Ik ontkom er niet aan Nescio uit de kast te pakken

 

Beeld ANP

'En het gebeurde in die dagen dat ik afscheid nam van de stad en dat ik opging tot het dorp. Niemand van mijn vrienden wist precies wat er met me aan de hand was en ikzelf had het warm en koud als ik bedacht dat het einde van de eeuw stilaan naderde. Misschien stak men binnenkort de steden in brand en dan was het maar beter om met pak en zak af te reizen naar het platteland, terug naar de moeder aller moeders: de aarde.'

Met deze regels begint het verhaal Een bijzonder kind (Dedalus, 1992) van de Gentse zanger en schrijver van prachtige liederen, ik noem nu alleen maar De fanfare van honger en dorst, Lieven Tavernier.

'Die laatste avond kwam de zomer in grote zwaarmoedigheid golven over de stad. In de torens van het lelijke postgebouw trokken de wijzers van het uurwerk dichterbij. Zo is het, zo was het en zo zou het altijd blijven. Mensen kuierden langs het terras en losten zich dan op in de grijsdonkere straten.'

Verder lezend glijd ik soms in passages, die me in de verte aan de geladen eenvoud van Nescio doen denken. En inderdaad: 'In de donkere weken komt er dan opeens een mooie dag die goed begint met een harde wind die alle vuiligheid uit de lucht wegveegt en daarbovenop een zonnetje tevoorschijn brengt dat onwaarschijnlijke kleuren giet op de boompjes. Een genadige dag die je aan de oude Nescio moet overlaten, omdat hij toch niet te beschrijven valt.' Een bijzonder kind is een mooi, sterk verhaal dat eindigt met de woorden: 'Ergens ver weg ligt de wereld, maar ik ben vergeten waar.'

Nu ontkom ik er niet aan Nescio uit de kast te pakken, een schrijver die door elke nieuwe generatie met schrijversambities gelezen zou moeten worden. 'En onze gedachten gingen woordeloos uit over de wereld, ver over den gezichtseinder gingen zij. En zoo vloeiden de wereld en wij beurtelings in elkaar over. Bekker zei datti z'n hart voelde uitzetten en toen ik m'n oogen dicht deed, was 't of m'n hoofd vol goud licht en blauw water was en wonderlijke rillingen gingen door m'n ruggemerg. Ik voelde daar de wereld die om mij lag. (...) Om vier uur stond de zon heel laag, groot en rood en zonk koud en glansloos achter een loods in den haven van Amsterdam. Eenzaamheid kroop op uit 't grasland buiten de dijk; tegen 't Oosten, aan 't eind ervan lag een poel met bruin riet aan de kanten, de verlatenheid zelf.' Uit Boven het dal (Van Oorschot, 1961).

Helaas kan ik niet blijven citeren. Ik klap het boek dicht en kijk naar buiten waar de wereld is. De zon schijnt en haar licht likt aan de blaadjes van de acacia's in de straat. Een trein rijdt de stad uit het groene landschap in. Stopt in Schiphol, waar zilveren vogels dalen en stijgen. Het glas van de kassen blikkert. De zee viert feest met schuim en licht, begeleid door het ploffen van de golven op het strand, alles is vloed en gloed. De regen die voorspeld is blijft nog uit. Straks zal hij uit donkere wolken neerstromen, opgevangen door het loodgrijze zink van de daken en naar de aarde gevoerd door verwachtingsvolle regenpijpen. Ik zal de gordijnen sluiten en degene die ik liefheb kussen, de wereld om ons heen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden