‘Ik hou niet van Arabieren, maar wel van hun geld’

De Indonesische Rohmat heeft jaren in het Midden-Oosten gewerkt. Het was zwaar. ‘Als er een plukje haar te voorschijn kwam, trokken ze het uit....

Van onze correspondent Michel Maas

Twaalf jaar heeft Rohmat in het Midden-Oosten gewerkt. Het heeft haar niets opgeleverd, maar als zij de kans krijgt, gaat zij zo weer.

‘Meteen!’, lacht zij. ‘Ik reken: anderhalf miljoen rupiah in één maand, in twee maanden drie miljoen, in drie maanden* zoveel geld. En dit keer stuur ik niks naar huis, ik stop het allemaal hierin.’ Zij wijst op haar buik. Twaalf jaar heeft zij alles wat zij verdiende opgestuurd naar Indonesië om het door anderen te laten opeten.

Rohmat was al bijna dertig toen zij voor het eerst als werkster naar het Midden-Oosten ging. Zij was getrouwd en had drie kinderen. Zij woonde in Sukabumi, een streek waar veel van de zes miljoen arbeidskrachten vandaan komen die door koppelbazen naar landen als Singapore, Maleisië en Taiwan worden gestuurd – en naar het Midden-Oosten. Rohmat zag hoe de meisjes vanuit het buitenland geld opstuurden en hoe de huizen van hun familie er steeds beter uit gingen zien. Dat wilde zij ook.

Een meisje op het platteland van Sukabumi heeft weinig keus. Zij kan trouwen met een man die de kost verdient, en zij kan meehelpen op het land. Dat levert zevenduizend rupiah per dag op, zeventig cent voor een lange, zware werkdag waar je handen en rug kapot van gaan. In het buitenland kan zij soms wel 200 euro per maand verdienen.

Rohmats eerste buitenlandse baan was in Abu Dhabi. Haar werkgever betaalde haar een jaar, maar het tweede jaar kreeg zij geen cent. ‘Hij zei steeds: later – straks als je teruggaat krijg je alles ineens. Maar ik kreeg niks.’ Het kwam tot een handgemeen. Rohmat werd gearresteerd en naar huis gestuurd. Zonder geld. ‘Ik moest mijn mobieltje verkopen om van het vliegveld naar Sukabumi te komen. Van daaruit moest ik nog vijf uur lopen naar huis.’

Het geld dat zij het eerste jaar had opgestuurd bleek in rook te zijn opgegaan. Haar man had het gewoon opgemaakt. Al na een paar maanden vertrok Rohmat opnieuw naar Abu Dhabi. En opnieuw was er bij thuiskomst, twee jaar later, weinig over van haar geld. ‘Ik kwam thuis, maar het was mijn huis niet meer. Mijn man was verhuisd, naar iets beters, zei hij, maar het was eerder slechter.’ Haar derde reis bracht haar naar Saudi-Arabië en die thuiskomst was nog droeviger dan de vorige twee: ‘Ik kwam aan om drie uur ’s nachts. Ik ging mijn huis binnen en kwam een jonge vrouw tegen. Wie ben jij? vroeg ik. En zij vroeg: Wie ben jij? Mijn man had een nieuwe vrouw genomen. Zij hadden een kind van drie maanden. Ik had daar niets meer te zoeken. Ik draaide mij om en ging naar mijn moeder. Een week later zijn wij gescheiden. Wij waren achttien jaar getrouwd geweest.’

Sindsdien is zij nog drie keer naar Saudi-Arabië geweest. Het was een hel, zegt zij: ‘Voor die Arabieren ben ik geen mens. Zij laten mij werken tot ik erbij neerval. Eén keer hebben zij mij met een zak rijst van vijftig kilo drie trappen op gestuurd. Ik had geen adem meer en zakte boven in elkaar, maar heb het gehaald. Toen prezen ze mij.’

Haar laatste werkgever was een politieofficier. ‘Het huis had drie verdiepingen, die moest ik allemaal in mijn eentje schoonhouden. Er woonden achttien mensen. Ik begon om vijf uur ’s ochtends en ging door tot iedereen naar bed was – meestal tot twee, drie uur ’s nachts. Dan sliep ik maar één uur en stond ik weer op om snel naar de badkamer te gaan. Daar waste ik mij, poetste mijn tanden en ging naar de wc – de rest van de dag was daar geen tijd voor. Telkens was er wel iemand die mij riep.’

Ze had vaak honger ‘Zij aten allemaal uit één grote schaal, met hun handen. Wat overbleef was voor mij, maar vaak was er niets over. De koelkast deden zij op slot, zodat ik er niets uit kon halen. Soms was ik zelfs ziek van de honger.’

Zij is gewend een hoofddoek te dragen, maar in Saudi-Arabië was dat niet genoeg. ‘Ik moest mijn lichaam en gezicht helemaal bedekken. Ik viel voortdurend, omdat ik niets kon zien. Toen ik een keer met de vuilniszak was gevallen en al het vuilnis over de vloer lag, mocht ik mijn gezicht voortaan vrij laten. Maar als er een plukje haar te voorschijn kwam, trokken ze dat uit. Zelfs als er te veel van mijn kin uitstak, knepen ze me tot ik het uitschreeuwde.’

Toch wil zij terug. ‘Ik hou niet van Arabieren, maar ik hou van hun geld’, lacht zij. Zij spreekt vloeiend Arabisch en voelt zich ondanks alles in Ryad inmiddels beter thuis dan in Jakarta. Daar werkt zij nu als werkster en verdient 35 euro per maand – nog niet eenvijfde van wat zij in Ryad kan krijgen. ‘Ik wil zo weer terug’, zegt zij. ‘Ik ben nu 42, zij vinden mij te oud’, zegt zij. ‘Maar als ik een ticket kan krijgen, ben ik weer weg.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden