‘Ik keek de dood in de ogen; het was trekken, schieten’

‘Het was een warme zomerdag, 6 augustus 2003. De dag staat nog volledig op mijn netvlies. ’s Avonds rond kwart voor zeven komt een melding over een vechtpartij in een kroeg op het Mercatorplein....

‘De terrasjes op het plein zijn vol. Het is er gezellig, helemaal geen tumult. Bij nummer 24 is het rustig. Het is geen kroeg, maar een Surinaams eethuisje: Warung Swietie. Ik had er wel eens wat gehaald. Iemand roept: te laat, het is al voorbij.

‘Meteen na de ingang van de toko kun je links door een deur naar het eetgedeelte. Wij lopen rechtdoor naar de afhaalbalie. Het staat er vol wachtenden. De man achter de balie zegt dat zijn collega, die in het eetzaaltje is, ons zal helpen. We zien haar door het plexiglas.

‘Het eetzaaltje is heel smal. Bijna achterin zitten vier mannen aan een tafeltje te eten. Daarachter staat nog een rond tafeltje waar een jonge vrouw zit met een plastic tas en flesje spa blauw. Ik denk: slim, zij wacht hier tot haar afhaalbestelling klaar is.

‘De vrouw van de toko zegt dat er gevochten is en wijst naar de vier eters. De mannen, keurig uitziende jongens van verschillende nationaliteiten, bevestigen dat er onenigheid is geweest.

‘Ze vertellen dat de vrouw aan de ronde tafel was binnengekomen met een Marokkaan. Zij ging zitten en hij was op de gokkast naast hun tafel gaan spelen. Een van de jongens had de vrouw gevraagd of hij haar ergens van kende. De Marokkaan, Driss zoals hij later bleek te heten, wond zich daar ontzettend over op.

‘De jongen zei tegen Driss: relax, ik vraag alleen wat, er is niets aan hand. Maar Driss schreeuwde dat-ie zijn bek moest houden, moest oprotten en dat zijn moeder een hoer was. De jongens vroegen hem weg te gaan. Driss bleef schelden en kreeg een kopstoot. Daarop vertrok hij.

‘De vrouw aan het tafeltje bevestigt dat ze met Driss was. Ze zegt dat hij agressief is. Ik ben bang voor hem, zegt ze, hij wil wat met me, maar ik niet met hem. Ik kwam hem tegen en hij wilde perse iets met me eten. Ik durfde geen nee te zeggen.

‘Mijn collega praat verder met haar. Ik draai me om naar de tafel van de vier mannen. Wat moeten we hiermee, vraag ik mezelf af. Ik besluit om eerst de gegevens van de mannen op te schrijven en pak pen en opschrijfboekje uit mijn borstzak. Heeft die man nog letsel, vraag ik. Een sneetje onder het linkeroog, zegt een van de jongens.

‘Waarom weet ik niet, maar ik doe mijn opschrijfboekje en pen terug in mijn borstzak. Ook zonder aanleiding kijk ik naar buiten. Door het plexiglas zie ik een man de toko binnenkomen. Hij gaat door de deur van het eetzaaltje en ik zie een sneetje onder zijn oog. Ik denk: he, die gozer komt terug.

‘De man rent niet, maar komt in een stevige looppas op ons af. Hij heeft een mes in zijn hand. Ik sta als enige in het gangpad. Hij kijkt mij aan met ogen als van een dolle stier en heeft het – zo vat ik het op – op mij voorzien.

‘Ik weet ik dat ik hem heb geraakt. In films zie je bloed, maar ik zie niks. Heb ook niet het idee dat hij dood is. Ik roep: leg dat mes weg, en schop het uit zijn handen.

‘In het afhaalgedeelte vliegt iedereen naar buiten. Van het terras willen anderen naar binnen om verhaal te halen. Mijn collega roept door de portofoon: assistent collega, de oproep van een agent in nood.

‘Een dronken gozer wil met me op de vuist. Jullie kunnen dingen alleen maar schietend oplossen, schreeuwt hij. Mijn collega en ik werken hem naar buiten. Het lijkt uren te duren voor er hulp komt.

‘Driss ligt half onderuit gezakt tegen de gokkast. In zijn poloshirt zit links op borsthoogte een klein gaatje, van de 9 mm kogel. We proberen hem te reanimeren, maar het baat niet. Vanaf dat moment staat mijn leven op zijn kop.

‘Onderweg naar het bureau op het Surinameplein proefde ik de adrenaline in mijn mond. Het bureau was leeg, op één collega na die aan de telefoon zat. Er rinkelden wel dertig telefoons. Surrealistisch. We zijn naar de kantine gegaan. Ik had enorme dorst. Mijn collega zei: je kon niet anders. Verder hebben we niet gepraat. Ik wist nog niet dat Driss dood was.

‘We hoorden overal sirenes. Aan een collega vroeg ik of er verder nog iets is gebeurd. Nee, zei hij, het is allemaal Mercatorplein. Toen drong tot mij door: dit wordt ellende.

‘Ik belde mijn vrouw. Ik heb moeten schieten, zei ik, volgens mij heeft hij het niet overleefd. Er volgde een lange stilte. Ik kom naar je toe, zei ze.

‘Thuis zag ik op Teletekst een regel over een schietpartij. Dat ging over mij. In Hart van Nederland zag ik rellen op het Mercatorplein. Mensen waren kwaad. De dood van Driss was een liquidatie, een uiting van racisme. Hoe konden ze dat zeggen? Ik moest schieten voor mijn leven.

‘In bed lag ik te malen. Wat was me overkomen? Wat bezielde Driss? Hij had ook naar de politie kunnen gaan. Waarom moest hij terugkomen met een mes, en niet zo’n kleintje ook? Zeker 48 uur heb ik niet kunnen slapen.

‘Ik had erg te doen met de familie van Driss. Maar zijn ouders spreken slecht Nederlands en waren afhankelijk van hun advocaat Gerard Hamer. Die schiep een sfeer waarin toenadering tot de familie niet mogelijk was.

‘Hoe kan je als advocaat op de televisie zeggen dat ik het gevaar had kunnen ontwijken door op tafel te springen? Rechtstandig zeker? Ik was woedend. Zo’n volledige woede, niet te beschrijven.

‘Op basis van het onderzoek van de rijksrecherche seponeerde de hoofdofficier van justitie de zaak tegen mij. De familie van Driss ging daartegen in beroep bij het gerechtshof. Hamer presenteerde een rapport van 184 pagina’s met leugens en zaken die niets met de schietpartij te maken hadden. Ik werd steeds ‘De dodende Willems’ genoemd. Het maakte me letterlijk misselijk van woede.

‘Nee, ik heb nooit getwijfeld aan de juistheid van mijn handelen. Ik keek de dood in ogen en heb gedaan wat mij is geleerd. Met dat mes was hij mij zo dicht genaderd dat alleen het vuurwapen overbleef. Uit onderzoek bleek dat hij op maximaal anderhalve meter was, toen ik schoot. Voor richten op de knieën was geen tijd. Het was trekken, schieten.

‘Twee weken later ging ik weer aan het werk. Maar bijna drie jaar zat ik in de stress. Ik was overtuigd dat mij niets te verwijten viel. Maar je moet afwachten waar het eindigt. Ik kreeg een enorme dip toen het Gerechtshof zei dat er een reconstructie moest komen.

‘In een loods was het eethuis tot in de kleinste details nagebouwd. Het leek wel een filmset. Mijn rol werd gespeeld door een andere politieman. Pas de derde keer lukte het die jongen om op tijd te schieten. Dat gaf me rust. In januari 2006 oordeelde het hof dat mijn zaak terecht was geseponeerd.

‘Elke dag opnieuw denk ik aan het incident. Meestal zie ik dan Driss op me afkomen. De schietpartij heeft me veranderd. Als diender wil ik de handen zien van de persoon met wie ik praat. Geen handen achter de rug of in de broekzakken.

‘Mensen moeten me niet aanraken. Als ik het niet vertrouw, dan zitten ze in een oogwenk in de handboeien. Ik wil de situatie onder controle hebben. Ik wil ervoor zorgen dat ik zo’n schietincident nooit meer meemaak, hoewel ik weet dat dat niet kan.

‘Mijn naïviteit ben ik kwijt. Ik zie het leven als een slangenkuil, waarin je voorzichtig moet opereren. Ik ben onrustig geworden. Ik ben snel moe, snel kriegel en klagerig.

‘Met de schietpartij was ik persoonlijk snel klaar, maar de media hebben me gekwetst. Ik zit nu zestien jaar bij de politie en heb in die tijd veel bij afzettingen gestaan. En altijd eisen journalisten doorgang met verhalen van: we zijn de waakhonden van de democratie, en: wij moeten onderzoeken.

Maar ze onderzoeken helemaal niets. Daarvan heb ik een grote deuk opgelopen. Als ik het Journaal zie, moet ik me dwingen te geloven wat ze zeggen.

‘Ik raakte betrokken bij een vreselijk incident en de media schreven klakkeloos op wat omstanders zeiden, zonder een kritische vraag te stellen. De simpelste feiten werden niet geverifieerd.

‘Zo zouden wij jonge agenten zijn, onervaren broekies. Eén telefoontje naar het korps en ze hadden geweten dat ik al dertien jaar op straat was. Mijn collega en ik waren samen goed voor 25 dienstjaren. Er stond best wel wat in die toko.

‘Ongenuanceerde krantenkoppen bepaalden de sfeer. ‘Agent zit thuis en Driss is dood’, ‘Hij schoot op een Marokkaan, niet op een mens’. Wat was daarvan de bedoeling? Er werd een stichting tegen zinloos politiegeweld opgericht. Om wat ik gedaan heb? Volgens mij wilde Driss mij aan het mes rijgen.

‘Ik ben opgevoed met normen en waarden. Politieman wilde ik worden. Op mijn negentiende ging ik naar de opleiding. Daar zeiden ze na twee jaar: hier heb je een pistool, hier heb je de bevoegdheden voor het gebruik van geweld en daar is de grote stad Amsterdam, ga die veilig maken. Maar op het moment dat ik noodgedwongen gebruik maak van geweld, zet de maatschappij mij neer als een misdadiger. Dat voelt als bedrog.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden