n sterke uitwerking zouden hebben op vrouwen van een zekere leeftijd, vlassend op het bevingeren van zijn tapijten: vijftig soorten breigaren.

Ik deed mijn ogen dicht en stak mijn handen uit, als een hunkerende blinde en hield mezelf net op tijd tegen.

Thuis bevoelde ik koortsig mijn wollen dekens, fluisterend in het donker: 'Alles van waarde is tastbaar.'

Info

Wim T. Schippers: Stedelijk Museum, Amsterdam.

Frans Beerens: Materiële fotografie Museum De Pont, Tilburg, t/m 8/3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden