'Ik regel het zelf wel, waar bemoeien ze zich mee?'

Het Amerikaanse hooggerechtshof beslist binnenkort over Obamacare, het nieuwe Amerikaanse zorgstelsel en de belangrijkste maatregel van Barack Obama. Waarom hebben zoveel Amerikanen daar zoveel moeite mee? Op stap met Jim Gibbs, in elke vezel een representant van The Land of The Free. 'We hebben er weer één. Die mother fucker gaat eraan.'

Als Texanen, zeker in het diepe zuiden, waar het land eens de Wild Horse Desert heette, een verhaal beginnen, zetten ze hun cowboyhoed af of recht, heffen ze een vinger. This ain't no bull shit, zeggen ze dan. Luister. En dan volgt er een verhaal dat altijd een beetje groter is dan de werkelijkheid die we kennen.


Dus. Dit verhaal gaat over Jim. No bull shit.


Jim is een cowboy die hoopt dat alle mannen cowboys zijn.


Jim draagt een vilten cowboyhoed, op maat gemaakt, met het brandmerk van zijn eigen ranch.


Jim pruimt tabak en spit het liever uit als Ann het niet ziet - Ann, zijn grote liefde, al sinds de universiteit.


Jim heet eigenlijk James, maar wordt ook Chief Thinning Hair genoemd, omdat hij al wat ouder wordt.


Maar Jim is toch altijd Jim, van een man een man, een woord een woord.


Zó is James R. Gibbs (67) groot geworden: 'Een handdruk betekent voor mij evenveel als een contract van vijftig pagina's.'


Dáárom kunnen hij en Ann (68) zich elke vrijdagochtend van hun villa in Houston laten vliegen naar hun ranch bij Hebbronville in zijn eigen Super King Air B200 Beechcraft. Het doet dus Stitch nog maar weinig, dat vliegen; de labrador ligt te slapen bij de uitgang. 'Een frequent flyer', zegt Jim. De hond vloog al in toestellen als deze, modellen die tweedehands voor twee miljoen dollar in de brochure staan, toen Jim nog Frontier Oil leidde, de bakermat van zijn fortuin.


Met een fractie van dat geld kocht hij zijn weekend- en vakantiebestemming: San Pablito. Waar Washington, de zetel van 'Obo', een andere planeet lijkt. Waar het geluid van de Occupy-beweging, die zich afzet tegen de Top One Percent waartoe de Gibbs mogen worden gerekend, maar moeilijk doorklinkt. Hier is Jim keizer, en Ann koningin. Hier zijn de wilde zwijnen die alles kapotmaken Jims grootste probleem. Eentje ligt er al in de vriezer, die is gisteren geschoten. Vier andere die ook in een van de vallen zijn gelopen, hangen op hun kop naast de schuur.


De ranch betekent vooral voor Jim vrijheid. Hij, de selfmade man, op zijn eigen land, dat hij met zijn eigen geld heeft gekocht, waar hij zich tegenover niemand hoeft te verantwoorden anders dan Ann. Wie op bezoek gaat bij Jim en Ann, stapt al op het executive gedeelte van Hobby Airport in Houston in de wereld waar Amerika in gelooft - of in elk geval een groot deel daarvan.


Jim heeft zichzelf omhooggewerkt, vrijgevochten. 'Ik heb geen overheid nodig. Bemoei je met je eigen zaken.' Jim kan voor zichzelf zorgen. De wereld van Jim is The Land Of The Free, in optima forma, dat voorafgaand aan elke baseball-, american football- of basketbalwedstrijd ook luid wordt bezongen door mensen met minder geld. Voor velen gaat de strijd om 'Obamacare', de wet die sinds deze week bij het Hooggerechtshof in behandeling is, niet enkel om de herziening van de gezondheidszorg, maar om vrijheid. The right to choose.


Jim zal het meermalen verwoorden op z'n Jims: 'In de Grondwet staat dat iedereen het recht heeft te kiezen wat je wilt kopen. We krijgen nu een verplichte verzekering opgelegd vanwege 20 procent van de bevolking: 10 procent wil geen premie betalen en geeft z'n geld liever uit aan iets anders, en die andere 10 procent, dat zijn illegalen, die hier sowieso niet thuishoren.'


Punt.


Waar bemoeien ze zich mee.


Jim regelt het zelf wel.


Of anders Ann wel, die heeft zo haar eigen projecten. Ze heeft zich bijvoorbeeld, vertelt ze op zeven kilometer hoogte, ontfermd over de buitenkant van het vliegtuig. Ze hebben het toestel net aangeschaft, het moet nog worden overgespoten. Ann heeft samen met een grafisch ontwerper wat schetsen gemaakt. Het brandmerk van de San Pablito Ranch er natuurlijk op, een gestileerd laurierblad, en verder wordt het iets met veel wit en wat blauw, en een Amerikaanse vlag op de staart.


Jim checkt in de cockpit wat de mannen vinden van het nieuwe navigatiesysteem, Ann leest Empire of the Summer Moon van S.C. Gwynne, over de opkomst en ondergang van de Comanche-indianen, op haar Kindle. De vlucht van Houston naar de ranch duurt pakweg een uur, maar het is een vlucht naar een ander leven. In Houston, de metropool, speelt Ann een paar keer per week bridge en een partijtje golf, en gaat Jim naar zijn 'piss end office', waar hij zijn zaken runt ('vooral ranching tegenwoordig'). Op San Pablito is er leegte, lopen witstaartherten waar ze willen, dobberen roodwangschildpadden in een watertje, en kijkt een almachtige sterrenhemel op hen neer. Ann: 'In de stad gaat alles over politiek en economie. Op de ranch heb je het over hoeveel regen er is gevallen, en welke dieren je hebt gezien.'


Jim houdt van beide werelden, maar 'toch wel een beetje meer' van de ranch. Hij prijst zich gelukkig dat Ann 'niet zo'n typ is dat thuis enkel haar nagels zit te lakken, maar van het buitenleven en de beesten houdt'. Ze koestert het wildleven op hun stuk semiwoestijn, ze houdt van de geur van de mesquitebomen, ze veert op als iemand zegt een rode lynx te hebben gespot. Mochten ze ook dit vliegtuig weer van de hand doen, wil Ann voor de foto in de prospectus een opgezette hertenkop aan de wand en een fles bier op tafel. Niet dat truttige gedoe met een bloemetje en een champagnefles.


Zij de nieuwe Miss Ellie, hij de moderne versie van Jock Ewing - de Dallas-vergelijking ligt altijd op de loer ('Mijn initialen zijn J.R.!' gooit James R. er af en toe als grapje in). Enkele honderden miljoenen op de bank, een kapitaal aan aandelen in de achterzak, maar op z'n Texaans down to earth en recht voor z'n raap. Na de landing op de airstrip in het diepe zuiden van de Lone Star State, waar een medewerker de Ford F250 Super Duty heeft voorgereden, de meest gebruikte uit het wagenpark van vijf en twee golfcarts, is de eerste stop het loket van Avila's Bar-B-Q. Bij de drive-thru, een klein houten huisje, bestellen ze hamburgers voor de lunch. Ook eentje voor Lamar, de voorman op San Pablito, want die heeft er al een hele ochtend opzitten.


De ranch is een bedrijf op zichzelf, al zijn hun paar honderd koeien net verkocht. San Pablito meet ongeveer 55 vierkante kilometer - bijna drie keer de stad Leiden. De oprijlaan van het hek naar het hoofdhuis is zes kilometer lang; aan weerszijden hebben Jim en Ann alle begroeiing laten wegkappen ('Anders springt er zo een hert voor je auto').


Links doemt eerst de privékerk op, Ann's grootste project van de afgelopen jaren. Het witte gebouw is een variant op de San Rafael-kerk van de nabijgelegen ranch El Randado, gevestigd al in 1767. Dit kerkje is 18 inch breder, omdat Ann een middenpad wilde. Ze heeft het de naam St. Francis Church gegeven, een eerbetoon aan de heilige dierenvriend. Bij de ingang staat een bronzen beeld van een hert met haar kleintjes, aan de zijkant houden twee stenen honden de wacht die verdacht veel lijken op de zwarte labradors Cheeto en Buddy, de allemansvrienden van de ranch.


Dit is de wereld van Jim en Ann, waar de werkelijkheid soms groter is dan het leven. Dit is ook de wereld waar mannen samen bier drinken, elke dag vlees eten van de barbecue en grappen maken over pussy's, althans als die niet meeluisteren. Wie Jim vraagt eens te vertellen over hoe het allemaal zo is gekomen - hoe hij van Frontier Oil een miljardenbedrijf heeft gemaakt en of hij nu altijd echt zo'n countryboy is geweest - krijgt als antwoord: 'Kom, we gaan een ritje maken. Dan kan ik meteen kijken of er nog zwijnen in de vallen zitten.' De Ruger .17, een van zijn pistolen, ligt al op de achterbank.


Wie de auto tot stilstand wil hebben begint nog eens over Obamacare ('Ze verruïneren onze hele gezondheidszorg') of Obama Motors ('De vakbonden hebben General Motors om zeep geholpen en nu geeft Obo ze nog zakken met geld toe'), want de kans is groot dat Jim dan op de rem trapt.


Eerst dus iets anders.


Voorzichtig cruisend over de zandpaden van het landgoed vertelt hij dat het wat hem betreft allemaal om work ethic gaat. 'Hard werken. Ik heb altijd hard gewerkt. Zo bereik je wat. Niet zoals in San Francisco of in New York, daar staan ze om half tien op, en met lunchtijd zijn ze alweer klaar. Ik weet niet wat die crazy fuckers daar aan het doen zijn. Dat is Amerika niet.'


Jim is opgegroeid op een compound van een oliebedrijf nabij Alvin, Texas. Jims vader was productie-ingenieur bij Amoco, de voorloper van BP - man van handen uit de mouwen. Jims moeder zei altijd: 'You pick shit with the chicken!' Vriendelijker gezegd: je moet alles zelf bereiken, je begint met niks. Als 16-jarige verdiende hij 50 cent per uur met het bezorgen van geneesmiddelen. Nadat hij zijn graad had gehaald in economie en werktuigbouwkunde aan de Southern Methodist University, ging hij aan de slag als financieel expert bij de Texas Commerce Bank: 'Daar ging ik me vervelen. Ik wilde meer de praktijk in, wilde de oliewereld leren kennen.'


Hij werd in 1982 schatbewaarder bij Wainoco, een bedrijf dat een aantal olie- en gasvelden runde in de VS, Canada, Colombia en Indonesië - dat was in de tijd dat een vat ruwe olie nog ruim acht dollar kostte. Hij voorkwam een vijandige overname, slankte het bedrijf af, en werkte zich binnen drie jaar op naar de top van het bedrijf. Hij bedacht ook de move die Wainoco, dat na de overname in 1991 van Frontier Refining de naam Frontier Oil kreeg, definitief op de kaart zou zetten: het bedrijf stortte zich op het raffineren van zware ruwe olie. 'Het was een lastige tijd, maar ik wist dat de markt weer zou aantrekken. En wij hadden precies de raffinaderijen waar er te weinig van waren. Veel raffinaderijen kunnen de West Texas Intermedia wel aan, die veel lichter is, maar niet de zware olie uit Canada. Die olie konden wij voor een prikkie kopen.'


Hij slaat rechtsaf een verhard pad op. Trapt zachtjes op zijn rem en zegt: 'We hebben er weer één. Die mother fucker gaat eraan.' Hij pakt zijn Ruger, controleert de kogels, stapt uit, loopt naar de val waarin een zwart zwijn als een dolle kleine rondjes begint te rennen, hij mikt op de kop, knal, Jim loopt terug, stapt in, zet de auto weer in de D van Drive, en rijdt verder. 'Zo, dat scheelt er weer één. Het zijn er echt te veel. Waar waren we?'


Eh, o ja: ze deden het 'Pretty damn good'. De raffinaderijen in Wyoming en Kansas produceerden non-stop. Het bedrijf dat ooit 32 miljoen dollar waard was, werd gekapitaliseerd op vijf miljard; het aandeel Frontier steeg van 2 dollar begin jaren negentig naar 150 dollar ruim een decennium later. Op een bepaald moment had Jim zelf, naast de opties die hem al een rijk man maakten, 1,3 miljoen aandelen.


Nu niet meer. Althans, niet meer zoveel. Jawel, Jim, die anderhalf jaar geleden het bedrijf vaarwel heeft gezegd eerst als bestuursvoorzitter en later ook als voorzitter van de raad van commissarissen, heeft nog genoeg aandelen in HollyFrontier, het bedrijf dat direct na zijn pensionering onstond uit de fusie van Frontier Oil en Holly Corp. Hij is ook aandeelhouder van Cabot Oil & Gas, waar hij nog steeds een van de directeuren is. Maar vraag hem nu naar zijn bezit en hij zal zijn vrouw noemen, zijn twee dochters, zijn zes kleinkinderen, en dan de grond waarop hij rijdt.


Hij is grond gaan kopen en bijkopen vanaf 2001 ('Het is net als met vrouwen, je kunt er nooit genoeg van hebben'.) Hij kocht het land en het bijbehorende landhuis allereerst omdat het een goede investering was: elk van de 13.000 acres is nu 1.800 dollar waard. Bovendien wil Jim graag in een traditie passen. De ranch was ooit onderdeel van het legaat van Sarita Kenedy East, de 'laatste dochter' (zonder kinderen) van een van de beroemde settler-families die in de 19de eeuw het Zuiden openlegden. De ranch was een eeuw geleden vier keer zo groot. 'Dit is wat Texas is. Je koopt land en je koopt nog meer land. Zo raakt het gebied niet verder versnipperd, dat is beter voor de natuur ook. Een familie met een groot stuk grond; in Texas hoort dat bij elkaar.'


Jim is trots op het erfgoed, hij is trots op Texas. Sterker nog: 'Hier is iedereen eerst Texaan, en dan pas Amerikaan.'


Jim belichaamt het Texas-gevoel dat ook op bumperstickers en T-shirts staat: Don't mess with Texas. Kom niet aan Texas, de staat die voor het laatst in 1976 door een Democraat is gewonnen (Jimmy Carter), de staat die op verkiezingskaartjes buiten de steden Dallas, Houston, San Antonio en Austin en de county's aan de grens met Mexico 'rood' kleurt, ook wanneer 'blauw' het Witte Huis wint: het Republikeinse rood van de Grand Old Party. Dit is de staat die nog harder dan de rest roept: handen af! Of fuck off.


Het W-woord valt. Hij trapt op de rem. 'Moet je luisteren. Aan Washington hebben we niets. Zeker niet met die incapabele regering van Obo. Die helpen ons land naar de verdommenis. In Texas willen we geen betutteling. We kunnen onze eigen zaakjes wel regelen, daar hebben we geen Washington voor nodig. Ondernemerschap is hier groot goed, dat waarderen we hier enorm. Texanen hebben altijd voor hun vrijheid gevochten.' Hij herhaalt als vele Texanen de gedragen woorden: 'Remember The Alamo'. Bij die missiepost in San Antonio 'streden ze tot hun dood om de Mexicanen eruit te kicken'.


Waar bemoeien ze zich dus mee. 'Obamacare! Het is een schande. Ze vernietigen de beste gezondheidszorg ter wereld. Er is geen beter kankerziekenhuis dan het Andersen Cancer Center in Houston. Fondsen zullen opdrogen, artsen zullen ermee stoppen. Het is gewoon onwettig, en dat zal het Hooggerechtshof ook gaan zeggen: de overheid kan je niet zomaar opleggen welke verzekering je moet nemen. Stelletje socialisten.'


Als Ann achter in de auto had gezeten, had ze gezegd: 'Nou, nou, Jim.' Wat ze ook zegt als Jim volhoudt dat Obama een moslim is en dat er drie 'big ones' op Iran moeten worden gegooid.


Wie er ook in het Witte Huis komt, slechter kan het er wat Jim betreft nooit op worden. 'Er moet in elk geval een patriot komen.' Het liefst zou hij de Republikein Newt Gingrich, de uiterst conservatieve voormalig parlementsvoorzitter, de post zien bekleden. Maar het zal Mitt wel worden. Jim geeft tijdens de voorverkiezingen geen geld aan de partij of aan kandidaten. Bovendien, John Culberson, congreslid voor het zevende district van Texas, 'klopt altijd wel aan als hij geld nodig heeft'. Een 'goeie jongen', die als slogan heeft: Texans should always run Texas. Hij is inderdaad ook tegen Obamacare, ziet Israël als de beste vriend op aarde, is tegen het homohuwelijk, en eist zero tolerance voor illegalen en drugskoeriers in het grensgebied.


Dus ook hier, in Jim Hogg County.


'Zullen we teruggaan? Ik heb witte wijn koud staan.'


Het laat Jim en Ann niet koud, de drugskartels die 'nu nog' aan de andere kant van de grens zitten, dáár de dienst uitmaken, en dáár hun slachtoffers maken. En dáár mensen afpersen.


Jim: 'Ik heb drie pistolen. Maar zij komen met een machinegeweer. Daar begin je niets tegen.'


Ann: 'Misschien moeten ze al die drugs maar legaliseren. Dan verliezen ze hun macht.'


Jim: 'Precies. De prijs van de drugs zal dan richting nul gaan. Gebruik maar alle drugs die je wilt, geen probleem, maar je regelt je eigen gezondheidszorg maar. Je krijgt geen cent.'


Ann: 'Jim, rustig, rustig.'


Het alarmnummer van de Border Patrol hangt boven het bureau in Jims werkkamer. Naast een foto van L.J. en Victoria, kinderen van Lamar, die poseren als cheerleader en american football-speler. Want zo is Jim ook: hij klaagt over het groeiende gehalte hispanics in de regio (90 procent, 'Mexico heeft de oorlog alsnog gewonnen'), die ook nog eens voor een groot deel op de Democraten stemmen, maar heeft 'spaarpotjes' bedacht voor de kinderen in de Perez-familie. Voor wat betreft de voorman Lamar zelf: als Jim die tien jaar geleden niet onder zijn vleugels had genomen, was hij misschien blijven steken in een leven van drugs, bendes en shoot-outs. Lamar: 'He's a good man. Hij wil dat iedereen zoals hij is, maar hij bedoelt het goed. Hij heeft goed voor me gezorgd.'


Lamar is behalve fervent lassowerper ook voorganger in de kerk die de Gibbs zelf hebben laten bouwen. Chloe, Lamars jongste dochter, is er gedoopt, Ann hoopt dat misschien kleinkinderen er zullen trouwen. Jim gaat er soms in z'n eentje heen om na te denken of te praten met de Heer. Hij dankt de Heer voor de regen, vraagt om nog ietsje meer, want het is nog nooit zo droog geweest, en hij zal ook bidden voor de gezondheid en geluk van zijn vrienden.


Zijn vrienden, die hij meerdere keren per dag met een ferme handdruk bedankt voor hun aanwezigheid, worden lid van de 'tribe' - enigszins gekscherend, maar ze krijgen namen waar ze nooit meer van afkomen. Net als dochterlief, die veel praat en Running Mouth is gaan heten, en Ann zelf die als Squaw One Bird door het leven moet, omdat ze bij de jacht op kwartels doorgaans maar één vogel weet te raken.


Ann houdt niet van de jacht: 'Als je een beest eenmaal een naam hebt gegeven, is het gewoon erg moeilijk.' Ze zijn niet zoals schoonzoon John Scott, die een eigen ranch heeft, herten kweekt met grote, onnatuurlijke geweien, en ze namen geeft als Gladiator en Sledgehammer en er honderdduizenden dollars voor krijgt. Heel af en toe schieten ze een groot hert dat een mooi leven heeft gehad en zal worden herinnerd aan de muur in de huiskamer.


Het wild op de ranch is vooral decor, en dat decor is nog maakbaar ook. Aan het eind van de dag strooien Jim en Ann graag wat maïs en krachtvoer rond het meer dat ze zelf hebben laten aanleggen. Een pomp heeft in twee maanden tijd 45 miljoen liter water naar de oppervlakte gehaald, daarna is er brasem uitgezet: hier kunnen Jim en Lamar vissen, en de kids zwemmen. Meestal is het uitzicht zelf al goed genoeg, vanaf het aangelegde tuintje of vanaf het safaribankje boven op de Ford: Jim en Ann kijken met een van hun verrekijkers naar de tientallen etende witstaartherten aan de overkant, die een zelfgecreëerde zonsondergang vervolmaken.


The Land Of The Free is hier tastbaar - en zo hoort dat in Texas. Vindt Jim. De Jim die cowboy is als hij in zijn laarzen van olifantenleer met de letters J, R en G stapt, die hem moeten beschermen tegen de levensgevaarlijke Texaanse ratelslang, als hij op zijn witte paard PeeWee over zijn land galoppeert, als hij op het uitkijkplatform Alta Mesa staat (Hoge Tafel) en wijst naar de uiteinden van zijn land.


Maar als de zon eenmaal onder is, is ook voor Jim de wereld klein en de sterrenhemel groot.


Hij rijdt samen met Ann weg van het huis om de steelpan, de Poolster en de planeten beter te zien.


'Kijk, daar heb je Mars', zegt hij naast de auto.


'Ja', zegt Ann. 'Prachtig.'


Stilte.


Jim: 'Dan weet je toch zeker dat er een Schepper moet zijn.'


Ann: 'Ssssst. Zachtjes.'


Stilte.


Jim: 'Het oneindige, daar geloof ik niet in. Of het grote niets: daar kan ik weinig mee.'


Stilte.


No bull shit.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden