'Ik hoef niet zelf te scoren'

Amsterdam past goed bij zijn talenten, vindt Job Cohen (58). Anderen laten opbloeien, noemt hij zijn kracht. De burgemeester over de onrustige stad, zijn veiligheid en de dood van Johan Stekelenburg....

'Zie je die beuk?' zegt Job Cohen, voor het raam van de gastenkamer in zijn ambtswoning. 'Mooi, hè?' Cohen mag er graag naar kijken. Door dat uitzicht voelt hij zich in een lange traditie staan. 'Ik realiseer me dat mijn voorgangers hier naar diezelfde boom hebben staan kijken. Dat is een bijzonder besef.' Naast de gastenkamer is de balzaal. Hier, in de hoek naast de deur, verwoordde hij destijds bij zijn aantreden zijn fameuze en veelbekritiseerde adagium 'Ik wil de boel bij elkaar houden'.

Verderop is de eetzaal, met in het midden een bankettafel van zeker vijftien meter lang. 'Als er kinderen komen, zeg ik altijd dat ik aan de ene kop van de tafel zit en mijn vrouw aan de andere. En dan zíe je ze kijken' Hij dineert er slechts bij officiële gelegenheden (Cohen bewoont met zijn vrouw Lidie alleen de bovenste etage van de ambtswoning). Maar zo'n eetzaal is natuurlijk wel prachtig om te hebben. Neem het afscheid van Ajax-voorzitter Michael van Praag. Bij zo'n gelegenheid wordt er wel iets van de burgemeester van Amsterdam verwacht. 'Maar wat kun je zo iemand nou als afscheidscadeau geven? Die man heeft alles al. Dus toen heb ik hem een diner aangeboden in de ambtswoning, waarvoor hij zelf zijn gasten mocht uitnodigen. Dat werd een geweldige avond.'

Vandaag, zaterdag, heeft Job Cohen - losjes gekleed in colbert en spijkerbroek - net als meestal op zaterdag, een 'halfvrije dag'. Straks gaat hij naar een studievriend die zestig is geworden. Nog twee jaar en dan is hij zelf zestig. Ja, dat is toch een merkwaardige gedachte, vindt hij. 'Laatst stond er in Het Parool een verhaal over Asscher en Aboutaleb 'en Cohen als minence grise'. Dat is wel erg, hoor. Blijkbaar begint de buitenwereld je steeds meer als een oude man te zien.'

Olangs wilde de Amsterdamse wethouder Ahmed Aboutaleb uitleg van Wouter Bos, naar aanleiding van zijn uitspraak in Het Parool dat allochtone raadsleden een risico kunnen vormen. Cohen heeft zich nauwelijks aan de opmerkingen van Bos gestoord.

'Ik vond het helemaal niet zo raar wat Wouter zei. Aboutaleb heeft gelijk wanneer hij zegt: waarom moet het per se over allochtonen gaan? Dat soort belangenbehartiging komt overal voor. Maar als een partij zóveel gewonnen heeft, treden er ook volksvertegenwoordigers toe van wie het de vraag is of ze wel een sterke binding hebben met de partij. Dan is het dus niet meer dan terecht dat je die vraag hardop stelt.'

U bent niet bang voor een Partij van de Allochtonen, waar autochtone kiezers zich van zullen afkeren?

'Daar zijn we zelf bij. Ik interpreteer de verkiezingsuitslag in de eerste plaats als een afwijzing van het kabinetsbeleid. Maar ik zie het in Amsterdam ook als steun aan ons eigen beleid. Als Aboutaleb 46.912 voorkeurstemmen krijgt - voor een groot deel van autochtonen - dan hoef je bepaald niet bang te zijn voor een witte vlucht.'

Het moet een grote overgang geweest zijn toen u op 17 januari 2001 burgemeester werd: van de luwte van de wetenschap en het relatieve beschermde van Den Haag naar het tumult van Amsterdam.

'Ho ho ho ik was wl staatssecretaris van Justitie, hoor. Daar was niks beschermds aan. Asielbeleid is loodzwaar. Je zag het laatst nog. Zo'n zaak van Taïda Pasic splijt de samenleving.'

Was u het eens met de beslissing van Verdonk om haar uit te wijzen?

'Nou daar zeg ik maar niks over.'

Verdonk zei: niet zeuren, ik voer gewoon de wet-Cohen uit.

'Natuurlijk voert ze die wet uit. Maar je voert als minister daar ook nog 'ns je eigen beleíd bij. Wat was er tegen geweest om bij het maken van het regeerakkoord een generaal pardon af te spreken? Ze hadden moeten zeggen: ok, die nieuwe Vreemdelingenwet blijkt te werken. En voor de mensen die er al een tijd zijn, kondigen we een generaal pardon af. Dat is niet gebeurd. Een jammerlijk gemiste kans.'

Waar moest u als burgemeester het meest aan wennen?

'Ten eerste aan de veelheid van onderwerpen. Als staatssecretaris was mijn portefeuille beperkt. Ik moest van een paar dingen alles weten, maar van heel veel dingen niets. Hier is mijn belangrijkste portefeuille openbare orde en veiligheid, maar daarnaast moet je ook al het andere volgen.

'En ik moest geweldig wennen aan de organisatie van de gemeente. Daar snapte ik echt geen bal van. In Den Haag heb je een aantal goed geordende departementen, hier heb je een wirwar van diensten, bedrijven en stadsdelen. Ik vroeg in het begin ook: zet voor mij nou 'ns een schema met alle onderdelen op papier. En zelfs toen begreep ik het eigenlijk nog niet. Inmiddels begrijp ik het wel, al blijft het onoverzichtelijk.

'Het moeilijkste is dat je 24 uur per dag burgemeester bent. Iedere bijzin die je uitspreekt, wordt op een goudschaaltje gewogen. Daar ben ik eigenlijk nog steeds niet aan gewend. Mensen zien jou altijd als 'de burgemeester', terwijl je dat zelf niet voortdurend beseft. Soms knijp ik even in mijn arm: 'Ben jij dat, Job? Ben jij de opvolger van al die grote mannen die hier gezeten hebben?' Tegelijkertijd weet ik inmiddels dat Amsterdam goed bij mijn talenten past.'

Wat zijn uw talenten?

'Anderen opstoten, denk ik. Ik wil anderen de mogelijkheid geven om hun talenten te ontplooien.'

Dat is wel erg bescheiden. U wilt alleen een springplank voor anderen zijn?

'Wat is daar nou bescheiden aan? Dat is juist mijn kracht. Het grootste deel van mijn leven heb ik in de wetenschap doorgebracht. Ik was geen briljant wetenschapper, er waren anderen die veel beter waren. Maar wat is er mooier dan echt grote talenten in staat stellen op te bloeien? Ik vind het - in voetbaltermen - heel bevredigend om alleen de voorzet te geven. Ik hoef niet zelf te scoren.'

Want u bent geen Cruijff?

'Ik ben geen goede voetballer. Maar ik kan wél een club besturen. Ik vind het mooi dat ik in dit werk mensen een zetje kan geven: doe nou 'ns dát, breng die nou 'ns met die in contact. Neem die Marokkaans-joodse dialoog in Amsterdam. We hadden hier op 4 mei 2003 dat verschrikkelijke incident met Marokkaanse jongens die met rouwkransen gingen voetballen. De joodse gemeenschap kwam naar mij toe: wij zijn geweldig bezorgd. Vervolgens heb ik een aantal, vaak jonge mensen uit de Marokkaanse en de joodse gemeenschap bij elkaar gebracht.

We hebben hier, in mijn ambtswoning, vier, vijf keer intensief met elkaar gepraat. Ik ben er op de een of andere manier goed in om daarin als een soort bemiddelaar op te treden.'

Dat klinkt alsof u zelf nauwelijks eigen-schappen heeft. U bent vooral de bedding waar de rivier doorheen stroomt.

'En waarom zou dát dan geen eigenschap zijn?'

Onaardig gezegd: een zekere kleurloosheid strekt in uw vak tot aanbeveling?

'Daar zit zeker iets in. Op een aantal punten heb ik niet heel uitgesproken standpunten of sympathieën. Op andere punten weer wel. Als het gaat om 'de boel bij elkaar houden'; dat zit bij mij echt heel diep.'

Had u dat destijds niet beter anders kunnen zeggen? Het klonk zo slap en ambitieloos.

'Daar ben ik het zeer mee oneens. Het waren de prachtige woorden van Joop den Uyl. Toen ze hem aan het eind van zijn kabinet vroegen wat hij nu eigenlijk gedaan had, zei hij: 'Ik heb de boel een beetje bij elkaar gehouden.''

Het klinkt als: 'op de winkel passen'.

'Juist niet. Juist níet! Als een man als Den Uyl, die zóveel met z'n kabinet wilde, zoiets zegt, dan is dat heel wat. Inmiddels heeft bijna iedereen het belang van die woorden ook wel ingezien. 'De boel bij elkaar houden' is de grootste ambitie van iedere burgemeester geworden.

'De maanden na de moord op Van Gogh waren het moeilijkst. Ook in persoonlijk opzicht. Omdat het klimaat zo veranderde. De tegenwind nam toe. De kritiek dat ik veel te slap optrad, raakte me niet echt. Ik begreep het gewoon niet. Alsof dat 'dóe iets! Ní!'-geroep zo constructief was. Wat moest ik dan doen? Zomaar moskeeën gaan sluiten? En wat zg je daar dan mee?'

Ook uw persoonlijke omstandigheden veranderden drastisch. U werd ernstig bedreigd en consequent beveiligd.

'Zeker. En dat is erg onprettig. Het vervelendste vond ik dat ik in het weekend van tevoren precies moest vertellen wat ik van plan was. Zelfs als ik naar Albert Heijn wilde. En ik vond het erg onplezierig dat ik elke ochtend een andere chauffeur kreeg. Dat gaf een heel unheimisch gevoel.'

Nooit gedacht: Cohen, waar ben je aan begonnen?

'Nee. Ik heb vroeger altijd gezegd: op het moment dat de burgemeester van Amsterdam beveiligd moet worden, dan hou ik ermee op. Maar als dat dan werkelijk nodig blijkt, moet je er natuurlijk juist nit mee ophouden.'

U zei in november 2002 in De Telegraaf: 'Amsterdam is gewoon helemaal niet zo onveilig voor mensen die zich normaal gedragen. Persoonlijk voel ik me op mijn gemak. Ik heb geen angst en ben voor iedereen benaderbaar.' Dat klinkt in 2006 als een passage uit een sprookje.

'Ik zou het nu niet eens zo heel anders zeggen. Ik ben alleen niet meer voor iedereen benaderbaar. Voor sommige mensen kijk ik een beetje uit. Extreme fundamentalisten wil ik niet één-twee-drie ontmoeten. En ik pas op met mensen uit het criminele circuit.'

Hoe kijkt u naar de merkwaardige onthullingen over Endstra en Holleeder?

'Dat interesseert mij natuurlijk zeer. Ik ben ontzettend blij dat er nu is ingegrepen. Dat móet ook.'

Misschien loopt Holleeder binnenkort weer gewoon op straat.

'Er is nog een hoop te doen voor politie, justitie en bestuur. Want het 's allemaal nogal wat'

Bent u zelf beducht voor zo iemand?

'Nee. Dat zou toch het domste zijn wat zo'n man kan doen. Het heeft ook helemaal geen zin om de burgemeester van Amsterdam iets aan te doen. Want er komt altijd weer een nieuwe burgemeester.'

Hebt u zich ooit persoonlijk bedreigd gevoeld?

'Ehm nee.'

U aarzelt.

'Nee, echt niet. Ik vind het ook geen interessante vraag.'

Het gaat nota bene over uw eigen veiligheid.

'Als je je op dat punt niet senang voelt, moet je onmiddellijk stoppen.'

Zei uw vrouw na de bedreigingen uit extremistische moslimhoek niet: houd er alsjeblieft mee op?

'Hé! Dan kent u mijn vrouw niet. Dat is voor haar nooit een punt geweest. Geen spráke van, zeg. Lidie zou het net als ik onacceptabel vinden als ik toe zou geven aan diegenen aan wie je juist nooit moet toegeven.'

In het begin van het jaar zei u dat het weer onrustig was in de stad.

'Nu is het weer rustiger. Er is ook verschil tussen 'onrust' en 'onrustig'. Na 2 november 2004 was er echte onrust. En zelfs veel méér dan dat. Het had gemakkelijk mis kunnen gaan. Maar gelukkig hadden de Amsterdammers iets van: we laten ons verdomme onze stad niet afpakken.'

In de Diamantbuurt is het nog steeds onrustig.

'Daar moet je dus aan blijven werken. Coalities maken tussen stadsdelen en politie.'

Sonja Barend, voorvechter van de multiculturele samenleving, zei in 2002 in Vrij Nederland, naar aanleiding van de Palestina-demonstratie op de Dam: 'En ik zie nog steeds dat vreselijke beeld van een jongen met een keppeltje op die opgejaagd wordt, Krasnapolsky in, dat stççt voor joden. En dat ze daar dan de ruiten ingooien Alles wat ik geleerd heb van me af te houden, wordt dan ineens opengebroken. Juist omdat het zo dicht op mijn eigen huid is.' Herkent u dat gevoel?

'Ik begrijp ontzettend goed wat Sonja bedoelt. Ze heeft groot gelijk dat zoiets in Amsterdam niet mag gebeuren. Maar het zit niet zo dicht op mijn eigen huid. Ik heb me nooit zo joods gevoeld. Het was jarenlang hooguit een besef in m'n achterhoofd. Sinds ik burgemeester van Amsterdam ben, is het wel veel sterker geworden. Vooral omdat de joodse gemeenschap regelmatig een appèl op mij doet. Dan spreken ze me niet alleen aan als burgemeester maar ook als jood.'

Uw beide ouders overleefden de oorlog door onder te duiken. Toch groeiden u en uw broer niet op in de schaduw van die oorlog.

'Nee. Mijn ouders zijn erin geslaagd om er zonder zwarigheid mee te leven. Mijn vader was onderdirecteur van het RIOD, onder Lou de Jong. Die oorlog was dus ook zijn werk. Maar hij had er een totaal andere visie op dan De Jong. Mijn vader benaderde de oorlog veel meer afstandelijk en analytisch. Vlak voor de dood van m'n vader, die in 2004 overleed, hebben mijn broer en Hans Blom, de directeur van het RIOD, een artikel van hem uit 1950 gevonden. Echt een belangrijk stuk. Toen ontstond het idee: zullen we een aantal van zijn stukken in boekvorm bij elkaar brengen? Dat boek is onlangs uitgekomen. Onder redactie van Hans Blom, mijn broer Floris, oud-hoogleraar geschiedenis, en mijn zoon Jaap, die geschiedenis studeert in Amsterdam. Het is een echte Cohen-productie geworden, een ware 'Cohencidentie'.'

Wat hebt u er zelf aan bijgedragen?

'Helemaal niets. Dat is mijn stiel niet Ik zou dat helemaal niet kunnen. Maar als je me vraagt: 'Waar ben je nou echt trots op?' dan is het op dit boek, waar ik zelf niks aan gedaan heb. Ik beschouw het als een prachtig monument voor mijn vader.'

Hoe vond uw vader het dat u burgemeester van Amsterdam werd?

'Fantastisch. Hij nam weer een abonnement op Het Parool. Elke keer als ik bij hem kwam, had hij allerlei stukjes voor me uitgeknipt waarvan hij vond dat ik ze moest lezen. Heel aandoenlijk. Ik had ze uiteraard allang gelezen, maar dat zei ik natuurlijk niet.'

Het moet een mooi besef voor hem zijn geweest: zijn zoon burgemeester van de stad waar hij zelf in de oorlog persona non grata was.

'Nee, zo zat ie niet in elkaar. Hij was heel rationeel. Het afstandelijke en analytische heb ik vast van hem. Mijn moeder was heel warm en sociaal. Na haar dood waren we bang dat mijn vader zich in een isolement zou terugtrekken, maar dat gebeurde helemaal niet. Een half jaar voor z'n dood hebben we zijn verjaardag nog uitdrukkelijk gevierd. Hij was nooit geïnteresseerd in feesten of partijen. Dat was de afdeling van mijn moeder. Maar ergens in september 2004, kort voor zijn negentigste verjaardag, zei hij: nu moesten we maar 'ns iets organiseren. Toen hebben we hier een lunch gehouden, met de hele familie erbij. Dat was ontzettend dierbaar. Zijn broer was er ook bij, al behoorlijk dementerend. Die is veertien dagen later overleden. Een half jaar later was mijn vader ook dood. En dat is raar, hoor. Opeens is het dak boven je hoofd weg. Dan ben je zelf het dak, de oudste generatie. Als m'n kinderen iets over het verleden willen weten, zullen ze het aan mij of aan m'n broer moeten vragen.'

Waarom wilde u destijds zo graag kinderen?

'Dat leek me erg leuk. Ik hou van kinderen. Het is ongelofelijk spannend om iets wat zo uit jezelf voortkomt, te zien opgroeien. En ook het wonderlijke feit dat die twee kinderen dan ook nog 'ns niet op elkaar lijken. Dat is zó gek'

Uw vrouw zei: hij moest me echt overhalen.

'Nou, ze kon vooral erg goed onderhandelen op dit punt. Zij was toen lerares Nederlands en zei: als je dat wilt, dan blijf je zelf ook minstens een dag per week thuis. Dat is vervolgens ook gebeurd.'

Uw vrouw heeft multiple sclerose. Wanneer merkte u voor het eerst dat er iets aan de hand was?

'In september 1980. Ze zat te typen en merkte opeens dat ze naast de toetsen sloeg. Haar hand deed het niet meer. Ik dacht direct aan iets ergs, was ontzettend bang dat er iets in haar hersenen zat. Lidie bedacht toen zelf: zou het geen MS kunnen zijn? Kort daarna is de diagnose gesteld.

'De achteruitgang bij MS gaat langzaam. In het begin zie je het niet echt. We hebben er jarenlang heel goed mee kunnen leven. Er konden wel steeds meer dingen niet - niet op wintersport, niet meer tennissen - maar daar konden we redelijk mee omgaan. In 1997 begon het sterk achteruit te gaan, tot de toch wel zware invaliditeit van nu.'

Hoe is het om je vrouw zo te zien afbrokkelen?

'Dat is verschrikkelijk. Op mijn werkkamer staat een foto van toen ze nog gezond was. Als ik daar naar kijk, denk ik: verdomd, wat had haar leven anders kunnen lopen als ze die kloteziekte niet had gehad. Ze kón zoveel, ze kon zo verschrikkelijk veel. Ik weet wel zeker dat ze zo wethouder in Maastricht had kunnen worden. En dat had ze dan ook heel goed gedaan. Dat is haar allemaal ontstolen.'

Maakt dat u niet razend?

'Nee, dat heb ik niet. Ik kan me daar uiteindelijk bij neerleggen. Het is zoals het is.'

Het moet ingewikkeld zijn voor een relatie: de een schiet als een komeet omhoog, de ander merkt alleen maar verval.

'Dat is hartstikke moeilijk. Ik heb tegenover haar altijd het gevoel dat ik tekort schiet. Omdat ik toch veel dingen doe waar zij niet bij betrokken is. Tegelijkertijd is er geen beginnen aan om uit te leggen wat ik allemaal niét doe omdat ik anders nooit thuis zou zijn. Ik heb de afgelopen jaren heel wat buitenlandse reizen afgezegd.'

Uw vrouw zei mij dat u ook actief bent in het huishouden.

'Ik doe mijn best. Ik kook regelmatig.'

Uw boerenkool schijnt legendarisch te zijn.

Stralend: 'Ja, dat durf ik geheel te bevestigen. Ik ben vooral goed in simpele gerechten.'

Hoe bewaakt u de gelijkwaardigheid?

'Het raakt uit balans. Onvermijdelijk. Daar hebben we het allebei erg moeilijk mee. Maar we zullen ermee moeten leven. En het heeft twee kanten. Door mijn functie ben ik vaak niet thuis. Maar door diezelfde functie maakt zij dingen mee die ze anders absoluut nooit zou meemaken: filmpremières, naar het Concertgebouw. Tegen een ander zouden ze zeggen: sorry mevrouw, maar dat gaat helaas niet lukken met die rolstoel. Als ik echt wil dat ze meegaat, doet iedereen zijn uiterste best. Soms zeg ik gewoon: Anders kom ik niet. Dan kan er opeens een hoop. Maar wél omdat ik burgemeester ben. Ik zeg ook altijd: Doe het niet alleen voor mij. Want er zijn méér mensen in een rolstoel.'

Haar ziekte was voor u een belangrijke reden om in 2001 niet voor Den Haag maar voor Amsterdam te kiezen.

'Het was een bijkomende reden. Als staatssecretaris van Justitie had ik steeds

vaker moeite om naar iets leuks toe te gaan. Want dan knaagde er altijd het gevoel: kan ik dat nou wel doen? De mensen denken vast: hij lácht! Schándelijk! Dat heb je in Amsterdam natuurlijk niet. En daar geniet ik enorm van.'

Toch stelde u zich in 2003 samen met Johan Stekelenburg kandidaat voor het premierschap. Stekelenburg moest zich terugtrekken, nadat er bij hem slokdarmkanker was geconstateerd. De buitenwereld mocht dat toen alleen nog niet weten. Toen ik hem in 2003 interviewde, zei hij daarover: 'Een paar dagen later heb ik onderweg naar het AMC toch Job Cohen gebeld. Die wist nog van niks. Het was een kort, maar buitengewoon emotioneel gesprek. Ik hoorde Job wel twintig keer achter elkaar vloeken. Hij schrok zich helemaal te pletter.'

'Ja zeg Jezus'

De herinnering ontroert u.

Hij knikt. 'Dit raakt me zeer. Het was zo verschrikkelijk. Voor hem, maar ook voor Nederland. Ik zie me nog zitten; op m'n kamer achter m'n bureau, hij in die auto naar het AMC. Dan weet je niks beters te zeggen dan 'godverdómme'. Een paar dagen later was het korpsbeheerdersberaad. Iedereen lag op de loer, in de hoop aan de kleinste mimiek af te lezen wie het zou worden. Terwijl alleen Johan en ik de bittere waarheid kenden. Iedereen zat toe te kijken toen hij mij een briefje toeschoof. Het was een tekstje voor het persbericht, voor na zijn operatie. Zo intens treurig. Dat was een man die iets betékend heeft, hoor. Zo'n gouden vent Ik had hem heel goed als premier gezien. Dan had de wereld er misschien heel anders uitgezien.'

Ziet u Wouter Bos daar ook wel zitten?

'Ja. Maar die zal zich daar wel eerst moeten bewijzen. Ik had mij ook nog niet bewezen toen ik burgemeester werd.'

Is hij de beste kandidaat?

'Hij is de kandidaat.'

Maar ook de béste?

'Wat kan ik daar nou over zeggen? Ik weet niet welke duizend anderen er nog zouden zijn. Hij is het gezicht van de PvdA. Ik vind dus dat hij het moet doen.'

U blijft in Amsterdam?

'Ja. Ik wil nog graag voor een periode

benoemd worden. Ik voel me senang in deze functie.'

Wat laat Job Cohen Amsterdam straks na?

'Als je in het stadhuis de trap opkomt, hangen daar allemaal borden met wie er allemaal burgemeester en wethouder zijn geweest. Dat laat ik na.'

Alleen maar een naam op een muur?

'Uiteindelijk zal het niet heel veel meer zijn. Deze stad bestaat dik zevenhonderd jaar. In je eigen tijd kun je zeggen: goed dat die man er zit. Maar in het licht van de eeuwigheid ben je echt niet meer dan een inscriptie.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden