‘Ik raak nooit uitgeleerd’

Topvioliste Janine Jansen is even in Nederland. Ze presenteerde vorige week haar vierde cd en debuteerde onlangs bij het prestigieuze New York Philharmonic Orchestra....

Janine Jansen (28) presenteerde afgelopen vrijdag in de grote kerk in Naarden haar vierde cd: Bach, Inventions & Partita, een bewerking van stukken die Bach rond 1730 schreef voor piano en viool. De jonge Nederlandse violiste heeft sinds haar debuut in de Royal Festival Hall in Londen in 2002 een grote internationale reputatie opgebouwd. Ze kreeg uitnodigingen van onder meer het Berliner Philharmoniker, de London Symphony Orchestra, de Sydney Symphony en speelde met grote dirigenten als Ashkenazy, Gergiev en Noseda. Twee weken geleden maakte ze haar debuut bij het prestigieuze New York Philharmonic Orchestra.

Bij het grote publiek kreeg ze bekendheid door haar bewerking van Vivaldi’s Vier Jaargetijden. De cd werd goud, en was een hit op iTunes.

Maar Jansen oogstte ook kritiek. Weliswaar niet vanwege haar muziek, al vinden sommige dirigenten dat ze iets te veel meezwiept met haar viool, maar vooral vanwege de diep gedecolleteerde foto’s op het cd-hoesje. Ze schuwt samenwerking met populaire artiesten niet: zo speelde ze met Karin Bloemen en Trijntje Oosterhuis.

En nu is ze, tussen concerten in Duitsland, Japan en de Verenigde Staten door, even in Nederland. Twee hele weken: voor haar doen een lange tijd. Heerlijk vindt ze het, weer even thuis zijn. ‘Ik heb hier mijn eigen vertrouwde woninkje, dat voelt wel lekker.’

Waarom heb je ervoor gekozen om dit keer Bach op te nemen?

‘Bach is natuurlijk een geniale componist. En Bach is bij mij thuis vroeger ook een grote invloed geweest. Mijn vader is organist bij de Domkerk in Utrecht, dus ik heb altijd veel orgel- en koorwerken van Bach gehoord. Als klein meisje ging ik altijd mee naar de kerk als hij zaterdagmiddagconcerten speelde. Ik ken de muziek goed, het heeft iets vertrouwds.

‘Verder ben ik dol op kamermuziek. Dus toen ontstond al vrij snel het idee om deze Bachstukken. die deels zijn geschreven voor klavichord, een soort piano, te bewerken voor strijkinstrumenten. We spelen het op de cd met zijn drieën, Maxim Rysanov op de altviool, Thorleif Thedéen op cello en ik op viool.’

Er zit een beroemde vioolsolo in van ruim dertien minuten. Hoe was het om die op te nemen?

‘Geweldig. Deze solo is een monument. Alle beroemde violisten hebben hem gespeeld, dat legt er natuurlijk ook druk op. Het is zo’n compleet en virtuoos werk. Niet omdat er snelle loopjes inzitten of iets dergelijks, maar het is heel intens en veeleisend. Het heeft een enorme spanningsboog, die je moet vasthouden.

‘Dat vond ik echt moeilijk. Op een gegeven moment is het gevaar dat je te veel met de structuur bezig bent en op kleine dingetjes gaat letten. Ik dacht de hele tijd: is alles wel zuiver, klinken alle akkoorden wel goed? Dan verlies je de totale spanningsboog uit het oog.’

Hoe heb je die spanning toen weer teruggekregen in het stuk?

‘Er was natuurlijk een producer en gelukkig was Maxim (Rysanov, red.) er ook. Door het opnemen zijn we goede vrienden geworden en ik heb veel aan zijn suggesties gehad.

‘In een studio opnemen is heel anders dan spelen in een concertzaal, een microfoon pikt alles op. Je moet veel delicater spelen, zeker omdat er soms drie- of vierstemmige akkoorden in zitten, het gevaar is dan dat het agressief gaat klinken.

‘Ik was op een gegeven moment zó kritisch dat ik steeds stukjes wilde overdoen. Maar toen ik het terugluisterde dacht ik: nee, dit is toch niet de juiste manier. De spanning en de richting mist. Toen heb ik de solo gewoon een stuk of zes keer achter elkaar gespeeld, van begin tot einde, toen zat het goede gevoel erin.’

Je hebt een voorliefde voor kamermuziek. Vivaldi’s vier jaargetijden heb je ook in een klein ensemble opgenomen. En in december organiseer je voor de vijfde keer je eigen kamermuziekfestival in Utrecht. Waar komt die voorliefde vandaan?

‘Het is een heel intieme, directe manier van communiceren. Niet alleen met je medemusici, maar ook met het publiek. Een klein ensemble creëert toch een bepaalde intimiteit waar het publiek ook weer op reageert. Alhoewel we dit jaar in Utrecht in een grote zaal spelen, haha, dat je denkt: waar is de kamer dan?

‘Maar ik kan er gewoon intens van genieten om met de mensen met wie ik echt een muzikale connectie heb vijf dagen lang samen te spelen en heel veel lol te hebben.’

Twee weken geleden maakte je je debuut bij het New York Philharmonic Orchestra, een van de beroemdste orkesten ter wereld. Hoe bouw je dan een samenwerking op?

‘Dat is best lastig. Ik heb natuurlijk veel gehoord over het New York Philharmonic en ook veel concerten beluisterd. Hun chef-dirigent Lorin Maazel is een van de grootste musici ter wereld en is zelf ook violist. Hij is al achterin de 70 en ik voelde me de eerste keer wel geïntimideerd. Ik ben natuurlijk wel een paar jaar bezig, maar in de VS ben ik niet bekend. Ik voelde een afwachtende houding bij hem en het orkest, zo van: laat maar eens zien of je het verdient om met ons te spelen. Voor de eerste repetitie was ik gespannen, vooral hoe het contact met Maazel zou zijn.’

En, ging het goed?

‘Ja, ik heb mezelf gewoon gegeven en ben heel open muziek gaan maken. Toen brak op een gegeven moment het ijs. De samenwerking met Maazel was zo leuk, we hadden echt contact.’

Jansen begon op haar zesde met viool en komt uit een zeer muzikaal gezin. Haar moeder zingt regelmatig in dezelfde kerk waar haar vader organist is, de Domkerk in Utrecht. Haar twee broers spelen klavecimbel en cello.

‘Ik wilde eigenlijk ook cello spelen’, vertelt Jansen. ‘Misschien speelde ook wel mee dat ik er als klein meisje een paar keer achter was gekropen en dat dat niet mocht: dat maakte het heel interessant.

‘Maar mijn ouders stelden viool voor en toen zijn we naar een voorspeelmiddag geweest met allemaal van die vioolkindjes. Dat vond ik geweldig. Over die cello heb ik daarna niet meer nagedacht.

‘Wat ik altijd erg leuk vond, was dat ik met mijn vader musiceerde. Hij zat achter de piano en speelde harmonietjes om mijn oefeningen heen. Zo kreeg ik meteen het idee dat ik zelf muziek maakte.’

Moest je vaak oefenen?

‘Nee hoor, zo voelde ik dat niet. Eerst een half uurtje per dag, toen een uurtje, en later, toen ik 11 jaar was, twee uur gemiddeld.

‘Maar ik vond het leuk om te doen. Tuurlijk baalde ik weleens, dat heeft iedereen. Maar ik wilde gewoon steeds beter worden. Dan zag ik oudere leerlingen die een bepaald stuk konden spelen en dacht ik: dat wil ik ook kunnen.’

Heb je ooit bewust gedacht: hier wil ik serieus mee verder?

‘Nou, nee, ik heb gewoon nooit iets anders willen doen. Maar wat misschien wel een belangrijk moment was, was dat ik op mijn tiende jaar heb meegedaan aan twee vioolconcoursen, waar ik allebei de keren de eerste prijs heb gewonnen. Dat vond ik heel leuk.’

Interesseerde je je wel voor de vakken op de middelbare school?

‘De eerste twee, drie jaar was ik volledig met school bezig, zoals iedereen. Ik hield vooral van talen, in wiskunde was ik wat slechter, haha.

‘Maar na 4 vwo ben ik naar het conservatorium overgestapt. Het was gewoon duidelijk dat ik met viool verder wilde.’

Slokte dat al je tijd op, of ging je ook wel eens uit?

‘Ja hoor, wat dat betreft heb ik een hele normale jeugd gehad, vind ik zelf. Op mijn zestiende ging ik naar het conservatorium, en dan gingen we met onze groep vaak naar concerten en optredens. Wat ik wel moeilijk vond, is dat ik nog thuis woonde en dat ik dan op een bepaalde tijd thuis moest zijn. Ik wilde dan met mijn vrienden mee, maar dat mocht niet. Achteraf begrijp ik dat natuurlijk wel van mijn ouders.’

In 1998 studeerde Jansen met de hoogste onderscheiding af op het conservatorium in Utrecht, waar ze les had van violist Philip Hirschorn. In 2002 maakte Jansen haar debuut in de Royal Festival Hall in Londen. Een cruciaal moment voor haar carrière. Daar speelde ze samen met Vladimir Ashkenazi, die al jarenlang opnam voor platenmaatschappij Decca. Een paar maanden later nam Jansen haar eerste cd op voor Decca. In korte tijd werd hij goud, er werden ruim 15 duizend exemplaren van verkocht.

Op die cd stonden bekende klassieke stukken, onder meer het Zwanenmeer van Tsjaikovsky. Daarna heb je de Vier Jaargetijden opgenomen van Vivaldi. Was dat ook de gedachte erachter: we beginnen met werken die bekend zijn?

‘Ja, je moet een soort van weg plannen. Mijn eerste cd met kortere werken zou een mooie introductie van mij zijn. Het grappige was dat het idee van de Vier Jaargetijden juist van mij kwam, wat natuurlijk ook geen hond gelooft.

‘Waarom ik dat wilde? Omdat ik toen rond die tijd met de Vier Jaargetijden een tournee had gemaakt met een klein ensemble van vijf strijkers en een clavecimbel. Toen heb ik voorgesteld om de cd op deze manier op te nemen. Ik realiseerde me wel dat mensen misschien dachten: o, gaat ze op die toer... Maar ik heb het toch gewoon gedaan. Ik doe nu eenmaal waar ik in geloof. Dat is net als met Bach nu. Iedereen heeft zo’n sterke mening hoe dat gespeeld moet worden. Uiteindelijk heb ik het gedaan zoals ik het wilde.’

Je hebt kritiek gekregen op de foto’s van je eerste cd’s, die te bloot zouden zijn. Violiste Isabelle van Keulen sprak van een hoog ‘vioolbimbogehalte’. De foto’s op je huidige cd zijn een stuk natuurlijker. Wilde je dat zelf?

‘Ja, deze foto’s passen beter bij me. Overigens heb ik geen spijt van die vorige foto’s, hooguit van eentje misschien. Ik vond die sessie erg leuk om te doen. Maar als ik alle vier de cd’s bekijk, wordt het wel steeds natuurlijker. Op mijn vorige cd’s had ik een witte blouse en een zwarte rok aan, daar kon ik mezelf al meer in herkennen.’

En nu los haar en een wit T-shirt.

‘Ja, dat is denk ik nog meer hoe ik ben.’

Je kunt nu meer je eigen uitstraling bepalen?

‘Misschien wel ja. In het begin deed ik gewoon oorbellen in voor de foto als die me gegeven werden. Maar met oorbellen van 20 centimeter kun je helemaal niet eens vioolspelen.

‘Al dat soort dingen weet ik nu duidelijker. Ik voel me meer mezelf.’

Geldt dat ook voor je repertoire, dat je nu meer zelf kunt bepalen?

‘Ik denk wel dat het makkelijker wordt, nu ik wat bekender word. Vivaldi, Mendelssohn, Bruch is heel bekend repertoire en Bach ook. Een grote droom van mij is om een vioolconcert van Benjamin Britten op te nemen.’

Die positie heb je nu nog niet?

‘Nou, als ik nu tegen een concertpromotor zeg dat ik Schönberg, Kurtág en Boulez wil spelen, kan ik me voorstellen dat hij dat te avontuurlijk vindt.

‘Je moet oppassen dat je geen dingen doet voordat je publiek er klaar voor is. Je moet ze wel bereiken, anders heeft het ook geen zin.’

Hoe bereid je je voor op een concert? Heb je een ritueel?

‘Mijn ritueel is om van tevoren het stuk langzaam door te spelen, en dan wil ik eindigen waar ik mee begin. Dat werkt als een soort bijgeloof, want als ik dat niet heb gedaan en ik voel me tijdens het spelen even onzeker, denk ik: zie je wel, dat komt omdat ik het niet langzaam heb doorgespeeld. De volgende dag doe ik het dan wel.’

Doe je nog speciale dingen om jezelf in conditie te houden?

‘Viool spelen is niet de meest natuurlijke houding natuurlijk. Ik sport niet, maar doe wel oefeningen om mijn schouders en rug los te houden. Ook omdat ik veel aan het reizen ben en moet sjouwen met die koffer.’

Je speelt op een Stradivarius ‘Barrere’, gemaakt in 1727 door Antonio Stradivari. Wat voor band heb je met je viool?

‘Een zeer, zeer hechte band, ik kan niet op een andere viool spelen, hij is een deel van mij geworden. Ik heb een relatie met mijn viool. We hebben elkaar in zeven jaar aardig leren kennen, haha.’

Uit het Muziekgebouw aan ‘t IJ zijn laatst muziekinstrumenten gestolen. De nachtmerrie van iedere musicus. Hoe bewaak jij je viool?

‘Ja, wat een verschrikkelijk bericht. Ik wíl me niet voorstellen hoe zoiets voelt. Ik pas gewoon heel goed op mijn viool. Maar ja, ik kan er niet de hele tijd bij stilstaan, ik moet hem ook gewoon gebruiken. Dus ik stap wel met mijn viool over mijn schouder in een taxi.’

Je gaat nu op tournee, onder meer naar New York, Japan en Milaan. Je leeft uit een koffer, ben je daar inmiddels aan gewend?

‘Ja, ik vind het leuk, het is een heel spannend leven. Ik hou ervan om op zoveel plekken te komen en ook nog te doen wat ik wil doen, namelijk muziek maken. Het is heel inspirerend om steeds met nieuwe orkesten te werken. Toen ik twee weken geleden voor het Philharmonic Orchestra in New York was waren twee goede vrienden van mij ook op tournee in New York. Ze zijn naar mijn concert komen kijken. Dat vond ik geweldig, dat ik zoiets belangrijks kon delen met mijn vrienden. Kon het altijd maar zo zijn, dacht ik.

‘Maar de realiteit is natuurlijk ook dat je alleen op je hotelkamer zit, zeker als je met een nieuw orkest werkt. Af en toe is er dan wel eens een diner met de dirigent of de directie, en je maakt wel vrienden, maar dat is toch anders.’

Woon je nog in Wenen?

‘Nee, ik ben weer helemaal terug in Soest, haha. Mijn relatie is voorbij (met de Litouwse ster-violist Julian Rachlin die in Wenen woonde, red.). Ik wil er niet al te veel over kwijt. In ieder geval zijn we hele goede vrienden en hebben we nog dagelijks contact. Wat dat betreft is er niet zoveel veranderd eigenlijk. We spelen veel samen, hij komt ook naar het kamermuziekfestival in Utrecht. Maar het mocht gewoon niet zo zijn. Het is wel moeilijk om er afstand van te doen, zeker omdat het niet is omdat we niet meer van elkaar houden.

‘We zagen geen toekomst samen, we zagen elkaar sowieso heel weinig. Met zo’n reizend bestaan is een relatie natuurlijk moeilijk vol te houden.’

Denk je daar weleens over na, hoe moet dat met zo’n reizend beroep?

‘Ja, natuurlijk. Op een gegeven moment wil ik ook graag kinderen. Ik heb het er weleens met vriendinnen over die wel kids en een duidelijke thuisbasis hebben, hoe ze dat doen. Maar ik denk dat als je relatie goed is, je daar samen wel uitkomt.’

Je bent voortdurend op tournee. Neem je ook weleens vakantie?

‘Ja, in de zomer neem ik meestal twee tot drie weken vrij. Maar het grappige is dat ik de eerste week meestal ziek ben, omdat je dan toegeeft aan je moeheid. En net als je een beetje beter bent, begint alles weer.’

Aan wie spiegel jij je in de muziek?

‘Er zijn natuurlijk een heleboel mensen waar ik veel waardering voor heb en wiens muziek veel voor me betekent, god, moet ik heel veel mensen gaan noemen nu? Julian is natuurlijk belangrijk en ook Philip Hirschorn, mijn oud-docent, was heel belangrijk voor mij. Helaas heb ik hem nooit zelf horen spelen, want ik heb hem pas in de laatste twee jaar van zijn leven leren kennen. Ik heb wel opnames van hem gehoord, dat is zo intens, gewoon elektrisch.’

Je speelt op zeer hoog niveau. Hoe wil jij je spel nog verder ontwikkelen?

‘Ik wil zoveel leren, dat houdt nooit op.

‘Technisch zijn er altijd dingen te verbeteren en ook gewoon bij te houden. Maar afgezien daarvan is er natuurlijk zoveel nieuw repertoire in te studeren. En repertoire dat ik heel veel speel groeit ook, dat houdt ook niet op.

‘Ik denk niet dat ik er ooit ben.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden