'Ik kijk, ik wik, ik staar'

Hij heeft net een nieuwe bundel uit, Menno Wigman, een van de meest geroemde dichters van nu. 'Het bezweren van angst is mijn drijfveer.'

INTERVIEW DICHTER MENNO WIGMAN - Toen ik je een half jaar geleden sprak, zei je dat deze bundel de beste werd die je ooit had gemaakt.

'Zei ik dat? Een half jaar geleden was ik vooral bang dat ik alles niet op tijd af zou hebben.'


Maar het is af en het is goed.

'Ja, het is af, en ik denk ook wel dat het goed is.'


Dat denk je?

'Nou, het gebeurt zelden dat ik een voltooide bundel van kaft tot kaft terug kan lezen, zonder scheut van schaamte. Eigenlijk is me dat maar één keer gebeurd. Alle andere keren neemt mijn belangstelling voor mijn eigen werk af met elke drukproef die ik onder ogen krijg. Ik lees en denk: is dat niet te zwaar, te overdreven, te vet. Toen ik vandaag de gedrukte bundel bezorgd kreeg, liet de euforie het afweten. Jammer. Eigenlijk voel ik een totale leegte. Alles waar ik de afgelopen jaren aan werkte, zit in deze ene bundel. Ik heb helemaal niks meer. Ik zal weer van vooraf aan moeten beginnen.'


Toch is er alle reden tot vrolijkheid, je krijgt veel aandacht in de pers, wordt de beste dichter van Nederland genoemd...

'Ik was erg blij met die recensies, natuurlijk, daar doe ik het voor. Ik ben blij dat ik nog altijd uitgegeven word. Begin deze eeuw trokken veel uitgeverijen jonge redacteuren aan die onwaarschijnlijk veel dichters hebben laten debuteren. Maar met hetzelfde gemak lieten ze die jonge dichters weer vallen.


'Het lijkt een beetje op de muziekindustrie van vroeger. Als het aanslaat, staat iedereen te juichen, als het niets uithaalt zijn we elkaar weer vergeten.


'Nu zie je dat veel uitgeverijen de crisis aangrijpen om dichters de deur te wijzen. Wat een loyaliteit.'


Is schaamte een van je drijfveren?


'Nee, het bezweren van angst is mijn drijfveer. Neem bijvoorbeeld het gedicht dat ik over mijn moeder schreef. Ze lijdt aan vasculaire dementie, een vorm waarbij de hersenen langzaam afsterven als gevolg van de stagnatie van bloedtoevoer. Ze woont in een verpleegtehuis, ik zoek haar eens in de twee weken op, met lood in mijn schoenen. Ik wist al heel lang dat ik een gedicht over haar wilde schrijven.


'Eén gedicht, niet meer. Natuurlijk, als ik een volledig beeld zou willen scheppen van de omstandigheden waaronder mijn moeder op haar dood afstevent, zou ik aan twintig A4'tjes nog niet genoeg hebben.


'Maar ik kies niet voor proza. Ik kies voor een gedicht en een gedicht moet in de palm van je hand passen. En je kunt natuurlijk over zo'n onderwerp ook hele dichtbundels volschrijven, maar daar zijn gedichten niet voor. De dichtkunst is een heel oude kunstvorm. Een van de alleroudste. Het is een manier om angsten bij de staart te vatten. In een paar strofen. Ik demp mijn angst voor de ontluistering van mijn moeder met een handvol zeer precies gekozen woorden.'


Je landt op een onderwerp en maakt je vervolgens uit de voeten, op weg naar een volgend onderwerp?

'Ik scheer er niet langs, ik dring erin door. Een gedicht zou je kunnen zien als een bezweringsformule. Een goed gedicht is een klinkend geheel, een samenklank. Het is een brandkluis die maar met één cijfercode te openen is. De woorden waaruit het is opgebouwd staan op de enig juiste plek. Een gedicht is een korte tekst die bedoeld is om hardop uit te spreken. Niet zelden merk ik pas tijdens voorleesavonden dat er een woord te veel of verkeerd staat. Niet aan de reactie van het publiek, maar aan een korte zweem van schaamte. Ik schreef ergens 'vereert, beleert en collecteert'. Daar heb ik later het woord 'beleert' tussenuit gehaald. Het was te veel.'


Hoe begin je een gedicht? Zingt er een ritme door je hoofd of begin je met een woord? Welke gemoedstoestand werkt het best, en moet het licht of donker zijn? En als je dan een goed woord hebt gevonden, lokt dat dan automatisch een volgend uit en weer een? Werk je in een roes en intuïtief en associërend of juist heel ambachtelijk?

'Je vraagt wel veel! Van Kamer 421 had ik al heel snel de eerste twee regels: Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,/ nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist.


Hadden het ook andere regels kunnen zijn?

'Nee.'


Toeval speelt geen rol?

'Geen van de woorden die ik kies, kun je vervangen door betere, klinkender, adequatere woorden. Ik ben gedichten gaan schrijven op mijn 16de, omdat ik iets rauws miste in de bestaande poëzie. Ik zoek naar zinnen die iets ontvonken in je. Toen ik mijn moeder de eerste keer opzocht in dat verpleegtehuis, schrok ik me wezenloos van die kleine afmetingen van haar kamer. Maar als je gaat schrijven dat het is of ze levend begraven is, klinkt het al snel plat en cliché. Er is al zoveel over dementie beweerd.'


Dan gaat je gedicht even later verder: 'Ik ben al meer dan veertig jaar haar zoon/ en zoek haar op en weet niet wie ik groet./ Ze heeft me voorgelezen, ingestopt./ Ze wankelt, hapert, stokt. Ze gaat kapot.' Deze regels zijn eerder teder dan rauw. Er klinkt hulpeloosheid in door.

'Dat kan, maar ze zijn ook provocatief en vreemd. Mijn moeder gaat kapot. Dat is hard. Ik doe dat in de hoop dat de lezer er met zijn ogen aan blijft haken.'


Weet je nog wanneer je die eerste regels van Kamer 421 schreef?

'Je bedoelt welk jaar, welke dag? Dat kan ik wel opzoeken... Wil je dat graag?'


Ja. Bewaar je dat in je computer?

'Een beetje kinderachtig, hè. Eens even zien... De eerste regels van Kamer 421 zijn geschreven op 15 oktober 2009. En het was af op 9 januari 2010.'


Doe je drie maanden over een gedicht?

'Soms nog veel langer. Een gedicht begint óf met woorden óf met een beeld. Als ik onder de douche sta, of in mijn halfslaap, of tijdens een wandeling hier in de buurt komen de zinsneden naar boven. Beweging helpt. De woorden vormen een cadans in mijn hoofd en als ik ga wandelen, repeteer ik die regels op het ritme van mijn passen en hoop dat er zich zo gemakkelijker nieuwe woorden aandienen.


Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok, nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist en steeds dezelfde dag uitzit. Heel anders dan de meesten van mijn collega's die zich veel vrijheid permitteren, schrijf ik in jamben. Iedere dichtregel heeft bij mij tien lettergrepen en steeds ligt de klemtoon op de tweede, vierde, zesde, enz, lettergreep.


'Luister maar naar deze zinnen, uit het gedicht Tot Mijn Pik, daar geldt hetzelfde voor: Het wordt wat koud, de dagen zijn van glas, / gewapend glas en Seroxat. Zocht ik / een woord voor alles waar geen woord voor is, / ik geef het op. Je bent een zak, een zak / ben je dat je nu ook weer dicht. En jij, / mijn pik, wat hebben we vandaag verricht?'


En zijn die twee gedichten in dezelfde periode ontstaan? Ze lijken anders van toon.

'Maar ik kan zonder probleem een avond aan het ene gedicht en de volgende aan het andere werken. Wat de twee bindt, is natuurlijk die diep gewortelde behoefte aan het bezweren van mijn angsten, want ja, tot het moment dat ik 's avonds tegen achten alle moed heb verzameld om te zien wat ik de dag ervoor geschreven heb, ben ik geen dichter, maar een man die op zijn 45ste nog steeds leeft als een student. Geen rijbewijs, geen hypotheek, geen vrouw, geen kinderen.


'Ik word pas dichter in de nacht als ik vergeten ben voor de wereld en voor mezelf ook niet meer besta. Ik sluit me op, laat mijn baard staan, spreek met niemand behalve soms door de telefoon, ben, ja, in alle opzichten een getormenteerde kunstenaar, al kun je me met mijn verleden als drummer, net zo goed zien als een uitgebluste rock 'n' roller. De vrouw die ik twee jaar lang intens liefhad, heeft mij afgelopen augustus verlaten. 'Neem nooit een dichter, mijn dochter', schreef Annie Schmidt. Zij had een baan, ik werkte 's nachts. Ik was 45, zij veel jonger. Zij wilde samenwonen, ik liever niet. En toen ik me bedacht, was het te laat.


'Dat is nogal een offer voor de dichtkunst. Ze schreef: je kunt misschien echt alleen in je gedichten wonen, en dat is goed, maar het past niet bij mij. Die liefde voor haar komt ook terug in deze bundel. Maar een emotionele eruptie zijn mijn gedichten nooit. Ze vloeien nooit hartstochtelijk uit mijn pen. Dus, om antwoord te geven op een eerdere vraag: ik werk niet associatief. Voor ik begin met een gedicht raadpleeg ik vaak eerst een van mijn mooie-woordenlijstjes.'


Mooie-woordenlijstjes?

'Lijsten met intrigerende woorden die ik in kranten en op tv zie.'


Je bedoelt reclameopschriften en advertenties.

'Ja.'


Echt? Dat meen je niet.

'Ik hang wat voor de televisie en zie een aftiteling, er valt me een bepaald woord op, dat schrijf ik dan op. In een advertentie zag ik ooit het woord 'droomhandel', als dat geen fraai woord is. En wat te denken van 'ma-la-fide'? De klank ervan? Ik heb ook een heel bestand met openingszinnen. 'Ik kwam hier om een nieuw gezicht te kopen' stond al jaren op een lijst, geen idee wat ik ermee moest, tot ik die uiteindelijk gebruikte voor een gedicht over een meisje dat een inzinking krijgt in een pashok van de H&M.'


Welke woorden staan nog meer op die lijst?

'Flessengroen, kraamkamer, clean-shaven, kruipruimte, zwanenzang, te veel om op te noemen.'


Een flessengroene kraamkamer met een prille clean-shaven vader.

"Soms voel je bijna dat je leeft', is een zin die al jaren op die lijst stond. Nu is het behalve een dichtregel ook de titel van een gedicht. In een kunstcatalogus stond laatst 'erotic mutes'. Maar ik las: erotic minutes en voegde die toe aan mijn lijst. Wie weet, als ik de grote leegte overwonnen heb, dicht ik iets met die erotische minuten erin. Al kunnen gedichten ook een andere oorsprong hebben hoor, een beeld bijvoorbeeld zoals ik zei, net als Kamer 421 waar mijn moeder nog dagelijks zit in haar luier.'


Ik dacht dat schrijven altijd een soort begeestering inhoudt. Je hoofd staat op barsten en baart een gedicht. Wat naïef.

'Je bent teleurgesteld? Toen Adriaan Roland Holst samen met een geliefde in Londen een tentoonstelling van de dichter Shelley bezocht, zagen ze in de rechteronderhoek van zijn manuscripten kleine lijstjes met rijmwoorden gekrabbeld. De vriendin van Roland Holst was volstrekt teleurgesteld, maar Roland Holst begreep het wel. Als ik zelf naar Berlijn ga om daar te werken, zitten in mijn tas altijd een rijmwoordenboek en Het Juiste Woord. Dichten is voor mij heel technisch.'


Het rijmwoordenboek!

'Je vergist je. Ik speel niet vals, ik ben als een stratenmaker die in een rechte lijn van begin tot eind werkt. Toen ik 18 was, had ik je onmiddellijk gelijk gegeven. Nu zeg ik: ik schuw geen enkel middel om de perfectie te benaderen. Het gaat om het eindresultaat. Wat vind je trouwens van het bijvoeglijk naamwoord: adjectiefloos? Geweldig, niet? Staat ook op mijn lijst.'


Je bent in goed gezelschap. Remco Campert gebruikt ook dagelijks het Juiste Woord.

'Komrij ook. En Kouwenaar. Voor elk woord zijn andere woorden. Maar uiteindelijk is er maar één het beste. En die keuze maakt de dichter. Ik geef toe, het is berekenend wat ik doe. Ik heb mijn moeder maar twee keer haar stoel zien bewateren en uitgerekend daarover gaat dit gedicht. Het is snijden in eigen vlees. Maar effectbejag hoort erbij. Er moet iets op het spel staan. Anders glijdt zo'n gedicht als babyolie langs je heen.'


Toch: ondanks alle hulpmiddelen komt de slotzin niet drie avonden na de beginregel, maar drie maanden.

'Ik heb, denk ik, veel last van faalangst. Ik kijk, ik wik, ik staar.'


En je wandelt, drinkt, eet, vrijt... Voor wie werk je? Door wie wil je gezien worden? Door een vrouw? De vrouw die je verlaten heeft?

'Misschien, ik zeg misschien, leef ik wel voor het winnen van de PC Hooftprijs. Dat moet toch wel het hoogste zijn. En als ik mijn woorden al dichtende weeg, is de enige aan wie ik mijn twijfel voorleg inderdaad de vrouw met wie ik op dat moment het bed deel.


'Maar het allermooiste moment voor een dichter is niet de bewondering van een geliefde, maar wanneer hij zijn woorden terugziet in een rouwadvertentie.'


Het is waar dat het tijd wordt dat PC Hooftprijswinnaars geciteerd worden in rouwadvertenties.

'Nee, ik meen het. Als mijn woorden in een rouwadvertentie gebruikt worden, heb ik iets geraakt in een gebroken mens. Dat is waar het mij om te doen is.'


Nog even terug naar Kamer 421. Toen de veertien regels na drie maanden die 9de januari 2010 eindelijk af waren, was het toen feest?'

'De slotzin zat al eerder in mijn hoofd, ik wist waar ik naar toe ging. Het enige wat ik wilde, was stem geven aan de intrigerende gedachte dat dieren, in tegenstelling tot mensen, hun verwekker niet kennen.


'Stel dat ik net als een vogel vlak na mijn geboorte het nest uitgevlogen was, dan had ik nu niet tot mijn sterfbed met al die herinneringen aan mijn aftakelende moeder gezeten. Toen die strofe was voltooid, en de laatste regel er stond en alles met alles samenviel, had ik midden in de nacht een moment van euforie. Als een doorgesnoven hooligan heb ik met mijn vuisten in de lucht staan zwaaien en misschien, ik herinner me het niet precies, heb ik zelfs een tijd staan dansen.


'Als een gedicht eindelijk af is, kan ik mezelf een hand geven en voel ik me onoverwinnelijk. Het is alsof je na een maand lang vrijen eindelijk klaar komt. Geen woord staat scheef. Enkele tientallen minuten, langer duurt de euforie niet. De rest van de dag ben ik geen dichter, maar weer die man zonder rijbewijs die zijn handen eens zou moeten laten wapperen om zichzelf eindelijk eens behoorlijk in zijn onderhoud te kunnen voorzien.'


MIJN NAAM IS LEGIOEN, UITGEVERIJ PROMETHUIS; UITGEVERIJPROMETHEUS.NL


Gedicht: Kamer 421

Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,


nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist


en steeds dezelfde dag uitzit. Uitzicht


op bomen heeft ze, in die bomen vogels


en geen daarvan die zijn verwekker kent.


Ik ben al meer dan veertig jaar haar zoon


en zoek haar op en weet niet wie ik groet.


Ze heeft me voorgelezen, ingestopt.


Ze wankelt, hapert, stokt. Ze gaat kapot.


Geen dier, zegt men, dat aan zijn moeder denkt.


Ik lepel bevend eten in haar mond


en weet haast zeker dat ze me nog kent.


Het zullen merels zijn. Ze zingen door.


De aarde roept. Krijgt vloek na vloek gehoor.


UIT: MIJN NAAM IS LEGIOEN, PROMETHEUS, 2012


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden