‘Ik verheug me op de problemen’

Na drie jaar en twee maanden vertrok Geert Dales als burgemeester van Leeuwarden om de nieuwe grote baas van hogeschool InHolland te worden....

In de Haagse werkkamer van Geert Dales geen stapels papieren of lege koffiebekers. Zo staat de nieuwe bestuursvoorzitter van hogeschool InHolland ook bekend, als opgeruimd. Een aanvaring over een gemorst stukje kroepoek, tijdens een Chinees afhaalmaal met toenmalig collega Rob Oudkerk op zijn werkkamer, leverde hem nog maanden de bijnaam ‘kroepoekje’ op. Dales is ook ambitieus, hardwerkend, een echte doener. Stilzitten kan hij niet. Op zijn cv staan 43 nevenfuncties. Hij was achtereenvolgens wetenschapper, diplomaat in Hongarije, kunstmanager, wethouder in Amsterdam en burgemeester in Leeuwarden.

Na drie jaar en twee maanden verliet Dales half juli zijn post in Leeuwarden om bestuursvoorzitter te worden van InHolland, met 35 duizend studenten en twaalf vestigingen in de Randstad de grootste hogeschool van Nederland.

U bent weer terug in de Randstad. Woont u weer in Amsterdam?

‘Ja, en ik blijf er nu ook. Gedurende mijn tijd in Leeuwarden is mijn man Rinze (de Vries, red.) in Amsterdam-West gebleven. In tegenstelling tot wat veel mensen denken zijn de Westelijke Tuinsteden een fantastische plek om te wonen: we genieten van de rust, het groen, de ruimte. Wij hebben een grote tuin met kippen. En met de tram sta je zo in het centrum.

In mijn tijd als wethouder keken mensen me altijd meewarig aan als ik vertelde dat ik in Osdorp woonde. Inmiddels woon ik al bijna twintig jaar in die hoek van Amsterdam en heb ik nog nooit enig probleem gehad of er me onveilig gevoeld.’

Het valt het dus wel mee met de problemen?

‘Dat zeg ik niet. Ik zeg alleen dat het beeld negatiever is dan de werkelijkheid. De associatie is: lastige Marokkanen, Mohammed B., radicalisering. Ik wil die problemen niet bagatelliseren, maar mijn ervaring is dat je er heel plezierig kunt wonen.’

Loopt u er ook hand in hand over straat met uw man?

‘Ja hoor, dat is nooit een probleem geweest. Maar laat ik ook mijn zegeningen tellen, ik weet dat er mensen aangevallen worden, en dat vind ik verschrikkelijk.

Ik word nog regelmatig aangesproken op straat door buurtbewoners die mij op de een of andere manier herkennen. Dan zie ik dat ik nog niet helemaal vergeten ben. ‘Hallo burgemeester’, zeggen ze dan, of ‘hallo minister’, want als je op tv komt, ben je als politicus met mijn uiterlijk blijkbaar meteen minister.’

Hoewel Geert Dales op zijn achttiende al lid werd van de VVD – ‘ik ben een echte liberaal’ – duurde het tot 1998 voor hij politiek actief werd. Hij was inmiddels 46. ‘Het was niet iets dat ik per se moest. Het is geleidelijk zo gegaan.’

Eenmaal in de politiek beland, ging het snel. In korte tijd werd hij fractievoorzitter van de Amsterdamse VVD en vervolgens wethouder én locoburgemeester in de hoofdstad. Hij genoot van het lokaal bestuur en wilde verder: ‘Als je al raadslid, wethouder, fractievoorzitter en locoburgemeester bent geweest, is er nog maar één post over.’

In 2004 vertrok Dales dan ook – vóór het einde van zijn Amsterdamse termijn – naar Leeuwarden.

U werd ongeduldig?

‘In Amsterdam had ik wel heel lang moeten wachten op de burgemeestersplek. (lacht) Er was gewoon een vacature in een stad die mij aansprak. Ik heb veel affiniteit met de noordelijke helft van Nederland. Leeuwarden is een provinciehoofdstad, en bovendien een van die steden waar de burgemeester ook korpsbeheerder van de regionale politie is. Een uitgebreid takenpakket dat je er zomaar bijkrijgt. Ik heb ja gezegd omdat het een gemeente is die erg in ontwikkeling was en is, met veel problemen. Dat vind ik fijn, anders ga ik me snel vervelen.’

Ging dat zo? U besloot ‘ik wil verder’ en u ging een lijstje van mogelijke steden af op zoek naar een vacature?

‘Nee, ik werd vanuit de VVD benaderd of ik me wilde kandideren voor Leeuwarden. Niet dat ze daar iets over te vertellen hebben; het idee dat partijen burgemeesters kunnen droppen is onzin. Je moet het helemaal zelf doen, met een goede sollicitatiebrief en een goed cv. Ik heb me goed voorbereid. Net als bij een normale baan.’

U moest wel even nadenken voordat u ja zei. Waarom aarzelde u?

‘Ik vroeg mij af of ik middenin een zittingsperiode uit Amsterdam kon vertrekken.’

U vroeg zich niet af of Leeuwarden wel groot genoeg was voor u?

‘Dat speelde zeker ook mee. Heb ik daar wel voldoende te doen? Maar ze zochten een doener en netwerker. Als ze hadden gezegd: we willen het ouderwetse prototype van de neutrale, verbindende burgervader die bejaarden en baby’s over de bol aait, had ik het niet gedaan. Niet dat ik dat niet belangrijk vind of niet kan, maar voor mij is de hoofdzaak: dynamiek, activiteit.’

Dales deed onmiddellijk stof opwaaien. Het nuchtere Leeuwarden had moeite met het flamboyante ‘Randstadhaantje’ met zijn ferme uitspraken en snelle optreden. Dales vond de bestuurscultuur in de stad ‘benepen’ en zei dat ook. Wel ging hij direct tot actie over. Hij voerde preventief fouilleren in, deed een proef met cameratoezicht op straat, noemde agenten te dik en pakte overlastgevende buren en hangjongeren hard aan, ook door zelf langs te gaan.

Hij kreeg ook veel kritiek. Dales was gevraagd het imago van de stad – ‘ver weg, beetje suffig’ – te verbeteren. Dat deed hij door het land in te trekken en veel in de media te verschijnen, maar er waren mensen die vonden dat hij dat te veel deed. Toen hij de tweebaansweg van Harlingen naar Leeuwarden een ‘karrenspoor’ noemde (Dales: ‘de vierbaansweg is volgend jaar een feit, maar dat is niet mijn verdienste’), werd hem dat niet in dank afgenomen.

Waren de kritiek en de ‘benepen cultuur’ een reden om verder te kijken?

‘Zonder meer: nee. In het begin moesten de stad en ik aan elkaar wennen. Maar de raad vindt het oprecht jammer dat ik vertrek. We willen er één terug zoals jij, zeiden ze. Dat vind ik een groot compliment.

Ik erken dat drie jaar en twee maanden voor een burgemeester erg kort is. Daar staat tegenover dat de programmapunten die ik geformuleerd had grotendeels zijn uitgevoerd. Ik heb geleverd wat ik beloofd had. Zelf had ik 2008 voor ogen om te vertrekken, maar er lag een kans om wat anders te doen, in een functie die ik graag wilde. Dat is altijd een moeilijke afweging.’

Wat trok u zo aan bij InHolland?

‘De maatschappelijke opgave. De school is groot en complex, de studentenpopulatie divers, de school is sterk gericht op internationalisering en ondernemerschap. Allemaal dingen die heel goed bij mij passen. Toen ik de kans kreeg, dacht ik: dit is te goed om nee tegen te zeggen.’

Het had dus niets met ontevredenheid te maken?

‘Absoluut niet. Een cyclus van vier jaar voelt natuurlijk. Het is niet gek dat dat in de politiek ook zo is. Het eerste jaar kun je je oriënteren, het tweede jaar stel je het programma op, het derde jaar duw je je punten door, het vierde jaar rond je af. Ik heb vaker dergelijke cycli gehad. Met één uitzondering: ik ben negen jaar directeur geweest van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst, de grote subsidiegever in Nederland voor beeldend kunstenaars, vormgevers en architecten.’

Maar u houdt wel van afwisseling.

‘Ja, al is de publieke zaak een rode draad. Dat zit er diep in bij mij, dat vind ik mooi en belangrijk, dat zal ook niet veranderen.’

Waar komt die voorliefde vandaan?

‘Dat weet ik niet. Mijn vader was ondernemer, heeft zelf een bedrijf opgebouwd. Maar hij was wel maatschappelijk betrokken, actief in allerlei besturen. Ik wil werken voor de samenleving in instellingen of instituties. Non-profit.’

Is dat niet vreemd voor een liberaal?

‘Het is een misvatting dat liberalen en zeker VVD’ers iets tegen de staat zouden hebben. Juist liberalen hebben er altijd voor gepleit dat de overheid op een heleboel punten een sterke positie bekleedt. Er zijn dingen die mensen niet zelf kunnen en dat moet dan in gezamenlijk verband goed geregeld worden: gezondheidszorg bijvoorbeeld, of onderwijs en sociale zekerheid. Dat zijn klassieke staatstaken die de laatste jaren ontstatelijkt zijn en ik ben er voorstander van dat dat deels wordt teruggedraaid, waardoor de burger er nog wat over te zeggen heeft. Maar altijd afgebakend, niet meer dan nodig, want alles begint bij de eigen verantwoordelijkheid van ieder individu. Dat is een liberaal uitgangspunt waar ik heel erg in geloof. ’

Heeft uw tijd als diplomaat in het communistische Hongarije u in die overtuiging gesterkt?

‘Ik was al VVD’er toen ik er midden jaren tachtig heen ging, maar ben het daar nog meer geworden. Ik heb daar gezien hoe het collectivisme iedere vorm van individuele verantwoordelijkheid onderuithaalt, mensen onderdrukt, afhankelijk en apathisch maakt, geen vrijheid van meningsuiting toestaat en hoe een bevolking volkomen afhankelijk is van de luimen van een handjevol niet-gekozen mensen. Dat is zo verschrikkelijk, dat mag je mensen niet aandoen.’

Wat kon u er doen als diplomaat?

‘Niks, ik kon er alleen over berichten en soms spreken met dissidenten. Uiteindelijk heb ik veel gedaan op cultureel gebied. Het heeft mij veel contacten opgeleverd, waardoor ik later ook in de kunstsector terecht ben gekomen.’

U heeft er wel een afkeer van het collectief aan overgehouden?

‘Ik wil graag zelf uitmaken hoe het is. Het collectivisme van de PvdA en zeker van de SP staat heel ver van mij af. Ik zal het niet vergelijken met het communisme, maar ik zie een zekere verwantschap. Ook de christenen hebben hun eigen vorm van gemeenschapsdenken, een religieus gemotiveerde vorm van collectivisme. Klein voorbeeld: het is toch van de zotte dat er in regeringskringen serieus wordt nagedacht over huwelijkscursussen? Waar bemoei je je mee, denk ik dan. Echt absurd.’

Waarom heeft u de diplomatie eigenlijk verlaten? Wilde u geen ambassadeur worden?

‘De diplomatieke wereld is zeer formeel en hiërarchisch. Ik ben erg geneigd mijn eigen weg te zoeken. Het duurde te lang voor er serieuze verantwoordelijkheden kwamen. Ik wilde niet wachten tot ik 50 was voor ik aan de touwtjes kon trekken.’

U bent enigszins ongeduldig van aard?

‘Ja, dat is nog verergerd sinds ik in 1999 na een zwaar auto-ongeluk zeven maanden lang met beschadigde hersenen in bed lag. Ik kon niet lezen, praatte slecht, had vreselijke hoofdpijnen, mijn geheugen was helemaal weg. Ik moest herstellen in een ‘prikkelarme’ omgeving, wat concreet betekent dat je zeven maanden lang niemand mag zien. Voor mij een hel. Sindsdien ben ik nog minder bereid tijd te verprutsen aan dingen die er niet toe doen. Ik heb er een geweldige hekel aan nutteloze prietpraat aan overgehouden: ik kan slecht tegen oeverloze vergaderingen, om maar eens wat te noemen.’

Sta je na zo’n levensbedreigend ongeluk anders in het leven?

‘Het is een ongelofelijke platitude, maar ik kijk tegen sommige dingen wel anders aan. Ik ben ongeduldiger geworden, maar ook emotioneler, ga makkelijker met gevoelens om. En ik besef ook sterk dat we hier tijdelijk zijn. Het is misschien vreemd, maar ik heb geen naar gevoel als ik eraan terugdenk. Het was eigenlijk wel een interessante tijd.’

Na het burgemeesterschap in Leeuwarden kan een mens alle kanten op. Uw voorgangers werden minister, burgemeester van grote steden of commissaris van de Koningin. Welke post trekt u het meest?

‘Het zijn allemaal mooie banen. Dat zien we te zijner tijd wel.’

Premier misschien?

‘Klinkt fantastisch. Maar wat hierna komt: geen flauw idee. Er zit geen enkele planning in mijn carrière, alles is met enige mate van toeval op mijn pad gekomen, het had ook heel anders kunnen gaan.’

Wilt u beweren dat het toeval is dat u vertrekt uit Leeuwarden juist op het moment dat de VVD flink verloren heeft bij de verkiezingen en er conflicten binnen de partij spelen?

‘Er is geen enkele relatie tussen de ontwikkelingen in mijn partij en mijn keuze voor het bestuursvoorzitterschap bij InHolland.

Iets wensen in je carrière heeft niet zoveel zin. Als je ergens aan begint, moet je niet nadenken wat je daarna wilt gaan doen, maar eerst maar eens de handen uit de mouwen steken. Er komt vast weer wat, ik ben nu 55, misschien blijf ik wel hier.’

Maar om in uw termen te spreken, u heeft nog zeker tweeëneenhalve cyclus te gaan. Gelooft u zelf, gezien uw verleden, dat u op deze plek blijft?

‘Ik ben helemaal niet van plan om op mijn 65ste te stoppen. Daar moeten we eens vanaf, wat een gezeur. Ik houd helemaal nooit op met werken, ik wil volop in het maatschappelijke leven blijven staan, zolang ik dat fysiek aankan. Ik heb geen zin in tuinieren.’

Wat zijn uw goede en slechte eigenschappen?

‘Ik werk hard, bereid me goed voor, ben consciëntieus. Aan de andere kant: mijn ongeduld kan soms hinderlijk zijn. Ik heb het nu redelijk onder controle, maar mensen die me goed kennen, zien het aan mijn mimiek.’

Of aan uw lichaamshouding.

(Dales’ hele fysiek schreeuwde de minuten daarvoor: ik moet weg, volgende afspraak. Betrapt herstelt hij zich, houdt het bijna tien seconden vol om onderuitgezakt te zitten, en zegt: ‘is dit beter?’) ‘Ik ben best ontspannen. Laatst las ik in een profiel van mij: Geert Dales heeft altijd haast. Nou dat is echt niet zo, hoor. Echt niet.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden